Herziene Statenvertaling (HSV)
1

Israël in Egypte verdrukt

11Dit nu zijn de namen van de zonen van Israël,

1:1
Gen. 46:8
Ex. 6:13
die met Jakob naar Egypte waren gekomen. Ieder kwam er met zijn gezin:

2Ruben, Simeon, Levi en Juda;

3Issaschar, Zebulon en Benjamin;

4Dan, Naftali, Gad en Aser.

5

1:5
Gen. 46:27
Deut. 10:22
Hand. 7:14
Alle zielen die van Jakob afstamden,1:5 die van Jakob afstamden - Letterlijk: die uit Jakobs heup waren gekomen. waren zeventig zielen; Jozef was echter al in Egypte.

6

1:6
Gen. 50:26
Toen Jozef gestorven was, en ook al zijn broers, en heel die generatie,

7werden de Israëlieten vruchtbaar en

1:7
Deut. 26:5
Hand. 7:17
breidden zij zich overvloedig uit. Ze werden talrijk en uitermate machtig, zodat het land vol van hen werd.

8

1:8
Hand. 7:18
Toen trad er in Egypte een nieuwe koning aan, die Jozef niet gekend had.

9Hij zei tegen zijn volk: Zie, het volk van de Israëlieten is talrijker en machtiger dan wij.

10

1:10
Hand. 7:19
Kom, laten wij er verstandig tegen optreden, anders zal het talrijk worden en, mocht het zijn dat er een oorlog uitbreekt, dan zal het zich ook bij onze vijanden aansluiten, tegen ons strijden en uit het land wegtrekken.

11En zij stelden daarom opzichters van herendiensten over het volk aan om het door zijn dwangarbeid te onderdrukken. Het bouwde voor de farao voorraadsteden: Pitom en Raämses.

12

1:12
Ps. 105:24
Hoe meer zij het echter onderdrukten, hoe talrijker het werd en hoe meer het zich uitbreidde, zodat zij in angst verkeerden vanwege de Israëlieten.

13De Egyptenaren lieten de Israëlieten met harde hand voor zich werken.

14Zij maakten het leven bitter voor hen door hen zwaar werk te laten verrichten met leem en bakstenen, en door allerlei werk op het veld: al hun werk, waarmee zij hen moesten dienen, met harde hand.

15Bovendien zei de koning van Egypte tegen de vroedvrouwen van de Hebreeuwse vrouwen, van wie de naam van de een Sifra was en de naam van de ander Pua,

16hij zei: Als u de Hebreeuwse vrouwen bij het bevallen helpt en u let op de stenen baarstoel,1:16 de stenen baarstoel - Letterlijk: de twee stenen. dan moet u, als het een zoon is, hem doden, maar als het een dochter is, mag zij blijven leven.

17De vroedvrouwen vreesden echter God en deden niet wat de koning van Egypte tot hen gesproken had, maar lieten de jongetjes in leven.

18Toen riep de koning van Egypte de vroedvrouwen bij zich en zei tegen hen: Waarom hebt u dit gedaan, dat u de jongetjes in leven laat?

19De vroedvrouwen zeiden tegen de farao: Omdat de Hebreeuwse vrouwen niet zijn zoals de Egyptische vrouwen, want zij zijn sterk. Zij hebben al gebaard, voordat er een vroedvrouw bij hen is aangekomen.

20Daarom deed God aan de vroedvrouwen goed, en het volk werd talrijk en zeer machtig.

21En het gebeurde, omdat de vroedvrouwen God vreesden, dat Hij aan hen nakomelingen schonk.1:21 dat Hij aan hen nakomelingen schonk - Letterlijk: dat Hij voor hen huizen maakte.

22

1:22
Hand. 7:19
Toen gebood de farao heel zijn volk: Al de zonen die geboren worden, moet u in de Nijl werpen, maar al de dochters mag u in leven laten.

2

De geboorte van Mozes

21

2:1
Ex. 6:19
Num. 26:59
Een man uit het geslacht van Levi ging en nam een dochter van Levi tot vrouw.

2

2:2
1 Kron. 23:13
Hand. 7:20
De vrouw werd zwanger en baarde een zoon.
2:2
Hebr. 11:23
Toen zij hem zag, dat hij mooi was, verborg zij hem drie maanden.

3Maar toen zij hem niet langer kon verbergen, nam zij voor hem een mandje van biezen en bestreek het met asfalt en pek. Zij legde het kind daarin en zette het tussen het riet aan de oever van de Nijl.

