Herziene Statenvertaling (HSV)
17

Water uit de rots bij de Horeb

171Daarna brak heel de gemeenschap van de Israëlieten uit de woestijn Sin op en trok van rustplaats tot rustplaats,17:1 van rustplaats tot rustplaats - Letterlijk: naar hun rustplaatsen. op bevel van de HEERE, en zij sloegen hun kamp op in Rafidim. Daar was echter geen water voor het volk om te drinken.

2En het volk kreeg onenigheid met Mozes en zei: Geeft u ons water, zodat wij kunnen drinken!

17:2
Num. 20:3,4
Mozes zei tegen hen: Waarom hebt u onenigheid met mij? Waarom stelt u de HEERE op de proef?

3Het volk smachtte daar naar water en het volk morde tegen Mozes en het zei: Waarom hebt u ons toch uit Egypte laten vertrekken? Om mij, mijn kinderen en mijn vee van dorst te laten omkomen?

4Toen riep Mozes tot de HEERE: Wat moet ik met dit volk doen? Het scheelt niet veel of zij zullen mij stenigen.

5De HEERE zei tegen Mozes: Trek vóór het volk uit, en neem enkelen van de oudsten van Israël met u mee. Neem uw staf,

17:5
Ex. 7:20
waarmee u de Nijl sloeg, in uw hand en ga op weg.

6

17:6
Num. 20:9
Ps. 78:15
114:8
1 Kor. 10:4
Zie, Ik zal daar vóór u op de rots bij de Horeb staan. Dan moet u op de rots slaan, en er zal water uitkomen, zodat het volk kan drinken. En Mozes deed dit voor de ogen van de oudsten van Israël.

7Hij gaf die plaats de naam Massa en Meriba,17:7 Massa betekent: verzoeking; Meriba betekent: onenigheid. vanwege de onenigheid van de Israëlieten en omdat zij de HEERE op de proef gesteld hadden door te zeggen: Is de HEERE nu in ons midden of niet?

Israël verslaat de Amalekieten

8

17:8
Deut. 25:17,18
Toen kwam Amalek en bond de strijd aan met Israël in Rafidim.

9Mozes zei tegen Jozua: Kies mannen voor ons uit en trek op, bind de strijd aan met Amalek. Morgen zal ik op de top van de heuvel staan met de staf van God in mijn hand.

10Jozua deed zoals Mozes tegen hem gezegd had door de strijd aan te binden met Amalek. Mozes, Aäron en Hur klommen echter op de top van de heuvel.

11En het gebeurde, als Mozes zijn hand ophief, dat Israël de overhand had, maar als hij zijn hand neerliet, dat Amalek de overhand had.

12De handen van Mozes werden echter zwaar; daarom namen zij een steen en legden die onder hem, zodat hij erop kon gaan zitten. Aäron en Hur ondersteunden zijn handen, de een aan de ene en de ander aan de andere kant. Zo bleven zijn handen onbeweeglijk, totdat de zon onderging.

13Zo overwon Jozua Amalek en zijn volk met de scherpte van het zwaard.

14Toen zei de HEERE tegen Mozes: Schrijf dit ter gedachtenis in een boek en prent het Jozua in17:14 prent het Jozua in - Letterlijk: leg het in de oren van Jozua.

17:14
Num. 24:20
Deut. 25:17,18,19
1 Sam. 15:2,3
dat Ik de herinnering aan Amalek van onder de hemel geheel zal uitwissen.

15En Mozes bouwde een altaar en gaf het de naam: De HEERE is mijn Banier!

16Hij zei: Voorzeker, de hand op de troon van de HEERE!

17:16
1 Sam. 15:2
De strijd van de HEERE zal tegen Amalek zijn, van generatie op generatie!

18

Jethro bij Mozes

181

18:1
Ex. 2:16
3:1
Toen Jethro, de priester van Midian, de schoonvader van Mozes, alles hoorde wat God voor Mozes en Zijn volk Israël gedaan had, namelijk dat de HEERE Israël uit Egypte geleid had,

2nam Jethro, de schoonvader van Mozes, Zippora, de vrouw van Mozes (nadat deze haar teruggestuurd had),

3met haar twee zonen, van wie

18:3
Ex. 2:22
de naam van de één Gersom was, want, had hij gezegd, ik ben een vreemdeling geweest in een vreemd land.

4En de naam van de ander was Eliëzer, want, had hij gezegd, de God van mijn vader is mij tot hulp geweest en heeft mij gered van het zwaard van de farao.

