Herziene Statenvertaling (HSV)
8

Israël opgeroepen tot gehoorzaamheid

81U moet alle geboden die ik u heden gebied, nauwlettend in acht nemen, opdat u leeft, talrijk wordt en het land dat de HEERE uw vaderen onder ede beloofd heeft, binnengaat en in bezit neemt.

2Ook moet u heel de weg in gedachten houden waarop de HEERE, uw God, u deze veertig jaar in de woestijn geleid heeft, opdat Hij u zou verootmoedigen, en u op de proef zou stellen om te weten wat er in uw hart was, of u Zijn geboden in acht zou nemen of niet.

3Hij verootmoedigde u, Hij liet u hongerlijden en Hij liet u het

8:3
Ex. 16:14,15
manna eten, dat u niet kende en ook uw vaderen niet gekend hadden, om u te laten weten
8:3
Matt. 4:4
Luk. 4:4
dat de mens niet alleen van brood leeft, maar dat de mens leeft van alles wat uit de mond van de HEERE komt.

4

8:4
Deut. 29:5
Neh. 9:21
De kleren die u droeg zijn niet versleten en uw voet raakte niet opgezwollen in deze veertig jaar.

5Weet dan in uw hart dat de HEERE, uw God, u gehoorzaamheid bijbrengt zoals een man zijn zoon gehoorzaamheid bijbrengt,

6en neem de geboden van de HEERE, uw God, in acht door in Zijn wegen te gaan en door Hem te vrezen.

7Want de HEERE, uw God, brengt u in een goed land: een land met waterbeken, bronnen en diepe wateren, die ontspringen in het dal en op het gebergte;

8een land met tarwe en gerst, wijnstokken, vijgenbomen en granaatappels; een land met olierijke olijfbomen en honing;

9een land waarin u zonder schaarste brood zult eten, waarin het u aan niets ontbreken zal; een land waarvan de stenen ijzer zijn, en waarin u uit zijn bergen koper kunt hakken.

10

8:10
Deut. 6:11,12
Als u dan gegeten hebt en verzadigd bent, loof dan de HEERE, uw God, voor het goede land dat Hij u gegeven heeft.

11Wees op uw hoede dat u de HEERE, uw God, niet vergeet, en daardoor Zijn geboden, Zijn bepalingen en Zijn verordeningen, die ik u heden gebied, niet in acht neemt.

12Wanneer u eet, verzadigd wordt, goede huizen bouwt en daarin woont,

13uw runderen en uw kleinvee talrijk worden en ook uw zilver en goud toeneemt, ja, alles wat u hebt, talrijk wordt,

14pas ervoor op dat uw hart zich dan niet verheft en u de HEERE, uw God, vergeet, Die u uit het land Egypte, uit het slavenhuis, geleid heeft;

15Die u geleid heeft in die grote en vreselijke woestijn, met gifslangen, schorpioenen en droogte, waar geen water was;

8:15
Ex. 17:6
Num. 20:11
Ps. 78:15
114:8
Die uit hard gesteente water voor u liet komen,

16Die u in de woestijn het

8:16
Ex. 16:14,15
manna liet eten, dat uw vaderen niet gekend hadden, opdat Hij u zou verootmoedigen en u op de proef zou stellen, om u uiteindelijk wel te doen;

17en dat u dan niet in uw hart zegt: Mijn eigen kracht en de macht van míjn hand heeft dit vermogen voor mij verworven.

18Maar u moet de HEERE, uw God, in gedachten houden, dat Hij het is Die u kracht geeft om vermogen te verwerven, opdat Hij Zijn verbond zou bevestigen, dat Hij onder ede met uw vaderen gesloten heeft, zoals het op deze dag nog is.

19Als het echter gebeurt dat u de HEERE, uw God, helemaal vergeet, achter andere goden aan gaat, hen dient en u voor hen neerbuigt, dan verzeker ik u heden dat u zeker zult omkomen.

