Herziene Statenvertaling (HSV)
23

Wetten inzake laster en vals getuigenis

231U mag geen vals gerucht verspreiden, en u mag een schuldige niet uw hand reiken door een misdadige getuige te zijn.

2U mag de meerderheid niet volgen in het kwaad, en u mag in een rechtszaak niet zo antwoorden dat u zich schikt naar de meerderheid om zo het recht te buigen.

3

23:3
Lev. 19:15
U mag een arme bij zijn rechtszaak niet voortrekken.

4

23:4
Deut. 22:1,2
Luk. 6:27
Filipp. 2:4
Wanneer u een rund van uw vijand of zijn verdwaalde ezel aantreft, moet u het dier beslist bij hem terugbrengen.

5

23:5
Deut. 22:4
Wanneer u de ezel van iemand die u haat, onder zijn last ziet liggen, moet u zich ervan weerhouden om het aan hem over te laten. U moet de ezel beslist samen met hem overeind helpen.

6

23:6
Deut. 27:19
U mag het recht van de arme onder u niet buigen bij zijn rechtszaak.

7Houd u ver van bedrieglijke zaken. Een onschuldige en een rechtvaardige mag u niet doden, want Ik zal de schuldige niet rechtvaardig verklaren.

8

23:8
Deut. 16:19
1 Sam. 8:3
Spr. 19:6
Pred. 7:7
U mag geen geschenk aannemen, want het geschenk maakt zienden blind en verdraait de woorden van de rechtvaardigen.

9

23:9
Ex. 22:21
Lev. 19:33
Deut. 24:17
U mag de vreemdeling niet onderdrukken, want u kent zelf de gesteldheid23:9 de gesteldheid - Letterlijk: de ziel. van de vreemdeling, omdat u zelf vreemdeling geweest bent in het land Egypte.

10U mag zes jaar uw land bezaaien, en de opbrengst ervan verzamelen,

11

23:11
Lev. 25:4,5
maar in het zevende jaar moet u het met rust laten en het braak laten liggen, zodat de armen onder uw volk kunnen eten; en het overschot ervan kunnen de dieren van het veld eten. U moet hetzelfde doen met uw wijngaard en met uw olijfbomen.

12

23:12
Ex. 20:8
31:13,14
Zes dagen moet u uw werk doen, maar op de zevende dag moet u rusten, zodat uw rund en uw ezel kunnen rusten, en de zoon van uw slavin en de vreemdeling op adem kunnen komen.

13Bij alles wat Ik tegen u gezegd heb, moet u op uw hoede zijn. U mag niet aan

23:13
Num. 32:38
Joz. 23:7
Ps. 16:4
Hos. 2:16
Zach. 13:2
de naam van andere goden denken, die mag niet uit uw mond gehoord worden!

De drie grote feesten

14Driemaal per jaar moet u voor Mij een feest vieren.

15

23:15
Ex. 12:14,15
13:3
Het Feest van de ongezuurde broden moet u in acht nemen. Zeven dagen lang moet u ongezuurde broden eten, zoals Ik u geboden heb, op de vastgestelde tijd in de maand Abib, want in die maand bent u uit Egypte vertrokken.
23:15
Ex. 34:20
Deut. 16:16
Maar men mag niet met lege handen voor Mijn aangezicht verschijnen.

16Ook het Feest van de oogst, van de eerste vruchten van uw werk, van wat u op de akker gezaaid hebt. En het Feest van de inzameling, aan het einde van het jaar, wanneer u de vruchten van uw werk van het veld ingezameld hebt.

17Drie keer per jaar moet alles wat mannelijk onder u is, voor het aangezicht van de Heere HEERE verschijnen.

18U mag het bloed van Mijn offer niet offeren met iets dat gezuurd is, en het vet van Mijn feestoffer mag niet tot de volgende morgen overblijven.

19

23:19
Ex. 34:26
De eerstelingen van de eerste vruchten van uw land moet u in het huis van de HEERE, uw God, brengen.
23:19
Ex. 34:26
U mag een bokje niet koken in de melk van zijn moeder.

De leiding van God

20

23:20
Ex. 33:2
Zie, Ik zend een Engel voor u uit om over u te waken op de weg en u te brengen naar de plaats die Ik gereedgemaakt heb.

