Herziene Statenvertaling (HSV)
14

Door de Schelfzee

141Toen sprak de HEERE tot Mozes:

2Spreek tot de Israëlieten en zeg dat zij terugkeren en

14:2
Num. 33:7
hun kamp opslaan voor Pi-Hachiroth, tussen Migdol en de zee, voor Baäl-Zefon. Daartegenover moet u uw kamp opslaan, bij de zee.

3De farao zal dan van de Israëlieten zeggen: Zij zijn in het land verdwaald. De woestijn heeft hen ingesloten.

4

14:4
Ex. 4:21
10:20
En Ik zal het hart van de farao verharden, zodat hij hen achtervolgt. Dan zal Ik ten koste van de farao en ten koste van heel zijn leger geëerd worden, zodat de Egyptenaren zullen weten dat Ik de HEERE ben. En zo deden zij.

5Toen de koning van Egypte verteld werd dat het volk gevlucht was, keerde het hart van de farao en zijn dienaren zich tegen het volk, en zij zeiden: Hoe hebben we dit kunnen doen, dat wij Israël uit onze dienst hebben laten gaan?

6Hij spande zijn strijdwagen in en nam zijn volk met zich mee.

7Hij nam ook zeshonderd van de beste strijdwagens mee, ja, alle strijdwagens van Egypte, met op elk daarvan officieren.

8Want de HEERE verhardde het hart van de farao, de koning van Egypte, zodat hij de Israëlieten achtervolgde. Maar de Israëlieten waren door een opgeheven hand geleid.

9

14:9
Joz. 24:6
De Egyptenaren, met al de paarden en strijdwagens van de farao, en zijn ruiters, en zijn leger achtervolgden hen en haalden hen in waar zij hun kamp hadden opgeslagen, bij de zee, bij Pi-Hachiroth, voor Baäl-Zefon.

10Toen de farao dichtbij gekomen was, sloegen de Israëlieten hun ogen op, en zie, de Egyptenaren trokken achter hen aan. Toen werden de Israëlieten zeer bevreesd en riepen tot de HEERE,

11en zij zeiden tegen Mozes: Waren er in Egypte geen graven, dat u ons hebt meegenomen om in de woestijn te sterven? Hoe hebt u dit met ons kunnen doen door ons uit Egypte te leiden?

12

14:12
Ex. 6:8
Was dit niet wat wij in Egypte al tegen u zeiden: Laat ons met rust, laten wij de Egyptenaren maar dienen? Want het is beter voor ons de Egyptenaren te dienen dan in de woestijn te sterven.

13Maar Mozes zei tegen het volk: Wees niet bevreesd, houd stand, zie het heil van de HEERE dat Hij vandaag nog voor u zal bewerken! Want de Egyptenaren die u vandaag ziet, zult u tot in eeuwigheid niet meer terugzien.

14De HEERE zal voor u strijden, en ú moet stil zijn.

15Toen zei de HEERE tegen Mozes: Wat roept u tot Mij? Spreek tot de Israëlieten en zeg dat zij opbreken.

16En u, hef uw staf op, strek uw hand uit over de zee en splijt hem doormidden, zodat de Israëlieten door het midden van de zee op het droge kunnen gaan.

17En Ik, zie, Ik zal het hart van de Egyptenaren verharden, zodat zij achter hen aan gaan. Ik zal geëerd worden ten koste van de farao en ten koste van heel zijn leger, ten koste van zijn strijdwagens en ten koste van zijn ruiters.

18Dan zullen de Egyptenaren weten dat Ik de HEERE ben, als Ik geëerd zal worden ten koste van de farao, ten koste van zijn strijdwagens en ten koste van zijn ruiters.

19Toen verliet de Engel van God, Die vóór het leger van Israël uit ging, Zijn plaats en ging achter hen aan. Ook de wolkkolom verliet de plaats vóór hen en ging achter hen staan.

20Hij kwam tussen het leger van Egypte en het leger van Israël. De wolk was duisternis en tegelijk verlichtte hij de nacht. De een kon niet in de nabijheid van de ander komen, heel de nacht.

21Toen strekte Mozes zijn hand uit over de zee, en de HEERE liet de zee die hele nacht wegvloeien door een krachtige oostenwind.

14:21
Ps. 66:6
Hij maakte de zee droog,
14:21
Joz. 4:23
Ps. 78:13
106:9
114:3
en het water werd doormidden gespleten.

22

14:22
1 Kor. 10:1
Hebr. 11:29
Zo gingen de Israëlieten midden in de zee op het droge. Het water was voor hen aan hun rechter- en linkerhand een muur.

De ondergang van de Egyptenaren

23De Egyptenaren achtervolgden hen en kwamen hen achterna, met al de paarden van de farao, zijn strijdwagens en zijn ruiters, tot in het midden van de zee.

