Herziene Statenvertaling (HSV)
1

Vluchtigheid van alle aardse dingen

11De woorden van Prediker, de zoon van David, koning in Jeruzalem.

2Een en al vluchtigheid,1:2 Een en al vluchtigheid - Letterlijk: vluchtigheid van vluchtigheden. zegt Prediker,

een en al vluchtigheid,

1:2
Ps. 62:10
144:4
alles is vluchtig.

3Welk

1:3
Pred. 2:22
3:9
voordeel heeft de mens van al zijn zwoegen

waarmee hij zwoegt onder de zon?

4De ene generatie gaat en de andere generatie komt,

1:4
Ps. 104:5
maar de aarde blijft voor eeuwig staan.

5De zon gaat op, de zon gaat onder,

en zij hijgt naar haar plaats, waar zij opging.

6De wind gaat naar het zuiden

en draait naar het noorden.

Al draaiend en draaiend

gaat de wind,

en al draaiend

keert de wind weer terug.

7

1:7
Job 38:8,9,10
Ps. 104:9,10
Alle rivieren gaan naar de zee,

toch raakt de zee niet vol.

Naar de plaats vanwaar de rivieren kwamen,

daarheen keren zij terug, om vandaar weer te gaan stromen.

8Alle dingen zijn zo vermoeiend,

dat niemand het kan uitspreken.

Het oog wordt niet verzadigd van zien,

het oor wordt niet vol van horen.

9

1:9
Pred. 3:15
Wat er geweest is, dat zal er weer zijn.

Wat er plaatsvindt, dat zal weer plaatsvinden.

Er is niets nieuws onder de zon.

10Is er iets waarvan men kan zeggen:

Kijk eens, dat is nieuw?

In de eeuwen die voor ons geweest zijn,

is het er al geweest.

11Er is geen herinnering aan de vroegere dingen.

Ook aan latere dingen, die nog komen,

zal geen herinnering zijn

bij hen die daarna komen.

12Ik, Prediker, was koning over Israël in Jeruzalem.

13Ik legde mij met heel mijn hart erop toe met wijsheid te onderzoeken, en na te speuren alles wat er onder de hemel plaatsvindt. Dat is een treurige1:13 treurige - Letterlijk: kwade. bezigheid, die God aan de mensenkinderen gegeven heeft om zich ermee te vermoeien.

14Ik heb alle werkzaamheden gezien die er onder de zon plaatsvinden, en zie, het was alles vluchtig en najagen van wind.

15Het kromme kan niet rechtgemaakt worden

en wat ontbreekt, kan niet meegeteld worden.

16Ik overwoog in mijn hart:1:16 Ik … hart - Letterlijk: Ik sprak met mijn hart. Zie, ik heb mijn wijsheid vergroot en vermeerderd, meer dan allen die vóór mij in Jeruzalem geweest zijn de hunne. Mijn hart heeft veel wijsheid en kennis ontdekt.

17Ik legde mij met heel mijn hart erop toe wijsheid te kennen, en onverstand en dwaasheid te leren kennen. Ik merkte dat ook dit slechts najagen van wind is.

18Want in veel wijsheid zit veel verdriet.

Wie kennis vermeerdert, vermeerdert leed.

2

Vreugde en rijkdom brengen geen geluk

21Ik zei in mijn hart: Kom toch, ik zal u op de proef stellen met blijdschap, en

2:1
Luk. 12:19
zie daarom het goede aan. Maar zie, ook dat was vluchtig.

2Over het lachen zei ik: Dwaasheid, en over de blijdschap: Wat brengt die teweeg?

3Ik onderzocht mijn hart door mijn lichaam te verkwikken met wijn (mijn hart echter behield in wijsheid de leiding) en door dwaasheid aan te grijpen, totdat ik zou zien wat het beste is voor de mensenkinderen om onder de hemel te doen tijdens het getal van hun levensdagen.

4Ik heb voor mijzelf grootse dingen tot stand gebracht:

Ik bouwde mij huizen,

ik plantte mij wijngaarden.

