Herziene Statenvertaling (HSV)
24

De verbondssluiting

241Daarna zei Hij tegen Mozes: Klim naar boven, naar de HEERE toe, u en Aäron, Nadab en Abihu, en zeventig van de oudsten van Israël, en buig u op een afstand neer.

2Alleen Mozes mag tot de HEERE naderen. Zíj mogen echter niet naderbij komen, en ook het volk mag niet met hem naar boven klimmen.

3Mozes kwam terug en vertelde al de woorden van de HEERE en al de bepalingen aan het volk.

24:3
Ex. 19:8
24:7
Deut. 5:27
Toen antwoordde heel het volk eenstemmig en zij zeiden: Al de woorden die de HEERE gesproken heeft, zullen wij doen.

4Vervolgens schreef Mozes al de woorden van de HEERE op. Hij stond 's morgens vroeg op en bouwde onder aan de berg een altaar en richtte twaalf gedenkstenen op voor de twaalf stammen van Israël.

5En hij stuurde de jonge mannen van de Israëlieten erop uit. Die brachten brandoffers en brachten dankoffers voor de HEERE, te weten jonge stieren.

6Mozes nam de helft van het bloed en deed dat in de schalen, en de helft van het bloed sprenkelde hij op het altaar.

7Hij nam het boek van het verbond en las dit ten aanhoren van het volk voor. En zij zeiden: Alles wat de HEERE gesproken heeft, zullen wij doen en Hem gehoorzamen.

8Toen nam Mozes het bloed, sprenkelde het op het volk en zei:

24:8
Hebr. 9:20
1 Petr. 1:2
Zie, dit is het bloed van het verbond dat de HEERE met u gesloten heeft op grond van al die woorden.

9Vervolgens klommen Mozes en Aäron naar boven, en ook Nadab en Abihu met zeventig van de oudsten van Israël.

10En zij zagen de God van Israël. Onder Zijn voeten was er iets als plaveisel van saffier, zo helder als de hemel zelf.

11Hij strekte Zijn hand niet uit naar de aanzienlijken van de Israëlieten. Nadat zij God gezien hadden, aten en dronken zij.

12De HEERE zei tegen Mozes: Klim naar boven, naar Mij toe, de berg op, en blijf daar. Dan zal Ik u de stenen tafelen geven, de wet en de geboden, die Ik opgeschreven heb om hun te onderwijzen.

13Toen stond Mozes op, met zijn dienaar Jozua, en Mozes klom naar boven, de berg van God op.

14Hij zei tegen de oudsten: Blijf hier op ons wachten, totdat wij bij u terugkomen. En zie, Aäron en Hur blijven bij u. Wie bepaalde zaken heeft,24:14 Wie bepaalde zaken heeft - Letterlijk: Wie meester van woorden is. moet naar hen toe gaan.

15Toen Mozes de berg opklom, bedekte de wolk de berg.

16De heerlijkheid van de HEERE bleef op de berg Sinaï rusten, en de wolk bedekte hem zes dagen lang. Op de zevende dag riep Hij Mozes, vanuit het midden van de wolk.

17

24:17
Hebr. 12:29
De aanblik van de heerlijkheid van de HEERE op de top van de berg was in de ogen van de Israëlieten als een verterend vuur.

18Mozes ging de wolk binnen en klom de berg verder op. En Mozes was veertig dagen en veertig nachten op de berg.

25

Het hefoffer

251Toen sprak de HEERE tot Mozes:

2Spreek tot de Israëlieten en zeg dat zij voor Mij een hefoffer nemen.

25:2
Ex. 35:5
1 Kron. 29:3,5,9,14
Ezra 2:68
3:5
Neh. 11:2
U moet van iedereen wiens hart hem gewillig maakt, een hefoffer voor Mij nemen.

3Dit is het hefoffer dat u van hen moet nemen: goud, zilver en koper,

4blauwpurperen, roodpurperen en scharlakenrode wol, fijn linnen en geitenhaar,

5roodgeverfde ramshuiden, zeekoeienhuiden en acaciahout,

6olie voor de lamp, specerijen voor de zalfolie en specerijen voor het geurige reukwerk,

7

25:7
Ex. 28:4
onyxstenen en andere edelstenen als opvulling voor de efod en de borsttas.

