Herziene Statenvertaling (HSV)
4

Het leven is vol kwelling en teleurstelling

41Opnieuw zag ik al de onderdrukking die er onder de zon plaatsvindt. En zie, de tranen van de onderdrukten; zij hadden echter geen trooster. Aan de kant van hun onderdrukkers was macht, zij daarentegen hadden geen trooster.

2Daarom prees ik de doden, die al gestorven waren, boven de levenden, omdat die nog steeds in leven zijn.

3Beter af dan die beiden is wie er nog nooit is geweest, die niet gezien heeft het kwaaddoen dat er onder de zon plaatsvindt.

4Verder zag ik van al het zwoegen en alle bekwaamheid bij het werk, dat het iemand afgunst oplevert van zijn naaste. Ook dat is vluchtig en najagen van wind.

5De

4:5
Spr. 6:10
24:33
dwaas vouwt zijn handen samen en eet zijn eigen vlees.

6Een hand vol rust is beter dan beide vuisten vol zwoegen en najagen van wind.

7Opnieuw zag ik iets vluchtigs onder de zon.

8Er is er één, en geen tweede. Hij heeft ook geen kind of broer en toch komt er geen einde aan al zijn zwoegen. Ook wordt zijn oog niet verzadigd van rijkdom. Nooit is het: Voor wie tob ik mij af en laat ik mijzelf het goede ontbreken? Ook dat is vluchtig en een treurige bezigheid.

9Twee zijn beter dan één, want samen krijgen zij een goede beloning voor hun zwoegen.

10Want als zij vallen, helpt de één zijn metgezel overeind. Maar wee die ene die valt, terwijl er geen tweede is om hem overeind te helpen.

11Ook als er twee bij elkaar liggen, hebben zij warmte, maar hoe moet één alleen warm worden?

12En als iemand de één overweldigt, zullen die twee tegen hem standhouden. Een drievoudig snoer wordt niet snel gebroken.

13Beter een arme maar wijze jongeman, dan een oude maar dwaze koning die van geen waarschuwing meer wil weten.

14Ja, iemand komt uit de gevangenis om koning te worden, terwijl iemand die in zijn koninkrijk is geboren, verarmt.

15Ik zag al de levenden onder de zon omgaan met de jongeman, de tweede, die voor hem in de plaats kwam.

16Er komt geen einde aan al het volk, aan allen die er vóór hen waren. Ook zullen zij die later komen, zich niet over hem verblijden. Ja, ook dat is vluchtig en najagen van wind.

Levenswijsheid

17Let op uw voeten

als u naar het huis van God gaat.

Het is beter dat men naderbij komt om te luisteren

dan om als dwazen een offer te geven,

want die weten niet dat zij kwaad doen.

5

51Wees niet te snel met uw mond,

en laat uw hart zich niet haasten

een woord te uiten voor het aangezicht van God.

Want God is in de hemel

en u bent op de aarde.

Laat daarom uw woorden weinig in aantal zijn.

2Want zoals de droom komt door veel bezigheid,

zo ook het gepraat van de dwaas door veelheid van woorden.

3

5:3
Num. 30:2
Deut. 23:21
Wanneer u aan God een gelofte doet,

stel dan niet uit die na te komen,

want Hij heeft geen welgevallen aan dwazen.

Kom na wat u belooft.

4

5:4
Deut. 23:21,22
Het is beter dat u niet belooft,

dan dat u belooft maar niet nakomt.

5Sta uw mond niet toe,

uw vlees te doen zondigen.

Zeg ook niet in de tegenwoordigheid van de engel:

dat was een vergissing.

Waarom zou God zeer toornig worden om wat u zegt,

en het werk van uw handen te gronde richten?

6Want zoals er

5:6
Spr. 10:19
in een veelheid aan dromen veel vluchtigs is,

zo is het ook met de veelheid van woorden.

Daarom: vrees God!

7Indien u onderdrukking van de arme en beroving van recht en gerechtigheid in het gewest ziet, wees dan over dat verschijnsel niet verbijsterd. Want een hooggeplaatste let op een andere hooggeplaatste, en nog hoger geplaatsten letten op hén.

8De opbrengst van het land is er voor iedereen. Ook een koning wordt gediend met de opbrengst van het veld.