24Maar het gebeurde bij het aanbreken van de dag, dat de HEERE in de vuur- en wolkkolom neerzag op het leger van de Egyptenaren, en Hij bracht het leger van de Egyptenaren in verwarring.

25Hij liet de wielen van hun wagens wegzakken en liet ze met moeite vooruitkomen. Toen zeiden de Egyptenaren: Laten wij voor Israël vluchten, want de HEERE strijdt voor hen tegen de Egyptenaren.

26Toen zei de HEERE tegen Mozes: Strek uw hand uit over de zee, zodat het water terugkeert over de Egyptenaren, over hun strijdwagens en over hun ruiters.

27Mozes strekte zijn hand uit over de zee, en tegen het aanbreken van de morgen vloeide de zee terug naar zijn oorspronkelijke plaats, terwijl de Egyptenaren het water tegemoetvluchtten. Zo stortte de HEERE de Egyptenaren midden in de zee.

28

14:28
Ps. 78:53
106:11
Want toen het water terugvloeide, bedolf het de strijdwagens en de ruiters van het hele leger van de farao, die hen in de zee achternagekomen waren. Niet een van hen bleef er over.

29

14:29
Ps. 77:20
Maar de Israëlieten gingen op het droge, midden door de zee. Het water was voor hen een muur aan hun rechter- en linkerhand.

30Zo verloste de HEERE Israël op die dag uit de hand van de Egyptenaren. En Israël zag de Egyptenaren dood aan de oever van de zee liggen.

31Toen zag Israël de machtige hand die de HEERE tegen de Egyptenaren gekeerd had, en het volk vreesde de HEERE en geloofde in de HEERE en in Mozes, Zijn dienaar.

15

Lofzang van Mozes

151Toen zongen Mozes en de Israëlieten dit lied voor de HEERE. Zij zeiden:

15:1
Ps. 106:12
Ik zal zingen voor de HEERE,

want Hij is hoogverheven!

Het paard en zijn ruiter

heeft Hij in de zee geworpen.

2

15:2
Ps. 18:2
118:14
Jes. 12:2
De HEERE is mijn kracht en lied,

Hij is mij tot heil geweest.

Dit is mijn God, Hem verheerlijk ik;

de God van mijn vader, Hem roem ik.

3De HEERE is een Strijder,

HEERE is Zijn Naam.

4De wagens van de farao en zijn leger

heeft Hij in de zee geworpen.

De besten van zijn officieren

zijn verdronken in de Schelfzee.

5

15:5
Neh. 9:11
De watervloeden hebben hen bedolven,

zij zijn als een steen in de diepten gezonken.

6

15:6
Ps. 118:15,16
Uw rechterhand, HEERE,

was heerlijk in macht;

Uw rechterhand, HEERE,

verpletterde de vijand.

7In Uw grote majesteit wierp U terneer wie tegen U opstonden.

U zond Uw brandende toorn,

die hen als stoppels verteerde.

8

15:8
Jes. 63:12,13
Hab. 3:10
Door de adem van Uw neus

is het water opgehoopt,

de stromen stonden als een dam,

de watervloeden zijn gestold in het hart van de zee.

9De vijand zei:

Ik achtervolg hen, haal hen in,

deel de buit.

Mijn verlangen wordt aan hen vervuld,

ik trek mijn zwaard,

mijn hand roeit hen uit.

10

15:10
Ps. 74:13
106:11
Maar U hebt met Uw adem geblazen,

de zee heeft hen bedolven.

Zij zonken als lood

in machtige watermassa's.

11Wie is als U

onder de goden, HEERE?

Wie is als U,

verheerlijkt in heiligheid,

ontzagwekkend in lofzangen,

U Die wonderen doet?

12U strekte Uw rechterhand uit,

en de aarde verzwolg hen.

13U leidde in Uw goedertierenheid

dit volk, dat U verlost hebt.

U

15:13
Ps. 77:21
leidde hen zachtjes door Uw kracht

naar Uw heilige woning.

14De volken hebben het gehoord, zij sidderden,

angst heeft de inwoners van Filistea aangegrepen.

15

15:15
Deut. 2:4
Toen werden door schrik overmand

de stamhoofden van Edom.

De machthebbers van Moab

greep huivering aan.

Al de inwoners van Kanaän smolten weg van angst.

16

15:16
Deut. 2:25
11:25
Joz. 2:9
Op hen viel

verschrikking en angst.

Door de grootheid van Uw arm

verstomden zij als een steen,

terwijl Uw volk, HEERE, erdoorheen trok,

terwijl dit volk, dat U verworven hebt, erdoorheen trok.

17U zult hen brengen en hen planten

op de berg die Uw eigendom is,

Uw vaste woonplaats,

die U gemaakt hebt, HEERE,

het heiligdom, Heere,

dat Uw handen gesticht hebben.

