Herziene Statenvertaling (HSV)
22

Wetten inzake diefstal

221Wanneer

22:1
2 Sam. 12:6
iemand een rund of een stuk kleinvee steelt en het slacht of verkoopt, moet hij vijf runderen als vergoeding geven voor het rund, en vier stuks kleinvee voor het stuk kleinvee.

2Als een dief bij het inbreken betrapt wordt en geslagen wordt dat hij sterft, rust er geen bloedschuld op degene die hem sloeg.

3Maar als de zon over hem opgegaan is, rust er wel bloedschuld op hem. De dief moet alles volledig vergoeden. Heeft hij niets, dan moet hij vanwege zijn diefstal verkocht worden.

4Als inderdaad het gestolene levend in zijn bezit aangetroffen wordt, moet hij het van rund tot ezel, tot kleinvee toe dubbel vergoeden.

5Wanneer iemand een veld of wijngaard laat afgrazen door zijn vee daarin los te laten en dit het veld van een ander afgraast, moet hij het beste deel van zijn eigen veld of het beste deel van zijn wijngaard als vergoeding geven.

6Wanneer een vuur om zich heen grijpt en op de doornstruiken overslaat, zodat een korenhoop, het staande koren of het hele veld verbrand wordt, moet hij die het vuur heeft aangestoken, een volledige vergoeding geven.

7Wanneer iemand aan zijn naaste geld of goed in bewaring geeft, en het wordt uit het huis van die man gestolen, moet de dief, als hij gepakt wordt, het dubbel vergoeden.

8Als de dief niet gevonden wordt, moet de eigenaar van dat huis naar de rechters22:8 rechters - Letterlijk: goden of God; zie ook de verzen 9 en 28. gebracht worden om na te gaan of hij zijn hand niet heeft uitgestoken naar de bezittingen van zijn naaste.

9Bij elk geval van verduistering, bij een rund, bij een ezel, bij een schaap, bij een kledingstuk, of bij welk verloren voorwerp dan ook waarvan iemand zegt dat het van hem is, moet hun beider zaak voor de rechters komen. Wie de rechters schuldig verklaren, moet het aan zijn naaste dubbel vergoeden.

10Wanneer iemand aan zijn naaste een ezel of een rund, een schaap of welk dier dan ook in bewaring geeft, en het sterft of het raakt gewond of wordt geroofd, zonder dat iemand het zag,

11dan moet de eed bij de HEERE tussen hen beiden beslissen, of hij zijn hand niet heeft uitgestoken naar de bezittingen van zijn naaste. De eigenaar daarvan is daaraan onderworpen en de ander hoeft het niet te vergoeden.

12Maar als het zonder twijfel van hem gestolen is, moet de ander het aan de eigenaar ervan vergoeden.

13Als het vaststaat dat het verscheurd is, moet hij het meebrengen als bewijs. Het verscheurde dier hoeft hij niet te vergoeden.

14Wanneer iemand van zijn naaste wat te leen vraagt en het raakt beschadigd of het sterft terwijl de eigenaar ervan er niet bij is, moet hij het volledig vergoeden.

15Als de eigenaar ervan erbij geweest is, hoeft hij het niet te vergoeden. Als het gehuurd is, is de schade bij de huur ervan inbegrepen.

16Wanneer iemand een maagd verleidt die niet in ondertrouw is, en hij met haar slaapt, moet hij haar voor zichzelf tot vrouw nemen door volledige betaling van de bruidsschat.

17Maar als haar vader beslist weigert haar aan hem te geven, moet hij een geldsom afwegen die overeenkomt met de bruidsschat voor een maagd.

18

22:18
Deut. 18:10,11
Een tovenares mag u niet in leven laten.

19

22:19
Lev. 18:23
20:15
Ieder die met een dier gemeenschap heeft, moet zeker gedood worden.

20

22:20
Deut. 17:2,3,4,5
Wie aan de goden offert, en niet aan de HEERE alleen, die moet met de ban geslagen worden.

Wetten inzake het gedrag tegenover vreemdelingen, weduwen en wezen

21

22:21
Lev. 19:34
U mag een vreemdeling niet uitbuiten en hem niet onderdrukken, want u bent zelf vreemdelingen geweest in het land Egypte.