5Toen Jethro, de schoonvader van Mozes, met diens zonen en diens vrouw bij Mozes in de woestijn kwam, bij de berg van God, waar Mozes zijn kamp had opgeslagen,

6liet hij tegen Mozes zeggen: Ik, je schoonvader Jethro, kom naar je toe met je vrouw en met haar beide zonen die bij haar zijn.

7Toen ging Mozes naar buiten, zijn schoonvader tegemoet. Hij boog zich en kuste hem. En zij vroegen naar elkaars welstand en gingen de tent binnen.

8Mozes vertelde zijn schoonvader alles wat de HEERE ter wille van Israël met de farao en de Egyptenaren gedaan had, al de moeite die hun onderweg getroffen had, en hoe de HEERE hen gered had.

9Jethro verheugde zich over al het goede dat de HEERE aan Israël gedaan had, dat Hij het gered had uit de hand van de Egyptenaren.

10En Jethro zei: Geloofd zij de HEERE, Die jullie gered heeft uit de hand van de Egyptenaren en uit de hand van de farao, Die dit volk van onder de hand van de Egyptenaren gered heeft!

11Nu weet ik dat de HEERE groter is dan alle goden,

18:11
Ex. 1:10,16,22
5:7
14:18
want in de zaak waarin zij overmoedig handelden, stond Hij boven hen.

12Toen nam Jethro, de schoonvader van Mozes, voor God een brandoffer en slachtoffers, en Aäron en al de oudsten van Israël kwamen erbij om voor het aangezicht van God de maaltijd te gebruiken18:12 de maaltijd te gebruiken - Letterlijk: brood te eten. met de schoonvader van Mozes.

Leiders over het volk

13Het gebeurde dan de volgende dag dat Mozes zitting hield om recht te spreken over het volk. Het volk stond voor Mozes, van de morgen tot de avond.

14Toen de schoonvader van Mozes zag wat hij allemaal voor het volk deed, zei hij: Wat betekent dit wat je voor het volk doet? Waarom houd je alléén zitting, terwijl heel het volk van de morgen tot de avond tegenover je staat?

15Toen zei Mozes tegen zijn schoonvader: Omdat het volk naar mij toe komt om God te raadplegen.

16Wanneer zij een zaak hebben, komt men daarmee naar mij en oordeel ik tussen de een en de ander. Ik maak hun de verordeningen van God en Zijn wetten bekend.

17Maar de schoonvader van Mozes zei tegen hem: Wat je doet, is niet goed.

18Je zult er zeker aan bezwijken, zowel jij als dit volk dat bij je is, want dit is te zwaar voor je. Je kunt dit niet alleen doen.

19Luister nu naar mijn stem. Ik zal je raad geven en God zal met je zijn. Jíj moet het volk bij God vertegenwoordigen18:19 Jíj … vertegenwoordigen - Letterlijk: Wees jij voor het volk tegenover God. en jíj moet de zaken voor God brengen.

20Je moet hun de verordeningen en de wetten voorhouden en hun de weg bekendmaken waarop zij moeten gaan en het werk dat zij moeten doen.

21Jij echter, jij moet daarnaast onder heel het volk omkijken naar bekwame mannen,18:21 bekwame mannen - Letterlijk: mannen van vermogen; zie ook vers 25. godvrezende, betrouwbare mannen, die een afkeer hebben van winstbejag. Je moet leiders over duizend, leiders over honderd, leiders over vijftig en leiders over tien over hen aanstellen.

22Zij moeten altijd over dit volk oordelen. Maar laat het zo zijn dat zij elke grote zaak bij jou brengen, en zelf over elke kleine zaak oordelen. Maak het zo voor jezelf lichter en laat hen die last samen met je dragen.

23Als je dit doet en God het je gebiedt, dan zul je staande kunnen blijven en zal dit hele volk ook in vrede naar zijn woonplaats gaan.

24

18:24
Deut. 1:9
Mozes luisterde naar de stem van zijn schoonvader en deed alles wat hij gezegd had.

25Mozes koos daarom uit heel Israël bekwame mannen en stelde hen aan als hoofd over het volk: leiders over duizend, leiders over honderd, leiders over vijftig en leiders over tien.

26Zij oordeelden altijd over het volk. De moeilijke zaken brachten zij bij Mozes, maar over elke kleine zaak oordeelden zij zelf.

27Toen liet Mozes zijn schoonvader gaan, en deze ging terug naar zijn land.

19

Mozes op de berg Sinaï

191In de derde maand, op dezelfde dag dat de Israëlieten uit het land Egypte waren vertrokken, kwamen zij in de woestijn Sinaï.

2Zij braken op vanuit Rafidim, kwamen in de woestijn Sinaï en sloegen hun kamp op in de woestijn. Israël sloeg daar zijn kamp op tegenover de berg.