18De HEERE zal regeren

voor eeuwig en altijd!

19Want het paard van de farao, met zijn strijdwagen en zijn ruiters, waren in de zee gekomen, en de HEERE had het water van de zee over hen terug doen vloeien. Maar de Israëlieten gingen op het droge, midden in de zee.

20Mirjam, de profetes, de zuster van Aäron,

15:20
1 Sam. 18:6
nam een tamboerijn in haar hand, en al de vrouwen gingen achter haar aan, met tamboerijnen en in reidans.

21Toen zong Mirjam hun ten antwoord:

Zing voor de HEERE,

want Hij is hoogverheven!

Het paard en zijn ruiter

heeft Hij in de zee geworpen.

Mara en Elim

22Hierna liet Mozes Israël vanaf de Schelfzee opbreken en zij vertrokken naar de woestijn Sur. Drie dagen gingen zij door de woestijn en vonden geen water.

23

15:23
Num. 33:8
Toen kwamen zij bij Mara. Zij konden echter het water uit Mara niet drinken, want het was bitter. Daarom gaf men het de naam Mara.15:23 Mara betekent: bitter.

24Toen morde het volk tegen Mozes, en zei: Wat moeten wij nu drinken?

25Hij riep tot de HEERE, en de HEERE wees hem een stuk hout. Dat wierp hij in het water. Toen werd het water zoet. Daar heeft Hij het volk een verordening en een bepaling gegeven, en daar heeft Hij het op de proef gesteld.

26Hij zei: Als u aandachtig luistert naar de stem van de HEERE, uw God, en doet wat juist is in Zijn ogen, als u Zijn geboden gehoorzaamt en al Zijn verordeningen in acht neemt, dan zal Ik geen enkele van de ziekten over u brengen die Ik over Egypte gebracht heb, want Ik ben de HEERE, uw Heelmeester.

27Toen kwamen zij bij Elim. Daar waren twaalf waterbronnen en zeventig palmbomen. Zij sloegen daar hun kamp op aan het water.

16

Kwartels en manna

161Zij braken op uit Elim en heel de gemeenschap van de Israëlieten kwam in de woestijn Sin, die tussen Elim en de Sinaï ligt. Dat was op de vijftiende dag van de tweede maand nadat zij uit het land Egypte waren vertrokken.

2En heel de gemeenschap van de Israëlieten morde tegen Mozes en tegen Aäron in de woestijn.

3

16:3
1 Kor. 10:10
De Israëlieten zeiden tegen hen:
16:3
Num. 11:4
Och, waren wij maar16:3 waren wij maar - Letterlijk: wie zal geven dat wij …? door de hand van de HEERE gestorven in het land Egypte, toen wij bij de vleespotten zaten en brood aten tot verzadiging toe! Want u hebt ons uitgeleid naar deze woestijn om heel deze gemeente van honger te laten sterven.

4Toen zei de HEERE tegen Mozes: Zie, Ik zal voor u

16:4
Ps. 78:24
105:40
brood uit de hemel laten regenen. Het volk moet eropuit gaan en de per dag benodigde hoeveelheid16:4 de per dag benodigde hoeveelheid - Letterlijk: de zaak van de dag op zijn dag. verzamelen, zodat Ik het op de proef kan stellen of het naar Mijn wet wandelt of niet.

5En op de zesde dag moet het zijn dat zij bereiden wat zij binnenbrengen, en dat zal het dubbele zijn van wat zij dagelijks verzamelen.

6Toen zeiden Mozes en Aäron tegen al de Israëlieten: Vanavond nog zult u weten dat de HEERE u uit het land Egypte geleid heeft,

7en morgenochtend zult u de heerlijkheid van de HEERE zien, want Hij heeft uw gemor tegen de HEERE gehoord. Want wie zijn wij, dat u tegen óns mort?

8Verder zei Mozes: Als de HEERE u in de avond vlees te eten geeft en in de ochtend brood tot verzadiging toe, dan is dat omdat de HEERE het gemor heeft gehoord waarmee u tegen Hem mort. Want wie zijn wij? Uw gemor is niet tegen ons gericht, maar tegen de HEERE.

9Daarna zei Mozes tegen Aäron: Zeg tegen heel de gemeenschap van de Israëlieten: Kom naar voren, voor het aangezicht van de HEERE, want Hij heeft uw gemor gehoord.

10Terwijl Aäron tot heel de gemeenschap van de Israëlieten sprak en zij zich naar de woestijn keerden, gebeurde het dat,

16:10
Ex. 13:21
zie, de heerlijkheid van de HEERE in de wolk verscheen.

