Herziene Statenvertaling (HSV)
2

Vreugde en rijkdom brengen geen geluk

21Ik zei in mijn hart: Kom toch, ik zal u op de proef stellen met blijdschap, en

2:1
Luk. 12:19
zie daarom het goede aan. Maar zie, ook dat was vluchtig.

2Over het lachen zei ik: Dwaasheid, en over de blijdschap: Wat brengt die teweeg?

3Ik onderzocht mijn hart door mijn lichaam te verkwikken met wijn (mijn hart echter behield in wijsheid de leiding) en door dwaasheid aan te grijpen, totdat ik zou zien wat het beste is voor de mensenkinderen om onder de hemel te doen tijdens het getal van hun levensdagen.

4Ik heb voor mijzelf grootse dingen tot stand gebracht:

Ik bouwde mij huizen,

ik plantte mij wijngaarden.

5Ik legde mij tuinen en boomgaarden aan

en plantte daarin allerlei vruchtbomen.

6Ik legde mij waterbekkens aan

om daaruit een bos met jonge bomen te bevochtigen.

7Ik verwierf slaven en slavinnen

en de in huis geboren kinderen behoorden mij toe.

Ook had ik grote kudden runderen en kleinvee,

meer dan allen die vóór mij in Jeruzalem geweest zijn.

8Ik vergaarde mij ook zilver en goud,

kostbaarheden van koningen en gewesten.

Ik zorgde voor zangers en zangeressen,

en de genoegens van de mensenkinderen: genot in overvloed.2:8 genot in overvloed - De vertaling van deze woorden is onzeker.

9Ik werd groter en nam toe,

meer dan allen die vóór mij in Jeruzalem geweest zijn.

Ook bleef mijn wijsheid bij mij.

10Al wat mijn ogen verlangden,

onthield ik ze niet.

Ik ontzegde mijn hart

geen enkele blijdschap,

want mijn hart werd verblijd

vanwege al mijn zwoegen.

Dat was mijn deel voor al mijn zwoegen.

11Toen richtte ik mijn aandacht op al mijn werken, die mijn handen gemaakt hadden, en op het zwoegen waarmee ik had gezwoegd om ze tot stand te brengen. Zie, het was alles vluchtig en najagen van wind. Daarin was geen voordeel onder de zon.

12

2:12
Pred. 1:17
7:23
Daarna richtte ik mijn aandacht op het bezien van wijsheid, ook van onverstand en dwaasheid. Immers, hoe zal de mens die na de koning komt, doen wat al gedaan is?

13Toen zag ik dat de wijsheid voorkeur heeft boven de dwaasheid, evenals het licht voorkeur heeft boven de duisternis.

14De wijze heeft ogen in zijn hoofd, maar de dwaas wandelt in de duisternis. Toen merkte ik ook dat één lot hen allen treft.

15Toen zei ik in mijn hart: Zoals het lot van de dwaas ook mijzelf treft, waarom ben ik dan toen zo bovenmate wijs geweest? Ik sprak in mijn hart: Ook dat was vluchtig.

16Er is immers voor eeuwig niet meer herinnering aan een wijze dan aan een dwaas. Wat er nu is, wordt in de dagen die komen, allemaal vergeten. Hoe sterft de wijze met de dwaas?

17Daarom haatte ik het leven, want het werk dat plaatsvindt onder de zon, leek mij kwaad. Het is immers alles vluchtig en najagen van wind.

18Ik haatte ook al mijn zwoegen waarmee ik zwoegde onder de zon, zwoegen dat ik zou moeten overlaten aan de mens die er na mij zijn zal.

19Want wie weet of die wijs zal zijn of dwaas? Toch zal hij beschikken over al mijn zwoegen waarmee ik, zij het met wijsheid, heb gezwoegd onder de zon. Ook dat is vluchtig.

20Zo kwam ik ertoe mijn hart te doen wanhopen vanwege al het zwoegen waarmee ik had gezwoegd onder de zon.

21Want is er een mens wiens zwoegen met wijsheid, met kennis en met bekwaamheid geschiedt, hij moet die als zijn deel overgeven aan een mens die er niet voor gezwoegd heeft. Ook dat is vluchtig en een groot kwaad.

22Ja,

2:22
Pred. 1:3
3:9
wat heeft de mens aan al zijn zwoegen en aan wat zijn hart najaagt, waarvoor hij zwoegt onder de zon?

23Want al zijn dagen zijn vol leed, zijn bezigheid is verdriet. Zelfs in de nacht komt zijn hart niet tot rust. Ook dat is vluchtig.

24

2:24
Pred. 3:12,22
5:18
8:15
Is het dan niet goed voor de mens dat hij eet en drinkt en zichzelf in zijn zwoegen het goede laat genieten? Ook dit heb ik gezien: het komt uit de hand van God.

25– Wie eet en wie geniet er immers meer van dan ikzelf? –

26Want Hij geeft wijsheid, kennis en blijdschap aan de mens die goed is voor Zijn aangezicht. Aan de zondaar echter geeft Hij de bezigheid om te verzamelen en te vergaren,

2:26
Job 27:16,17
Spr. 28:8
Pred. 3:13
om het te geven aan wie goed is voor Gods aangezicht. Ook dat is vluchtig en najagen van wind.

3

Alles heeft zijn tijd en beloop

31Voor alles is er een vastgestelde tijd,

en er is een tijd voor elk voornemen onder de hemel.