9Wie het geld liefheeft, wordt van geld nooit verzadigd, en wie de overvloed liefheeft, niet van inkomsten. Ook dat is vluchtig.

10Waar het goed vermeerdert, vermeerderen zij die het opeten. Welk voordeel hebben dan de bezitters ervan, behalve dat hun ogen ernaar kunnen kijken?

11De slaap van de arbeider is zoet, of hij nu weinig of veel te eten heeft, maar de overvloed van een rijke houdt hem uit de slaap.

12Er is een ziekmakend kwaad dat ik zag onder de zon: rijkdom door zijn bezitters bewaard tot hun eigen kwaad.

13Vergaan echter die rijkdommen door boosaardige praktijken, en verwekt hij een zoon, dan heeft die totaal niets in zijn hand.

14Zoals hij voortgekomen is uit de buik van zijn moeder, zal hij naakt terugkeren om te gaan zoals hij kwam.

5:14
Ps. 49:18
Hij zal van zijn zwoegen niets meenemen wat hij met zijn hand kan dragen.

15Daarom is ook dit een ziekmakend kwaad: op geheel dezelfde wijze als hij gekomen is, gaat hij heen. Welk voordeel heeft hij, dat hij zwoegt voor de wind?

16Al zijn dagen eet hij ook in duisternis. Veel verdriet had hij, bovendien had hij zijn ziekte en ergernis.

17Zie, wat ik gezien heb:

5:17
Pred. 2:24
3:12,22
9:7
11:9
een goede zaak die voortreffelijk is, namelijk te eten en te drinken en het goede te genieten bij al zijn zwoegen waarmee hij zwoegt onder de zon tijdens het getal van zijn levensdagen, die God hem gegeven heeft,
5:17
Pred. 2:10
want dat is zijn deel.

18Ook elke mens aan wie God rijkdom en bezittingen geeft en toestaat om daarvan te eten en zijn deel ervan te nemen om zich in zijn zwoegen te verblijden, dat is een gave van God.

19Ja, hij zal niet veel meer denken aan zijn levensdagen, want God verhoort hem in de blijdschap van zijn hart.

6

Het genot van de rijkdom is onvolkomen

61Er is een kwaad dat ik gezien heb onder de zon, en het komt veel voor onder de mensen:

2een man, aan wie God rijkdom, bezittingen en eer geeft, heeft voor zichzelf geen gebrek aan al wat hij verlangt, maar God staat hem niet toe iets ervan te gebruiken. Iemand anders, een onbekende, verbruikt het. Dat is vluchtig. Een bittere kwelling is dat.

3Als iemand honderd kinderen verwekt

en vele jaren leeft,

zodat de dagen van zijn jaren vele zijn,

maar hij zichzelf niet verzadigt met het goede,

en er zelfs geen graf voor hem is,

dan is, zeg ik, een misgeboorte beter af dan hij.

4Want die komt tevergeefs ter wereld,

gaat heen in duisternis

en zijn naam wordt in de duisternis bedekt.

5

6:5
Job 3:16
Ps. 58:9
Ook heeft hij de zon niet gezien

of gekend:

hij heeft meer rust dan die man.

6Ja, al leefde hij tweemaal duizend jaar,

maar hij had het goede niet gezien –

gaan zij niet allen naar een en dezelfde plaats?

7Al het zwoegen van de mens is voor zijn mond

en toch wordt de begeerte niet vervuld.

8Wat heeft immers de wijze vóór op de dwaas?

Wat baat het de arme dat hij weet

met de levenden om te gaan?

9Beter is het zien van de ogen

dan het gaan in de weg van de begeerte.

Ook dat is vluchtig en najagen van wind.

10Wat iemand ook is, zijn naam is al genoemd. Het is bekend dat hij een mens is. Hij kan niet in het geding treden tegen Hem Die sterker is dan hij.

11Immers, hoe meer woorden er zijn, hoe meer vluchtigheid. Wat baat het de mens dan nog?

12Want wie weet wat goed is voor de mens in dit leven, tijdens het getal van de dagen van zijn vluchtige leven, die hij

6:12
Ps. 144:4
Jak. 4:13,14
als een schaduw doorbrengt?
6:12
Pred. 8:7
Wie zal de mens bekendmaken wat er na hem zal zijn onder de zon?

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]