8En zij moeten voor Mij een heiligdom maken, zodat Ik in hun midden kan wonen.

9Volgens alles wat Ik u zal tonen, een ontwerp van de tabernakel en een ontwerp van al zijn voorwerpen, zó moet u het maken.

De ark

10Ook moeten zij een ark

25:10
Ex. 37:1
Hebr. 9:1
van acaciahout maken; zijn lengte moet tweeënhalve el zijn, zijn breedte anderhalve el en zijn hoogte anderhalve el.

11U moet hem met zuiver goud overtrekken; vanbinnen en vanbuiten moet u hem overtrekken en er aan de bovenkant een gouden rand omheen maken.

12Dan moet u er vier gouden ringen voor gieten en die aan zijn vier voetstukken bevestigen, namelijk twee ringen aan de ene kant ervan en twee ringen aan de andere kant ervan.

13Vervolgens moet u draagbomen van acaciahout maken en die overtrekken met goud.

14Dan moet u de draagbomen door de ringen steken aan weerskanten van de ark, om de ark daarmee te dragen.

15

25:15
1 Kon. 8:8
De draagbomen moeten in de ringen van de ark blijven, ze mogen er niet uitgetrokken worden.

16Vervolgens

25:16
Hebr. 9:4
moet u in de ark de getuigenis leggen, die Ik u geven zal.

17

25:17
Ex. 37:6
Dan moet u een verzoendeksel van zuiver goud maken, zijn lengte tweeënhalve el en zijn breedte anderhalve el.

18

25:18
Hebr. 9:5
Vervolgens moet u twee cherubs van goud maken, als gedreven werk moet u ze maken, aan de beide uiteinden van het verzoendeksel.

19Maak één cherub aan het uiteinde aan de ene kant, en één cherub aan het uiteinde aan de andere kant; als één geheel met het verzoendeksel moet u de cherubs maken, aan de beide uiteinden ervan.

20De cherubs moeten hun beide vleugels naar boven uitgespreid houden,

25:20
Hebr. 9:5
terwijl ze met hun vleugels het verzoendeksel bedekken en hun gezichten naar elkaar toe gericht zijn; de gezichten van de cherubs moeten naar het verzoendeksel gericht zijn.

21Vervolgens

25:21
Hebr. 9:4,5
moet u het verzoendeksel op de ark leggen, en in de ark moet u de getuigenis leggen, die Ik u geven zal.

22Dan zal

25:22
Num. 7:89
Ik u daar ontmoeten en van boven het verzoendeksel, van tussen de twee cherubs, die zich op de ark van de getuigenis zullen bevinden, zal Ik met u spreken over alles wat Ik u voor de Israëlieten gebieden zal.

De tafel voor de toonbroden

23U moet ook een tafel van acaciahout maken. Zijn lengte moet twee el zijn, zijn breedte één el en zijn hoogte anderhalve el.

24Dan moet u hem met zuiver goud overtrekken en er een gouden rand omheen maken.

25Ook moet u er een sierlijst van een hand breed omheen maken en moet u een gouden rand rondom die sierlijst maken.

26Dan moet u er vier gouden ringen voor maken en de ringen bevestigen aan de vier hoeken van zijn vier poten.25:26 van zijn vier poten - Letterlijk: die aan zijn vier poten zijn.

27De ringen moeten dicht onder de sierlijst zitten, als houders voor de draagbomen, om de tafel te kunnen dragen.

28En u moet de draagbomen van acaciahout maken en ze met goud overtrekken; de tafel moet daarmee gedragen worden.

29Vervolgens moet u de bijbehorende schotels, schalen, kannen en kommen maken, waarmee plengoffers gebracht worden; van zuiver goud moet u ze maken.

30Dan moet u het toonbrood op de tafel leggen; het moet er voortdurend voor Mijn aangezicht zijn.