22

22:22
Zach. 7:10
U mag geen enkele weduwe of wees onderdrukken.

23Als u hen maar enigszins onderdrukt en zij maar enigszins tot Mij om hulp roepen, zal Ik hun roep zeker verhoren.

24Mijn toorn zal ontbranden en Ik zal u met het zwaard doden en uw vrouwen zullen weduwen en uw kinderen wezen worden.

Wetten inzake rente

25

22:25
Lev. 25:36,37
Deut. 23:19,20
Ps. 15:5
Spr. 28:8
Ezech. 18:8
Als u iemand van Mijn volk, een van de armen onder u, geld leent, dan mag u zich niet als een schuldeiser tegenover hem gedragen. U mag hem geen rente opleggen.

26

22:26
Deut. 24:12,13
Als u het kleed van uw naaste in onderpand neemt, moet u dat aan hem teruggeven voordat de zon ondergaat.

27Dat is immers zijn enige bedekking. Het is de kleding over zijn huid. Waarin zou hij anders moeten slapen? Wanneer hij tot Mij om hulp roept, zal het gebeuren dat Ik het zal horen, want Ik ben genadig!

28U mag de rechters niet vervloeken, en de

22:28
Hand. 23:3,4,5
leiders van uw volk mag u niet verwensen.

29U mag van uw volheid en van uw overvloed niet achterhouden.

22:29
Ex. 13:2,12
De eerstgeborene van uw zonen moet u Mij geven.

30

22:30
Ex. 23:19
Lev. 22:27
Ezech. 44:30
U moet hetzelfde doen met uw runderen en uw kleinvee; zeven dagen mogen ze bij hun moeder blijven, op de achtste dag moet u ze Mij geven.

31U moet voor Mij geheiligde mensen zijn.

22:31
Lev. 22:8
Ezech. 44:31
Daarom mag u geen vlees eten van een dier dat op het veld verscheurd is. U moet dit voor de honden werpen.

23

Wetten inzake laster en vals getuigenis

231U mag geen vals gerucht verspreiden, en u mag een schuldige niet uw hand reiken door een misdadige getuige te zijn.

2U mag de meerderheid niet volgen in het kwaad, en u mag in een rechtszaak niet zo antwoorden dat u zich schikt naar de meerderheid om zo het recht te buigen.

3

23:3
Lev. 19:15
U mag een arme bij zijn rechtszaak niet voortrekken.

4

23:4
Deut. 22:1,2
Luk. 6:27
Filipp. 2:4
Wanneer u een rund van uw vijand of zijn verdwaalde ezel aantreft, moet u het dier beslist bij hem terugbrengen.

5

23:5
Deut. 22:4
Wanneer u de ezel van iemand die u haat, onder zijn last ziet liggen, moet u zich ervan weerhouden om het aan hem over te laten. U moet de ezel beslist samen met hem overeind helpen.

6

23:6
Deut. 27:19
U mag het recht van de arme onder u niet buigen bij zijn rechtszaak.

7Houd u ver van bedrieglijke zaken. Een onschuldige en een rechtvaardige mag u niet doden, want Ik zal de schuldige niet rechtvaardig verklaren.

8

23:8
Deut. 16:19
1 Sam. 8:3
Spr. 19:6
Pred. 7:7
U mag geen geschenk aannemen, want het geschenk maakt zienden blind en verdraait de woorden van de rechtvaardigen.

9

23:9
Ex. 22:21
Lev. 19:33
Deut. 24:17
U mag de vreemdeling niet onderdrukken, want u kent zelf de gesteldheid23:9 de gesteldheid - Letterlijk: de ziel. van de vreemdeling, omdat u zelf vreemdeling geweest bent in het land Egypte.

10U mag zes jaar uw land bezaaien, en de opbrengst ervan verzamelen,

11

23:11
Lev. 25:4,5
maar in het zevende jaar moet u het met rust laten en het braak laten liggen, zodat de armen onder uw volk kunnen eten; en het overschot ervan kunnen de dieren van het veld eten. U moet hetzelfde doen met uw wijngaard en met uw olijfbomen.