21Wees op uw hoede voor Zijn aangezicht en luister naar Zijn stem. Verbitter Hem niet, want Hij zal uw overtredingen niet vergeven, omdat Mijn Naam in het binnenste van Hem is.

22Maar als u aandachtig naar Zijn stem luistert en alles doet wat Ik spreken zal,

23:22
Gen. 12:3
zal Ik de vijand van uw vijanden zijn en de tegenstander van hen die u in het nauw brengen.

23Mijn Engel zal namelijk vóór u uit gaan en u brengen bij de Amorieten en de Hethieten en de Ferezieten en de Kanaänieten en de Hevieten en de Jebusieten, en Ik zal hen uitroeien.

24U mag zich voor hun goden niet neerbuigen en ze niet dienen. U mag niet doen

23:24
Lev. 18:3
overeenkomstig hun werken. Voorzeker, u moet ze volledig omverhalen en hun gewijde stenen helemaal in stukken slaan.

25U moet de HEERE, uw God, dienen.

23:25
Ex. 15:26
Deut. 7:15
Dan zal Hij uw brood en uw water zegenen. Ik zal ziekte uit uw midden doen wijken.

26

23:26
Deut. 7:14
Geen vrouw in uw land zal een miskraam hebben of onvruchtbaar zijn. Ik zal het aantal van uw dagen vol maken.

27

23:27
Ex. 14:24
Joz. 10:10
De schrik voor Mij zal Ik vóór u uit zenden, en al de volken waaronder u komt, zal Ik in verwarring brengen. En Ik zal al uw vijanden voor u op de vlucht doen slaan.23:27 En Ik … doen slaan - Letterlijk: En Ik zal al uw vijanden naar u de nek geven.

28

23:28
Deut. 7:20
Joz. 24:12
Ik zal ook horzels vóór u uit zenden; die zullen de Hevieten, de Kanaänieten en de Hethieten vóór u uit verdrijven.

29Ik zal hen niet in één jaar vóór u uit verdrijven, anders wordt het land een woestenij en worden de wilde dieren van het veld u te talrijk.

30Ik zal hen geleidelijk vóór u uit verdrijven, totdat u zo in aantal toegenomen bent dat u het land in erfbezit kunt nemen.

31

23:31
Num. 34:3,4
Ik zal uw grenzen vaststellen, van de Schelfzee tot aan de zee van de Filistijnen, en van de woestijn tot aan de rivier, want Ik zal de bewoners van het land in uw hand geven, zodat u hen vóór u uit kunt verdrijven.

32

23:32
Ex. 34:12,15
Deut. 7:2
U mag met hen en met hun goden geen verbond sluiten.

33

23:33
Joz. 23:13
Richt. 2:3
Zij mogen niet in uw land blijven wonen, anders zullen zij u doen zondigen tegen Mij. Als u hun goden dient, voorzeker, het zal voor u tot een valstrik worden.

24

De verbondssluiting

241Daarna zei Hij tegen Mozes: Klim naar boven, naar de HEERE toe, u en Aäron, Nadab en Abihu, en zeventig van de oudsten van Israël, en buig u op een afstand neer.

2Alleen Mozes mag tot de HEERE naderen. Zíj mogen echter niet naderbij komen, en ook het volk mag niet met hem naar boven klimmen.

3Mozes kwam terug en vertelde al de woorden van de HEERE en al de bepalingen aan het volk.

24:3
Ex. 19:8
24:7
Deut. 5:27
Toen antwoordde heel het volk eenstemmig en zij zeiden: Al de woorden die de HEERE gesproken heeft, zullen wij doen.

4Vervolgens schreef Mozes al de woorden van de HEERE op. Hij stond 's morgens vroeg op en bouwde onder aan de berg een altaar en richtte twaalf gedenkstenen op voor de twaalf stammen van Israël.

5En hij stuurde de jonge mannen van de Israëlieten erop uit. Die brachten brandoffers en brachten dankoffers voor de HEERE, te weten jonge stieren.

6Mozes nam de helft van het bloed en deed dat in de schalen, en de helft van het bloed sprenkelde hij op het altaar.

7Hij nam het boek van het verbond en las dit ten aanhoren van het volk voor. En zij zeiden: Alles wat de HEERE gesproken heeft, zullen wij doen en Hem gehoorzamen.