2Er is een tijd om geboren te worden

en een tijd om te sterven;

een tijd om te planten

en een tijd om het geplante uit te trekken;

3een tijd om te doden

en een tijd om te genezen,

een tijd om af te breken

en een tijd om op te bouwen;

4een tijd om te huilen

en een tijd om te lachen,

een tijd om rouw te bedrijven

en een tijd om te huppelen;

5een tijd om stenen weg te werpen

en een tijd om stenen te verzamelen,

een tijd

3:5
1 Kor. 7:5
om te omhelzen

en een tijd om zich ver te houden van omhelzen;

6een tijd om te zoeken

en een tijd om verloren te laten gaan,

een tijd om te bewaren

en een tijd om weg te werpen;

7een tijd om stuk te scheuren

en een tijd om dicht te naaien,

een tijd om te zwijgen

en een tijd om te spreken;

8een tijd om lief te hebben

en een tijd om te haten,

een tijd van oorlog

en een tijd van vrede.

9Welk

3:9
Pred. 1:3
voordeel heeft hij die werkt, van datgene waarvoor hij zwoegt?

10Ik heb gezien welke bezigheid God de mensenkinderen gegeven heeft om zich daarmee te vermoeien.

11Hij heeft alles op zijn tijd mooi gemaakt. Ook heeft Hij de eeuw in hun hart gelegd, zonder dat de mens het werk dat God gedaan heeft, van het begin tot het eind kan doorgronden.

12Ik heb gemerkt dat er voor hen niets beter is dan zich te verblijden en het goede te doen in hun leven,

13ja ook, dat ieder mens eet en drinkt en het goede geniet van al zijn zwoegen. Dat is een gave van God.

14Ik weet dat alles wat God doet, voor eeuwig blijft; niets is eraan toe te voegen, niets ervan af te doen, en God doet het opdat men vreest voor Zijn aangezicht.

15Wat er is, was er al,

en wat er zijn zal, is er al geweest.

God zoekt wat voorbijgegaan is.

16Verder heb ik ook gezien onder de zon:

op de plaats van het recht,

daar was goddeloosheid,

en op de plaats van de gerechtigheid,

daar was onrecht.

17Ik zei in mijn hart:

De rechtvaardige en de goddeloze

zal God oordelen,

want er is een tijd voor elk voornemen

en voor elk werk.

18Wat de mensenkinderen betreft, zei ik in mijn hart dat God hen zal toetsen, en dat zij zullen inzien dat zij voor zichzelf als de dieren zijn.

19Want wat de mensenkinderen overkomt, overkomt ook de dieren. Hun overkomt een en hetzelfde. Zoals de een sterft, zo sterft de ander, en zij hebben alle een en dezelfde adem. De mensen hebben niets voor op de dieren, want alles is vluchtig.

20Zij gaan allen naar één plaats:

3:20
Gen. 3:19
zij zijn allen uit het stof

en zij keren allen terug tot het stof.

21Wie merkt op

dat de adem van de mensenkinderen

naar boven stijgt

en de adem van de dieren

naar beneden daalt naar de aarde?

22Zo heb ik ingezien dat er niets beter is dan dat de mens zich verblijdt in zijn werken, want dat is zijn deel. Wie zal hem immers zo ver brengen dat hij ziet wat na hem gebeuren zal?

4

Het leven is vol kwelling en teleurstelling

41Opnieuw zag ik al de onderdrukking die er onder de zon plaatsvindt. En zie, de tranen van de onderdrukten; zij hadden echter geen trooster. Aan de kant van hun onderdrukkers was macht, zij daarentegen hadden geen trooster.

2Daarom prees ik de doden, die al gestorven waren, boven de levenden, omdat die nog steeds in leven zijn.

3Beter af dan die beiden is wie er nog nooit is geweest, die niet gezien heeft het kwaaddoen dat er onder de zon plaatsvindt.

4Verder zag ik van al het zwoegen en alle bekwaamheid bij het werk, dat het iemand afgunst oplevert van zijn naaste. Ook dat is vluchtig en najagen van wind.

5De

4:5
Spr. 6:10
24:33
dwaas vouwt zijn handen samen en eet zijn eigen vlees.

6Een hand vol rust is beter dan beide vuisten vol zwoegen en najagen van wind.

7Opnieuw zag ik iets vluchtigs onder de zon.

8Er is er één, en geen tweede. Hij heeft ook geen kind of broer en toch komt er geen einde aan al zijn zwoegen. Ook wordt zijn oog niet verzadigd van rijkdom. Nooit is het: Voor wie tob ik mij af en laat ik mijzelf het goede ontbreken? Ook dat is vluchtig en een treurige bezigheid.

9Twee zijn beter dan één, want samen krijgen zij een goede beloning voor hun zwoegen.

10Want als zij vallen, helpt de één zijn metgezel overeind. Maar wee die ene die valt, terwijl er geen tweede is om hem overeind te helpen.

11Ook als er twee bij elkaar liggen, hebben zij warmte, maar hoe moet één alleen warm worden?

12En als iemand de één overweldigt, zullen die twee tegen hem standhouden. Een drievoudig snoer wordt niet snel gebroken.

13Beter een arme maar wijze jongeman, dan een oude maar dwaze koning die van geen waarschuwing meer wil weten.

14Ja, iemand komt uit de gevangenis om koning te worden, terwijl iemand die in zijn koninkrijk is geboren, verarmt.

15Ik zag al de levenden onder de zon omgaan met de jongeman, de tweede, die voor hem in de plaats kwam.

16Er komt geen einde aan al het volk, aan allen die er vóór hen waren. Ook zullen zij die later komen, zich niet over hem verblijden. Ja, ook dat is vluchtig en najagen van wind.

Levenswijsheid

17Let op uw voeten

als u naar het huis van God gaat.

Het is beter dat men naderbij komt om te luisteren

dan om als dwazen een offer te geven,

want die weten niet dat zij kwaad doen.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]