12

23:12
Ex. 20:8
31:13,14
Zes dagen moet u uw werk doen, maar op de zevende dag moet u rusten, zodat uw rund en uw ezel kunnen rusten, en de zoon van uw slavin en de vreemdeling op adem kunnen komen.

13Bij alles wat Ik tegen u gezegd heb, moet u op uw hoede zijn. U mag niet aan

23:13
Num. 32:38
Joz. 23:7
Ps. 16:4
Hos. 2:16
Zach. 13:2
de naam van andere goden denken, die mag niet uit uw mond gehoord worden!

De drie grote feesten

14Driemaal per jaar moet u voor Mij een feest vieren.

15

23:15
Ex. 12:14,15
13:3
Het Feest van de ongezuurde broden moet u in acht nemen. Zeven dagen lang moet u ongezuurde broden eten, zoals Ik u geboden heb, op de vastgestelde tijd in de maand Abib, want in die maand bent u uit Egypte vertrokken.
23:15
Ex. 34:20
Deut. 16:16
Maar men mag niet met lege handen voor Mijn aangezicht verschijnen.

16Ook het Feest van de oogst, van de eerste vruchten van uw werk, van wat u op de akker gezaaid hebt. En het Feest van de inzameling, aan het einde van het jaar, wanneer u de vruchten van uw werk van het veld ingezameld hebt.

17Drie keer per jaar moet alles wat mannelijk onder u is, voor het aangezicht van de Heere HEERE verschijnen.

18U mag het bloed van Mijn offer niet offeren met iets dat gezuurd is, en het vet van Mijn feestoffer mag niet tot de volgende morgen overblijven.

19

23:19
Ex. 34:26
De eerstelingen van de eerste vruchten van uw land moet u in het huis van de HEERE, uw God, brengen.
23:19
Ex. 34:26
U mag een bokje niet koken in de melk van zijn moeder.

De leiding van God

20

23:20
Ex. 33:2
Zie, Ik zend een Engel voor u uit om over u te waken op de weg en u te brengen naar de plaats die Ik gereedgemaakt heb.

21Wees op uw hoede voor Zijn aangezicht en luister naar Zijn stem. Verbitter Hem niet, want Hij zal uw overtredingen niet vergeven, omdat Mijn Naam in het binnenste van Hem is.

22Maar als u aandachtig naar Zijn stem luistert en alles doet wat Ik spreken zal,

23:22
Gen. 12:3
zal Ik de vijand van uw vijanden zijn en de tegenstander van hen die u in het nauw brengen.

23Mijn Engel zal namelijk vóór u uit gaan en u brengen bij de Amorieten en de Hethieten en de Ferezieten en de Kanaänieten en de Hevieten en de Jebusieten, en Ik zal hen uitroeien.

24U mag zich voor hun goden niet neerbuigen en ze niet dienen. U mag niet doen

23:24
Lev. 18:3
overeenkomstig hun werken. Voorzeker, u moet ze volledig omverhalen en hun gewijde stenen helemaal in stukken slaan.

25U moet de HEERE, uw God, dienen.

23:25
Ex. 15:26
Deut. 7:15
Dan zal Hij uw brood en uw water zegenen. Ik zal ziekte uit uw midden doen wijken.

26

23:26
Deut. 7:14
Geen vrouw in uw land zal een miskraam hebben of onvruchtbaar zijn. Ik zal het aantal van uw dagen vol maken.

27

23:27
Ex. 14:24
Joz. 10:10
De schrik voor Mij zal Ik vóór u uit zenden, en al de volken waaronder u komt, zal Ik in verwarring brengen. En Ik zal al uw vijanden voor u op de vlucht doen slaan.23:27 En Ik … doen slaan - Letterlijk: En Ik zal al uw vijanden naar u de nek geven.

28

23:28
Deut. 7:20
Joz. 24:12
Ik zal ook horzels vóór u uit zenden; die zullen de Hevieten, de Kanaänieten en de Hethieten vóór u uit verdrijven.

29Ik zal hen niet in één jaar vóór u uit verdrijven, anders wordt het land een woestenij en worden de wilde dieren van het veld u te talrijk.