20Zoals de heidenen die de HEERE van voor uw ogen uitgeroeid heeft, zo zult u dan ook zelf omkomen, omdat u de stem van de HEERE, uw God, niet gehoorzaam bent geweest.

9

Oproep tot ootmoed

91Luister, Israël! U gaat heden de Jordaan oversteken om het land binnen te gaan en in bezit te nemen van volken die groter en machtiger zijn dan u, met grote en hemelhoog versterkte steden;

2een groot en lang volk, de Enakieten, die u zelf kent en over wie u zelf

9:2
Num. 13:32,33
gehoord hebt: Wie kan standhouden tegenover de Enakieten?

3Daarom moet u heden weten dat het de HEERE, uw God, is Die voor u uit de Jordaan overtrekt, een

9:3
Deut. 4:24
Hebr. 12:29
verterend vuur. Hij zal hen wegvagen en Hij zal hen aan u onderwerpen. U zult hen uit hun bezit verdrijven en hen al snel ombrengen, zoals de HEERE tot u gesproken heeft.

4Wanneer de HEERE, uw God, hen van voor uw ogen verjaagd heeft, zeg dan niet in uw hart: Vanwege míjn gerechtigheid heeft de HEERE mij in dit land gebracht om het in bezit te nemen. Want het is vanwege de goddeloosheid van deze volken dat de HEERE hen van voor uw ogen uit hun bezit verdrijft.

5Niet vanwege uw gerechtigheid of vanwege de oprechtheid van uw hart komt u hun land in om het in bezit te nemen, maar vanwege de goddeloosheid van deze volken verdrijft de HEERE, uw God, hen van voor uw ogen uit hun bezit, en om het woord gestand te doen dat de HEERE, uw God, uw vaderen, Abraham, Izak en Jakob,

9:5
Gen. 12:7
13:15
15:7
17:8
26:4
28:13
gezworen heeft.

6Daarom moet u weten dat het niet vanwege uw gerechtigheid is dat de HEERE, uw God, u dit goede land geeft om het in bezit te nemen, want u bent een halsstarrig volk.

7Houd in gedachten en vergeet niet dat u de HEERE, uw God,

9:7
Ex. 14:11
16:2
17:2
Num. 11:4
zeer toornig hebt gemaakt in de woestijn: vanaf de dag dat u uit het land Egypte vertrokken bent, totdat u op deze plaats kwam, bent u ongehoorzaam geweest aan de HEERE.

8

9:8
Ex. 32:4
Ps. 106:19
Bij de Horeb hebt u de HEERE immers zeer toornig gemaakt; de HEERE werd zo toornig op u dat Hij u wilde wegvagen.

9Toen ik de berg opgeklommen was om de stenen tafelen, de tafelen van het verbond dat de HEERE met u gesloten had, te ontvangen,

9:9
Ex. 24:18
34:28
bleef ik veertig dagen en veertig nachten op de berg. Ik at geen brood en dronk geen water.

10En de HEERE gaf mij de twee stenen tafelen, beschreven

9:10
Ex. 31:18
door de vinger van God; daarop stonden alle woorden die de HEERE met u gesproken had op de berg, vanuit het midden van het vuur, op de dag dat u daar bijeenkwam.

11Het gebeurde na verloop van veertig dagen en veertig nachten, toen de HEERE mij de twee stenen tafelen, de tafelen van het verbond, gaf,

12dat de HEERE tegen mij zei: Sta op, daal snel vanhier af, want uw volk, dat u uit Egypte geleid hebt, handelt verderfelijk. Zij zijn al snel afgeweken van de weg die Ik hun geboden had: zij hebben voor zichzelf een gegoten beeld gemaakt.

13Verder sprak de HEERE tot mij: Ik heb dit volk gezien en zie, het is een

9:13
Ex. 32:9
33:3
34:9
Deut. 10:16
31:27
2 Kon. 17:14
halsstarrig volk.