3

19:3
Hand. 7:38
Toen klom Mozes omhoog, naar God. De HEERE riep tot hem vanaf de berg: Zo moet u tegen het huis van Jakob zeggen en de Israëlieten verkondigen:

4

19:4
Deut. 29:2
32:11
U hebt zelf gezien wat Ik met de Egyptenaren gedaan heb en hoe Ik u op arendsvleugels gedragen en u bij Mij gebracht heb.

5Nu dan, als u nauwgezet Mijn stem gehoorzaamt en Mijn verbond in acht neemt,

19:5
Deut. 7:6
10:14,15
14:2
26:18
Ps. 135:4
Jes. 41:8
Tit. 2:14
dan zult u uit alle volken Mijn persoonlijk eigendom zijn, want
19:5
Ps. 24:1
heel de aarde is van Mij.

6

19:6
1 Petr. 2:9
U dan, u zult voor Mij een koninkrijk van priesters en een heilig volk zijn. Dit zijn de woorden die u tot de Israëlieten moet spreken.

7Mozes kwam terug en riep de oudsten van het volk, en hield hun al deze woorden voor, die de HEERE hem geboden had.

8Toen antwoordde heel het volk gezamenlijk en zei:

19:8
Ex. 24:3
Alles wat de HEERE gesproken heeft, zullen wij doen! En Mozes bracht de woorden van het volk weer over aan de HEERE.

9En de HEERE zei tegen Mozes: Zie, Ik kom naar u toe in een dichte wolk, opdat het volk het kan horen wanneer Ik met u spreek en opdat zij ook voor eeuwig in u geloven. En Mozes maakte de woorden van het volk aan de HEERE bekend.

10En de HEERE zei tegen Mozes: Ga naar het volk toe, en heilig hen vandaag en morgen, en laten zij hun kleren wassen

11en over drie dagen gereed zijn. Op de derde dag zal de HEERE namelijk voor de ogen van heel het volk neerdalen op de berg Sinaï.

12U moet voor het volk een grens stellen rondom de berg door te zeggen:

19:12
Hebr. 12:18
Wees op uw hoede dat u de berg niet beklimt of ook maar de voet ervan aanraakt. Ieder die de berg aanraakt, zal zeker gedood worden.

13Geen hand mag hem aanraken, want hij zal zeker gestenigd of met pijlen doorschoten worden. Of het nu een dier of een mens is, hij mag niet blijven leven. Pas als de ramshoorn een langgerekte toon laat horen, mogen zíj de berg beklimmen.

14Toen daalde Mozes van de berg af naar het volk, en hij liet het volk zich heiligen, en zij wasten hun kleren.

15Hij zei tegen het volk: Wees over drie dagen gereed

19:15
1 Sam. 21:4
1 Kor. 7:5
en nader niet tot een vrouw.

16En het gebeurde op de derde dag, toen het morgen werd,

19:16
Hebr. 12:18
dat er op de berg donderslagen, bliksemflitsen en een zware wolk waren, en zeer sterk bazuingeschal, zodat al het volk dat in het kamp was, beefde.

17Mozes leidde het volk uit het kamp, God tegemoet.

19:17
Deut. 4:10,11
Zij stonden onder aan de berg.

18

19:18
Richt. 5:4
Ps. 68:9
114:4
Hab. 3:10
De berg Sinaï was geheel in rook gehuld, omdat de HEERE er in vuur neerdaalde. De rook ervan steeg omhoog als de rook van een oven, en heel de berg beefde hevig.

19Het bazuingeschal werd gaandeweg zeer sterk. Mozes sprak en God antwoordde hem met een stem.

20Toen daalde de HEERE neer op de berg Sinaï, op de top van de berg. De HEERE riep Mozes naar de top van de berg en Mozes klom naar boven.

21De HEERE zei tegen Mozes: Ga naar beneden, waarschuw het volk! Anders zullen zij doordringen tot de HEERE om Hem te zien en zullen velen van hen vallen.

22Ook de priesters, die tot de HEERE naderen, moeten zich heiligen; anders zal de toorn van de HEERE over hen losbarsten.

23Toen zei Mozes tegen de HEERE: Het volk kan de berg Sinaï niet beklimmen, want U hebt ons Zelf gewaarschuwd door te zeggen: Grens de berg af en heilig hem.

24De HEERE zei tegen hem: Ga, daal af, en daarna moet u naar boven klimmen, u met Aäron bij u, maar laat de priesters en het volk niet doordringen om naar de HEERE op te klimmen, anders zal Zijn toorn over hen losbarsten.

25Toen daalde Mozes af naar het volk en hij zei dit tegen hen.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]