De gouden kandelaar

31

25:31
Ex. 37:17
U moet ook een kandelaar van zuiver goud maken. Als gedreven werk moet de kandelaar gemaakt worden, zijn schacht en zijn armen; zijn bloemkelken, zijn knoppen en zijn bloesems moeten er één geheel mee vormen.

32En zes armen moeten uit de zijkanten ervan uitsteken: drie armen van de kandelaar uit zijn ene kant, en drie armen van de kandelaar uit zijn andere kant.

33Drie bloemkelken in de vorm van amandelbloesem aan de ene arm, met knop en bloesem, en drie bloemkelken in de vorm van amandelbloesem aan de andere arm, met knop en bloesem. Zo moeten de zes armen worden die uit de kandelaar steken.

34En op de kandelaar zelf moeten vier bloemkelken komen in de vorm van amandelbloesem, met zijn knoppen en zijn bloesems.

35Er moet een knop komen onder het eerste paar armen dat eruit steekt, een knop onder het tweede paar armen dat eruit steekt, en een knop onder het derde paar armen dat eruit steekt. Zo moet het worden bij de zes armen die uit de kandelaar steken.

36Zijn knoppen en zijn armen moeten met de kandelaar één geheel vormen; het geheel moet één stuk gedreven werk van zuiver goud zijn.

37Vervolgens moet u de bijbehorende zeven lampen maken. Men moet die lampen aansteken en licht doen verspreiden in de richting van de voorzijde van de kandelaar.

38Zowel de bijbehorende snuiters als de bijbehorende vuurschalen moeten van zuiver goud zijn.

39Van één talent25:39 Een talent is ongeveer 30 kilo. zuiver goud moet men hem maken, met al die genoemde voorwerpen.

40

25:40
Hand. 7:44
Hebr. 8:5
Zie dan erop toe dat u het maakt naar zijn ontwerp, dat u op de berg getoond is.

26

De tabernakel

261De

26:1
Ex. 36:8
tabernakel moet u vervolgens maken van tien tentkleden, van dubbeldraads fijn linnen en blauwpurperen, roodpurperen en scharlakenrode wol. U moet ze maken met cherubs erop, werk van een kunstenaar.

2De lengte van één tentkleed moet achtentwintig el zijn en de breedte van één tentkleed vier el: al de tentkleden moeten dezelfde afmeting hebben.

3Vijf tentkleden moeten aan elkaar vastgemaakt worden, en nog eens vijf tentkleden moeten aan elkaar vastgemaakt worden.

4Dan moet u blauwpurperen lussen maken aan de zoom van het ene tentkleed, aan het uiteinde van het ene stel, en zo moet u ze ook maken aan de zoom van het laatste tentkleed, bij het tweede stel.

5U moet vijftig lussen maken aan het ene tentkleed en vijftig lussen moet u maken aan het uiteinde van het tentkleed dat bij het tweede stel behoort; de lussen moeten precies tegenover elkaar gezet zijn.

6Dan moet u vijftig gouden haken maken en met die haken de tentkleden aan elkaar vastmaken, zodat de tabernakel één geheel is.

7Ook moet u

26:7
Ex. 36:14
kleden van geitenhaar maken voor een tent over de tabernakel: elf tentkleden moet u daarvan maken.

8De lengte van één tentkleed moet dertig el zijn, en de breedte van het tentkleed vier el: de elf tentkleden moeten eenzelfde afmeting hebben.

9En u moet vijf van de tentkleden apart aan elkaar vastmaken en zes van de andere tentkleden eveneens apart. Vervolgens moet u het zesde tentkleed dubbelvouwen aan de voorkant van de tent.

10Dan moet u vijftig lussen maken aan de zoom van het ene tentkleed, het laatste van het stel, en vijftig lussen aan de zoom van het tentkleed bij het andere stel.

11Vervolgens moet u vijftig koperen haken maken en u moet de haken in de lussen aanbrengen en de tentdelen zo aan elkaar vastmaken dat ze één geheel vormen.

12Het loshangende deel van wat overblijft van de kleden van de tent, namelijk het halve tentkleed dat overblijft, moet aan de achterkant van de tabernakel overhangen.