11En de HEERE sprak tot Mozes:

12Ik heb het gemor van de Israëlieten gehoord. Spreek tot hen en zeg: Tegen het vallen van de avond16:12 tegen … avond - Letterlijk: tussen twee avonden. zult u vlees eten, en in de morgen zult u

16:12
Joh. 6:49,58
met brood verzadigd worden. Dan zult u erkennen dat Ik de HEERE, uw God, ben.

13En tegen de avond gebeurde het

16:13
Num. 11:31
Ps. 105:40
dat er kwartels kwamen aanvliegen, die het kamp overdekten, en in de ochtend was er een laag dauw rondom het kamp.

14

16:14
Num. 11:7
Neh. 9:15
Ps. 78:24
105:40
Toen de laag dauw opgetrokken was, zie, over de woestijn lag iets fijns, iets vlokkigs, fijn als de rijp op de aarde.

15Toen de Israëlieten dat zagen, zeiden zij tegen elkaar:

16:15
Joh. 6:31
1 Kor. 10:3
Wat is dat? Want zij wisten niet wat het was. Mozes zei tegen hen: Dit is het brood dat de HEERE u te eten gegeven heeft.

16Dit is het woord dat de HEERE geboden heeft: Ieder moet ervan verzamelen naar wat hij eten kan, een gomer16:16 Een gomer is vermoedelijk tussen de 2 en 4,5 liter. per hoofd, naar het aantal van uw personen. Ieder moet het nemen voor hen die in zijn tent zijn.

17En zo deden de Israëlieten, zij verzamelden, de een veel en de ander weinig.

18Zij maten het met de gomer.

16:18
2 Kor. 8:15
Wie veel had verzameld, had niets over, en hem die weinig had verzameld, ontbrak niets. Ieder had zó veel verzameld als hij eten kon.

19En Mozes zei tegen hen: Niemand mag ervan overlaten tot de volgende morgen.

20Maar zij luisterden niet naar Mozes en sommige mannen lieten ervan over tot de volgende morgen. Toen zat het vol wormen en stonk het. Daarom was Mozes erg kwaad op hen.

21Zo verzamelden zij het elke morgen, ieder naar wat hij eten kon, want zodra de zon heet werd, smolt het weg.

22Op de zesde dag gebeurde het dat zij een dubbele hoeveelheid brood verzamelden, twee gomers voor één persoon. Al de leiders van de gemeenschap kwamen dat aan Mozes vertellen.

23Hij zei toen tegen hen: Dat is het wat de HEERE gesproken heeft. Morgen is het de rustdag, de heilige sabbat voor de HEERE! Wat u bakken wilt, bak het, en kook wat u koken wilt, en laat alles wat er overblijft voor uzelf liggen om het tot de volgende morgen te bewaren.

24Zij lieten het staan tot de volgende morgen, zoals Mozes geboden had, en nu stonk het niet en waren er geen maden in.

25Toen zei Mozes: Eet dit vandaag, want vandaag is het de sabbat voor de HEERE. U zult het vandaag buiten niet vinden.

26Zes dagen moet u het verzamelen, maar op de zevende dag is het sabbat. Dan zal het er niet zijn.

27Het gebeurde echter op de zevende dag dat sommigen van het volk eropuit gingen om brood te verzamelen, maar zij vonden niets.

28Toen zei de HEERE tegen Mozes: Hoelang weigert u nog Mijn geboden en Mijn wetten in acht te nemen?

29Zie, omdat de HEERE u de sabbat gegeven heeft, daarom geeft Hij u op de zesde dag brood voor twee dagen. Ieder moet op zijn plaats blijven! Niemand mag er op de zevende dag vanuit zijn verblijfplaats opuit gaan!

30Zo rustte het volk op de zevende dag.

31

16:31
Num. 11:7
Het huis van Israël gaf het de naam manna.16:31 Manna klinkt als de Hebreeuwse uitdrukking voor ‘wat is dat?’ Het was wit als korianderzaad, en de smaak ervan was als van een honingkoek.

32Verder zei Mozes: Dit is het woord dat de HEERE geboden heeft. Vul een gomer ervan om het te bewaren, al hun generaties door, zodat zij het brood zien dat Ik u in deze woestijn te eten heb gegeven, toen Ik u uit het land Egypte leidde.

33Ook zei Mozes tegen Aäron:

16:33
Hebr. 9:4
Neem een kruik en doe daar een volle gomer manna in, en zet die voor het aangezicht van de HEERE om het te bewaren, al hun generaties door.

34Zoals de HEERE Mozes geboden had, zette Aäron het vóór de getuigenis om te bewaren.

35De Israëlieten aten veertig jaar lang het manna,

16:35
Joz. 5:12
Neh. 9:15
totdat zij in bewoond gebied kwamen. Zij aten manna, totdat zij aan de grens van het land Kanaän kwamen.

36Een gomer is een tiende van een efa.16:36 Een efa is een korenmaat van vermoedelijk tussen de 20 en 45 liter.