5Ik legde mij tuinen en boomgaarden aan

en plantte daarin allerlei vruchtbomen.

6Ik legde mij waterbekkens aan

om daaruit een bos met jonge bomen te bevochtigen.

7Ik verwierf slaven en slavinnen

en de in huis geboren kinderen behoorden mij toe.

Ook had ik grote kudden runderen en kleinvee,

meer dan allen die vóór mij in Jeruzalem geweest zijn.

8Ik vergaarde mij ook zilver en goud,

kostbaarheden van koningen en gewesten.

Ik zorgde voor zangers en zangeressen,

en de genoegens van de mensenkinderen: genot in overvloed.2:8 genot in overvloed - De vertaling van deze woorden is onzeker.

9Ik werd groter en nam toe,

meer dan allen die vóór mij in Jeruzalem geweest zijn.

Ook bleef mijn wijsheid bij mij.

10Al wat mijn ogen verlangden,

onthield ik ze niet.

Ik ontzegde mijn hart

geen enkele blijdschap,

want mijn hart werd verblijd

vanwege al mijn zwoegen.

Dat was mijn deel voor al mijn zwoegen.

11Toen richtte ik mijn aandacht op al mijn werken, die mijn handen gemaakt hadden, en op het zwoegen waarmee ik had gezwoegd om ze tot stand te brengen. Zie, het was alles vluchtig en najagen van wind. Daarin was geen voordeel onder de zon.

12

2:12
Pred. 1:17
7:23
Daarna richtte ik mijn aandacht op het bezien van wijsheid, ook van onverstand en dwaasheid. Immers, hoe zal de mens die na de koning komt, doen wat al gedaan is?

13Toen zag ik dat de wijsheid voorkeur heeft boven de dwaasheid, evenals het licht voorkeur heeft boven de duisternis.

14De wijze heeft ogen in zijn hoofd, maar de dwaas wandelt in de duisternis. Toen merkte ik ook dat één lot hen allen treft.

15Toen zei ik in mijn hart: Zoals het lot van de dwaas ook mijzelf treft, waarom ben ik dan toen zo bovenmate wijs geweest? Ik sprak in mijn hart: Ook dat was vluchtig.

16Er is immers voor eeuwig niet meer herinnering aan een wijze dan aan een dwaas. Wat er nu is, wordt in de dagen die komen, allemaal vergeten. Hoe sterft de wijze met de dwaas?

17Daarom haatte ik het leven, want het werk dat plaatsvindt onder de zon, leek mij kwaad. Het is immers alles vluchtig en najagen van wind.

18Ik haatte ook al mijn zwoegen waarmee ik zwoegde onder de zon, zwoegen dat ik zou moeten overlaten aan de mens die er na mij zijn zal.

19Want wie weet of die wijs zal zijn of dwaas? Toch zal hij beschikken over al mijn zwoegen waarmee ik, zij het met wijsheid, heb gezwoegd onder de zon. Ook dat is vluchtig.

20Zo kwam ik ertoe mijn hart te doen wanhopen vanwege al het zwoegen waarmee ik had gezwoegd onder de zon.

21Want is er een mens wiens zwoegen met wijsheid, met kennis en met bekwaamheid geschiedt, hij moet die als zijn deel overgeven aan een mens die er niet voor gezwoegd heeft. Ook dat is vluchtig en een groot kwaad.

22Ja,

2:22
Pred. 1:3
3:9
wat heeft de mens aan al zijn zwoegen en aan wat zijn hart najaagt, waarvoor hij zwoegt onder de zon?

23Want al zijn dagen zijn vol leed, zijn bezigheid is verdriet. Zelfs in de nacht komt zijn hart niet tot rust. Ook dat is vluchtig.

24

2:24
Pred. 3:12,22
5:18
8:15
Is het dan niet goed voor de mens dat hij eet en drinkt en zichzelf in zijn zwoegen het goede laat genieten? Ook dit heb ik gezien: het komt uit de hand van God.