13De el die aan deze en de el die aan de andere kant in de lengte van de kleden van de tent overblijft, moet langs de zijkanten van de tabernakel overhangen, aan deze en aan de andere kant, om die af te dekken.

14U moet ook voor de tent een dekkleed van roodgeverfde ramshuiden maken,

26:14
Ex. 36:19
en daarover een dekkleed van zeekoeienhuiden.

15Ook moet u voor de tabernakel de rechtopstaande planken maken van acaciahout.

16De lengte van een plank moet tien el zijn, en anderhalve el de breedte van elke plank.

17Elke plank moet twee pinnen hebben, zodat ze met elkaar verbonden kunnen worden. Hetzelfde moet u met alle planken van de tabernakel doen.

18Dan moet u de planken voor de tabernakel maken, twintig planken voor de zuidzijde.

19Dan moet u veertig zilveren voetstukken onder de twintig planken maken; twee voetstukken onder de ene plank voor zijn twee pinnen, en twee voetstukken onder de andere plank voor zijn twee pinnen.

20En voor de andere kant van de tabernakel, aan de noordzijde: twintig planken

21met hun veertig zilveren voetstukken; twee voetstukken onder de ene plank en twee voetstukken onder de andere plank.

22En voor de westkant van de tabernakel moet u zes planken maken.

23U moet ook twee planken tot hoekpunten van de tabernakel maken, aan beide kanten.

24Ze moeten vervolgens van onderen af volkomen gelijk zijn, en samen ook volkomen gelijk aan de bovenkant ervan, bij de eerste ring. Zo moet het voor twee van de planken zijn; ze zullen als de twee hoekpunten dienen.

25Er moeten dus acht planken zijn met hun zilveren voetstukken, samen zestien voetstukken: twee voetstukken onder de ene plank en twee voetstukken onder de andere plank.

26Vervolgens moet u dwarsbalken van acaciahout maken: vijf voor de planken aan de ene kant van de tabernakel,

27vijf dwarsbalken voor de planken aan de andere kant van de tabernakel, en vijf dwarsbalken voor de planken aan de achterkant van de tabernakel, aan de westkant.

28Dan moet de middelste dwarsbalk in het midden van de planken van het ene einde naar het andere einde lopen.

29Vervolgens moet u de planken met goud overtrekken en de ringen daarvan – als houders voor de dwarsbalken – van goud maken; ook moet u de dwarsbalken met goud overtrekken.

30

26:30
Ex. 25:9,40
Hand. 7:44
Hebr. 8:5
Dan moet u de tabernakel opbouwen overeenkomstig de bepaling daarvoor, die u op de berg getoond is.

Het voorhangsel

31U moet ook een

26:31
Ex. 36:35
voorhangsel maken, van blauwpurperen, roodpurperen en scharlakenrode wol en dubbeldraads fijn linnen; men moet het maken met cherubs erop, werk van een kunstenaar.

32Dan moet u het hangen aan vier pilaren van acaciahout die met goud overtrokken zijn en van gouden haken voorzien, op vier zilveren voetstukken.

33Dan moet u het voorhangsel onder aan de haken hangen en de ark van de getuigenis daarbinnen achter het voorhangsel brengen. Het voorhangsel moet voor u scheiding maken tussen het heilige en het heilige der heiligen.

34Vervolgens moet u het verzoendeksel op de ark van de getuigenis leggen, in het heilige der heiligen.

35Verder moet u de tafel aan de buitenkant van het voorhangsel zetten, en de kandelaar tegenover de tafel, aan de zuidkant van de tabernakel, en de tafel moet u aan de noordkant plaatsen.

36

26:36
Ex. 36:37
U moet voor de ingang van de tent ook een gordijn maken, van blauwpurperen, roodpurperen en scharlakenrode wol en dubbeldraads fijn linnen, borduurwerk.

37En voor het gordijn moet u vijf pilaren van acaciahout maken, die met goud overtrekken en voorzien van gouden haken; u moet daarvoor vijf koperen voetstukken gieten.