8Toen nam Mozes het bloed, sprenkelde het op het volk en zei:

24:8
Hebr. 9:20
1 Petr. 1:2
Zie, dit is het bloed van het verbond dat de HEERE met u gesloten heeft op grond van al die woorden.

9Vervolgens klommen Mozes en Aäron naar boven, en ook Nadab en Abihu met zeventig van de oudsten van Israël.

10En zij zagen de God van Israël. Onder Zijn voeten was er iets als plaveisel van saffier, zo helder als de hemel zelf.

11Hij strekte Zijn hand niet uit naar de aanzienlijken van de Israëlieten. Nadat zij God gezien hadden, aten en dronken zij.

12De HEERE zei tegen Mozes: Klim naar boven, naar Mij toe, de berg op, en blijf daar. Dan zal Ik u de stenen tafelen geven, de wet en de geboden, die Ik opgeschreven heb om hun te onderwijzen.

13Toen stond Mozes op, met zijn dienaar Jozua, en Mozes klom naar boven, de berg van God op.

14Hij zei tegen de oudsten: Blijf hier op ons wachten, totdat wij bij u terugkomen. En zie, Aäron en Hur blijven bij u. Wie bepaalde zaken heeft,24:14 Wie bepaalde zaken heeft - Letterlijk: Wie meester van woorden is. moet naar hen toe gaan.

15Toen Mozes de berg opklom, bedekte de wolk de berg.

16De heerlijkheid van de HEERE bleef op de berg Sinaï rusten, en de wolk bedekte hem zes dagen lang. Op de zevende dag riep Hij Mozes, vanuit het midden van de wolk.

17

24:17
Hebr. 12:29
De aanblik van de heerlijkheid van de HEERE op de top van de berg was in de ogen van de Israëlieten als een verterend vuur.

18Mozes ging de wolk binnen en klom de berg verder op. En Mozes was veertig dagen en veertig nachten op de berg.

25

Het hefoffer

251Toen sprak de HEERE tot Mozes:

2Spreek tot de Israëlieten en zeg dat zij voor Mij een hefoffer nemen.

25:2
Ex. 35:5
1 Kron. 29:3,5,9,14
Ezra 2:68
3:5
Neh. 11:2
U moet van iedereen wiens hart hem gewillig maakt, een hefoffer voor Mij nemen.

3Dit is het hefoffer dat u van hen moet nemen: goud, zilver en koper,

4blauwpurperen, roodpurperen en scharlakenrode wol, fijn linnen en geitenhaar,

5roodgeverfde ramshuiden, zeekoeienhuiden en acaciahout,

6olie voor de lamp, specerijen voor de zalfolie en specerijen voor het geurige reukwerk,

7

25:7
Ex. 28:4
onyxstenen en andere edelstenen als opvulling voor de efod en de borsttas.

8En zij moeten voor Mij een heiligdom maken, zodat Ik in hun midden kan wonen.

9Volgens alles wat Ik u zal tonen, een ontwerp van de tabernakel en een ontwerp van al zijn voorwerpen, zó moet u het maken.

De ark

10Ook moeten zij een ark

25:10
Ex. 37:1
Hebr. 9:1
van acaciahout maken; zijn lengte moet tweeënhalve el zijn, zijn breedte anderhalve el en zijn hoogte anderhalve el.

11U moet hem met zuiver goud overtrekken; vanbinnen en vanbuiten moet u hem overtrekken en er aan de bovenkant een gouden rand omheen maken.

12Dan moet u er vier gouden ringen voor gieten en die aan zijn vier voetstukken bevestigen, namelijk twee ringen aan de ene kant ervan en twee ringen aan de andere kant ervan.

13Vervolgens moet u draagbomen van acaciahout maken en die overtrekken met goud.

14Dan moet u de draagbomen door de ringen steken aan weerskanten van de ark, om de ark daarmee te dragen.

15

25:15
1 Kon. 8:8
De draagbomen moeten in de ringen van de ark blijven, ze mogen er niet uitgetrokken worden.

16Vervolgens

25:16
Hebr. 9:4
moet u in de ark de getuigenis leggen, die Ik u geven zal.

17

25:17
Ex. 37:6
Dan moet u een verzoendeksel van zuiver goud maken, zijn lengte tweeënhalve el en zijn breedte anderhalve el.