25– Wie eet en wie geniet er immers meer van dan ikzelf? –

26Want Hij geeft wijsheid, kennis en blijdschap aan de mens die goed is voor Zijn aangezicht. Aan de zondaar echter geeft Hij de bezigheid om te verzamelen en te vergaren,

2:26
Job 27:16,17
Spr. 28:8
Pred. 3:13
om het te geven aan wie goed is voor Gods aangezicht. Ook dat is vluchtig en najagen van wind.

3

Alles heeft zijn tijd en beloop

31Voor alles is er een vastgestelde tijd,

en er is een tijd voor elk voornemen onder de hemel.

2Er is een tijd om geboren te worden

en een tijd om te sterven;

een tijd om te planten

en een tijd om het geplante uit te trekken;

3een tijd om te doden

en een tijd om te genezen,

een tijd om af te breken

en een tijd om op te bouwen;

4een tijd om te huilen

en een tijd om te lachen,

een tijd om rouw te bedrijven

en een tijd om te huppelen;

5een tijd om stenen weg te werpen

en een tijd om stenen te verzamelen,

een tijd

3:5
1 Kor. 7:5
om te omhelzen

en een tijd om zich ver te houden van omhelzen;

6een tijd om te zoeken

en een tijd om verloren te laten gaan,

een tijd om te bewaren

en een tijd om weg te werpen;

7een tijd om stuk te scheuren

en een tijd om dicht te naaien,

een tijd om te zwijgen

en een tijd om te spreken;

8een tijd om lief te hebben

en een tijd om te haten,

een tijd van oorlog

en een tijd van vrede.

9Welk

3:9
Pred. 1:3
voordeel heeft hij die werkt, van datgene waarvoor hij zwoegt?

10Ik heb gezien welke bezigheid God de mensenkinderen gegeven heeft om zich daarmee te vermoeien.

11Hij heeft alles op zijn tijd mooi gemaakt. Ook heeft Hij de eeuw in hun hart gelegd, zonder dat de mens het werk dat God gedaan heeft, van het begin tot het eind kan doorgronden.

12Ik heb gemerkt dat er voor hen niets beter is dan zich te verblijden en het goede te doen in hun leven,

13ja ook, dat ieder mens eet en drinkt en het goede geniet van al zijn zwoegen. Dat is een gave van God.

14Ik weet dat alles wat God doet, voor eeuwig blijft; niets is eraan toe te voegen, niets ervan af te doen, en God doet het opdat men vreest voor Zijn aangezicht.

15Wat er is, was er al,

en wat er zijn zal, is er al geweest.

God zoekt wat voorbijgegaan is.

16Verder heb ik ook gezien onder de zon:

op de plaats van het recht,

daar was goddeloosheid,

en op de plaats van de gerechtigheid,

daar was onrecht.

17Ik zei in mijn hart:

De rechtvaardige en de goddeloze

zal God oordelen,

want er is een tijd voor elk voornemen

en voor elk werk.

18Wat de mensenkinderen betreft, zei ik in mijn hart dat God hen zal toetsen, en dat zij zullen inzien dat zij voor zichzelf als de dieren zijn.

19Want wat de mensenkinderen overkomt, overkomt ook de dieren. Hun overkomt een en hetzelfde. Zoals de een sterft, zo sterft de ander, en zij hebben alle een en dezelfde adem. De mensen hebben niets voor op de dieren, want alles is vluchtig.

20Zij gaan allen naar één plaats:

3:20
Gen. 3:19
zij zijn allen uit het stof

en zij keren allen terug tot het stof.

21Wie merkt op

dat de adem van de mensenkinderen

naar boven stijgt

en de adem van de dieren

naar beneden daalt naar de aarde?

22Zo heb ik ingezien dat er niets beter is dan dat de mens zich verblijdt in zijn werken, want dat is zijn deel. Wie zal hem immers zo ver brengen dat hij ziet wat na hem gebeuren zal?

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]