4En zijn zuster ging op een afstand staan om te weten te komen wat er met hem gedaan zou worden.

5Toen daalde de dochter van de farao af om zich te wassen in de Nijl. Terwijl haar dienaressen langs de kant van de Nijl liepen,

2:5
Hand. 7:21
Hebr. 11:23
zag zij het mandje midden in het riet. Zij stuurde haar slavin om het te halen.

6Toen zij het opendeed, zag zij hem, het kind. En zie, het jongetje huilde. Zij kreeg medelijden met hem en zei: Dit is een van de Hebreeuwse kinderen.

7Toen zei zijn zuster tegen de dochter van de farao: Zal ik voor u een voedster uit de Hebreeuwse vrouwen gaan roepen, die dat kindje voor u de borst kan geven?

8De dochter van de farao zei tegen haar: Ga maar. Toen ging het meisje de moeder van het kind roepen.

9En de dochter van de farao zei tegen haar: Neem dit kind mee en geef het voor mij de borst. Ikzelf zal u uw loon geven. De vrouw nam het jongetje mee en gaf het de borst.

10En toen het jongetje groot geworden was, bracht zij hem bij de dochter van de farao, en hij werd haar tot zoon. Zij gaf hem de naam Mozes.2:10 Mozes - De naam Mozes wordt hier in verband gebracht met een Hebreeuws werkwoord dat ‘trekken’ betekent. Want, zei ze, ik heb hem uit het water getrokken.

De vlucht van Mozes

11

2:11
Hand. 7:23
Hebr. 11:24,25
In die dagen, toen Mozes groot geworden was en naar zijn broeders vertrok en hun dwangarbeid aanzag, gebeurde het dat hij een Egyptische man zag, die een Hebreeuwse man sloeg, een van zijn broeders.

12Hij keek om zich heen,2:12 om zich heen - Letterlijk: zo en zo. en toen hij zag dat er niemand was, sloeg hij de Egyptenaar dood en verborg hij hem in het zand.

13En hij vertrok de volgende dag, en zie, twee Hebreeuwse mannen waren aan het vechten. Hij zei tegen de schuldige: Waarom slaat u uw naaste?

14Maar die zei:

2:14
Hand. 7:27
Wie heeft u tot leider en rechter over ons aangesteld? Zegt u dit om mij te doden, zoals u die Egyptenaar gedood hebt? Toen werd Mozes bevreesd, en hij zei: Deze zaak is beslist bekend geworden.

15Toen nu de farao van deze zaak hoorde, wilde hij Mozes doden,

2:15
Hand. 7:29
maar Mozes vluchtte voor de farao en vestigde zich in het land Midian, en zat bij een put.

16De priester van Midian had zeven dochters. Zij kwamen om water te putten en vulden de drinkbakken om het kleinvee van hun vader te drinken te geven.

17Toen kwamen de herders en joegen hen weg, maar Mozes stond op, verloste hen en gaf hun kudde te drinken.

18Toen zij bij hun vader Rehuel kwamen, zei hij: Waarom zijn jullie vandaag zo snel teruggekomen?

19Zij zeiden: Een Egyptische man heeft ons gered uit de hand van de herders. Hij heeft ook overvloedig water voor ons geput en de kudde te drinken gegeven.

20Hij zei tegen zijn dochters: Waar is hij? Waarom hebben jullie die man daar achtergelaten? Roep hem om de maaltijd te komen gebruiken.2:20 de maaltijd te … gebruiken - Letterlijk: brood te … eten.

21Mozes stemde erin toe bij de man te blijven wonen. En hij gaf zijn dochter Zippora aan Mozes.

22

2:22
Ex. 18:2,3
Zij baarde een zoon, en hij noemde hem Gersom,2:22 Gersom betekent: een vreemdeling daar. want, zei hij, ik ben een vreemdeling geworden in een vreemd land.

23Het gebeurde vele dagen daarna, toen de koning van Egypte gestorven was, dat de Israëlieten zuchtten en het uitschreeuwden vanwege de slavenarbeid. En hun hulpgeroep vanwege de slavenarbeid steeg omhoog tot God.

24Toen hoorde God hun gekerm, en

2:24
Gen. 15:14
God dacht aan Zijn verbond met Abraham, met Izak en met Jakob.

25En God zag naar de Israëlieten om en ontfermde Zich over hen.2:25 ontfermde … hen - Letterlijk: kende hen.