18

25:18
Hebr. 9:5
Vervolgens moet u twee cherubs van goud maken, als gedreven werk moet u ze maken, aan de beide uiteinden van het verzoendeksel.

19Maak één cherub aan het uiteinde aan de ene kant, en één cherub aan het uiteinde aan de andere kant; als één geheel met het verzoendeksel moet u de cherubs maken, aan de beide uiteinden ervan.

20De cherubs moeten hun beide vleugels naar boven uitgespreid houden,

25:20
Hebr. 9:5
terwijl ze met hun vleugels het verzoendeksel bedekken en hun gezichten naar elkaar toe gericht zijn; de gezichten van de cherubs moeten naar het verzoendeksel gericht zijn.

21Vervolgens

25:21
Hebr. 9:4,5
moet u het verzoendeksel op de ark leggen, en in de ark moet u de getuigenis leggen, die Ik u geven zal.

22Dan zal

25:22
Num. 7:89
Ik u daar ontmoeten en van boven het verzoendeksel, van tussen de twee cherubs, die zich op de ark van de getuigenis zullen bevinden, zal Ik met u spreken over alles wat Ik u voor de Israëlieten gebieden zal.

De tafel voor de toonbroden

23U moet ook een tafel van acaciahout maken. Zijn lengte moet twee el zijn, zijn breedte één el en zijn hoogte anderhalve el.

24Dan moet u hem met zuiver goud overtrekken en er een gouden rand omheen maken.

25Ook moet u er een sierlijst van een hand breed omheen maken en moet u een gouden rand rondom die sierlijst maken.

26Dan moet u er vier gouden ringen voor maken en de ringen bevestigen aan de vier hoeken van zijn vier poten.25:26 van zijn vier poten - Letterlijk: die aan zijn vier poten zijn.

27De ringen moeten dicht onder de sierlijst zitten, als houders voor de draagbomen, om de tafel te kunnen dragen.

28En u moet de draagbomen van acaciahout maken en ze met goud overtrekken; de tafel moet daarmee gedragen worden.

29Vervolgens moet u de bijbehorende schotels, schalen, kannen en kommen maken, waarmee plengoffers gebracht worden; van zuiver goud moet u ze maken.

30Dan moet u het toonbrood op de tafel leggen; het moet er voortdurend voor Mijn aangezicht zijn.

De gouden kandelaar

31

25:31
Ex. 37:17
U moet ook een kandelaar van zuiver goud maken. Als gedreven werk moet de kandelaar gemaakt worden, zijn schacht en zijn armen; zijn bloemkelken, zijn knoppen en zijn bloesems moeten er één geheel mee vormen.

32En zes armen moeten uit de zijkanten ervan uitsteken: drie armen van de kandelaar uit zijn ene kant, en drie armen van de kandelaar uit zijn andere kant.

33Drie bloemkelken in de vorm van amandelbloesem aan de ene arm, met knop en bloesem, en drie bloemkelken in de vorm van amandelbloesem aan de andere arm, met knop en bloesem. Zo moeten de zes armen worden die uit de kandelaar steken.

34En op de kandelaar zelf moeten vier bloemkelken komen in de vorm van amandelbloesem, met zijn knoppen en zijn bloesems.

35Er moet een knop komen onder het eerste paar armen dat eruit steekt, een knop onder het tweede paar armen dat eruit steekt, en een knop onder het derde paar armen dat eruit steekt. Zo moet het worden bij de zes armen die uit de kandelaar steken.

36Zijn knoppen en zijn armen moeten met de kandelaar één geheel vormen; het geheel moet één stuk gedreven werk van zuiver goud zijn.

37Vervolgens moet u de bijbehorende zeven lampen maken. Men moet die lampen aansteken en licht doen verspreiden in de richting van de voorzijde van de kandelaar.

38Zowel de bijbehorende snuiters als de bijbehorende vuurschalen moeten van zuiver goud zijn.

39Van één talent25:39 Een talent is ongeveer 30 kilo. zuiver goud moet men hem maken, met al die genoemde voorwerpen.

40

25:40
Hand. 7:44
Hebr. 8:5
Zie dan erop toe dat u het maakt naar zijn ontwerp, dat u op de berg getoond is.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]