30Ik zal hen geleidelijk vóór u uit verdrijven, totdat u zo in aantal toegenomen bent dat u het land in erfbezit kunt nemen.

31

23:31
Num. 34:3,4
Ik zal uw grenzen vaststellen, van de Schelfzee tot aan de zee van de Filistijnen, en van de woestijn tot aan de rivier, want Ik zal de bewoners van het land in uw hand geven, zodat u hen vóór u uit kunt verdrijven.

32

23:32
Ex. 34:12,15
Deut. 7:2
U mag met hen en met hun goden geen verbond sluiten.

33

23:33
Joz. 23:13
Richt. 2:3
Zij mogen niet in uw land blijven wonen, anders zullen zij u doen zondigen tegen Mij. Als u hun goden dient, voorzeker, het zal voor u tot een valstrik worden.

24

De verbondssluiting

241Daarna zei Hij tegen Mozes: Klim naar boven, naar de HEERE toe, u en Aäron, Nadab en Abihu, en zeventig van de oudsten van Israël, en buig u op een afstand neer.

2Alleen Mozes mag tot de HEERE naderen. Zíj mogen echter niet naderbij komen, en ook het volk mag niet met hem naar boven klimmen.

3Mozes kwam terug en vertelde al de woorden van de HEERE en al de bepalingen aan het volk.

24:3
Ex. 19:8
24:7
Deut. 5:27
Toen antwoordde heel het volk eenstemmig en zij zeiden: Al de woorden die de HEERE gesproken heeft, zullen wij doen.

4Vervolgens schreef Mozes al de woorden van de HEERE op. Hij stond 's morgens vroeg op en bouwde onder aan de berg een altaar en richtte twaalf gedenkstenen op voor de twaalf stammen van Israël.

5En hij stuurde de jonge mannen van de Israëlieten erop uit. Die brachten brandoffers en brachten dankoffers voor de HEERE, te weten jonge stieren.

6Mozes nam de helft van het bloed en deed dat in de schalen, en de helft van het bloed sprenkelde hij op het altaar.

7Hij nam het boek van het verbond en las dit ten aanhoren van het volk voor. En zij zeiden: Alles wat de HEERE gesproken heeft, zullen wij doen en Hem gehoorzamen.

8Toen nam Mozes het bloed, sprenkelde het op het volk en zei:

24:8
Hebr. 9:20
1 Petr. 1:2
Zie, dit is het bloed van het verbond dat de HEERE met u gesloten heeft op grond van al die woorden.

9Vervolgens klommen Mozes en Aäron naar boven, en ook Nadab en Abihu met zeventig van de oudsten van Israël.

10En zij zagen de God van Israël. Onder Zijn voeten was er iets als plaveisel van saffier, zo helder als de hemel zelf.

11Hij strekte Zijn hand niet uit naar de aanzienlijken van de Israëlieten. Nadat zij God gezien hadden, aten en dronken zij.

12De HEERE zei tegen Mozes: Klim naar boven, naar Mij toe, de berg op, en blijf daar. Dan zal Ik u de stenen tafelen geven, de wet en de geboden, die Ik opgeschreven heb om hun te onderwijzen.

13Toen stond Mozes op, met zijn dienaar Jozua, en Mozes klom naar boven, de berg van God op.

14Hij zei tegen de oudsten: Blijf hier op ons wachten, totdat wij bij u terugkomen. En zie, Aäron en Hur blijven bij u. Wie bepaalde zaken heeft,24:14 Wie bepaalde zaken heeft - Letterlijk: Wie meester van woorden is. moet naar hen toe gaan.

15Toen Mozes de berg opklom, bedekte de wolk de berg.

16De heerlijkheid van de HEERE bleef op de berg Sinaï rusten, en de wolk bedekte hem zes dagen lang. Op de zevende dag riep Hij Mozes, vanuit het midden van de wolk.

17

24:17
Hebr. 12:29
De aanblik van de heerlijkheid van de HEERE op de top van de berg was in de ogen van de Israëlieten als een verterend vuur.

18Mozes ging de wolk binnen en klom de berg verder op. En Mozes was veertig dagen en veertig nachten op de berg.