14

9:14
Ex. 32:10
Ps. 106:23
Laat Mij begaan, dan zal Ik hen wegvagen en hun naam van onder de hemel uitwissen. Dan zal Ik u tot een volk maken dat nog machtiger en talrijker is dan dit.

15Toen keerde ik mij om en daalde van de berg af – de berg brandde van vuur en de twee tafelen van het verbond waren in mijn beide handen.

16Ik keek toe en zie: u had tegen de HEERE, uw God, gezondigd; u had voor uzelf een gegoten kalf gemaakt. U was al snel afgeweken van de weg die de HEERE u geboden had!

17Toen pakte ik de twee tafelen, wierp ze uit mijn beide handen weg en brak ze voor uw ogen in stukken.

18En ik wierp mij neer voor het aangezicht van de HEERE, net als de eerste keer, veertig dagen en veertig nachten. Ik at geen brood en dronk geen water, vanwege al de zonde die u begaan had, door te doen wat slecht is in de ogen van de HEERE om Hem tot toorn te verwekken.

19Want ik was bevreesd vanwege Zijn toorn en grimmigheid: de HEERE was zo toornig op u dat Hij u wilde wegvagen. De HEERE verhoorde mij echter ook die keer.

20Ook op Aäron was de HEERE zo toornig dat Hij hem wilde wegvagen; maar ik bad in die tijd ook voor Aäron.

21Maar ik

9:21
Ex. 32:20
nam uw zonde, het kalf dat u gemaakt had, en verbrandde het met vuur. Ik verbrijzelde het en vermaalde het grondig, totdat het tot stof verpulverd was. En het stof ervan gooide ik in de beek die van de berg afloopt.

22Ook bij

9:22
Num. 11:1
Tabera,
9:22
Ex. 17:7
Massa en
9:22
Num. 11:4,34
Kibroth-Taäva maakte u de HEERE zeer toornig.

23En toen de HEERE u vanuit Kades-Barnea op weg zond en zei:

9:23
Num. 13:3
14:1
Trek op en neem het land dat Ik u gegeven heb in bezit, was u het bevel van de HEERE, uw God, ongehoorzaam: u geloofde Hem niet en gehoorzaamde Zijn stem niet.

24U bent ongehoorzaam geweest aan de HEERE vanaf de dag dat ik u ken.

25Ik wierp mij neer voor het aangezicht van de HEERE, die veertig dagen en veertig nachten dat ik mij neergeworpen had, omdat de HEERE gezegd had dat Hij u zou wegvagen.

26En ik bad tot de HEERE en zei:

9:26
Ex. 32:11
Num. 14:13
Heere HEERE, richt Uw volk en Uw eigendom toch niet te gronde, dat U door Uw grootheid verlost hebt, dat U met sterke hand uit Egypte hebt geleid.

27Denk aan Uw dienaren, Abraham, Izak en Jakob; schenk geen aandacht aan de hardleersheid van dit volk, aan zijn goddeloosheid, en aan zijn zonde;

28anders zal het land waar U ons uit geleid hebt,

9:28
Ex. 32:12
Num. 14:16
zeggen: Omdat de HEERE hen niet kon brengen in het land waarover Hij tot hen gesproken had, en omdat Hij hen haatte, heeft Hij hen uitgeleid, om hen te doden in de woestijn.

29Zij zijn toch Uw volk en Uw eigendom, dat U met Uw grote kracht en met Uw uitgestrekte arm hebt uitgeleid!

10

De nieuwe stenen tafelen en de ark

101In die tijd zei de HEERE tegen mij:

10:1
Ex. 34:1
Houw twee stenen tafelen voor u uit, net als de eerste, en klim de berg op, naar Mij toe; ook moet u een kist van hout voor u maken.

2En Ik zal op die tafelen de woorden schrijven die op de eerste tafelen stonden, die u verbrijzeld hebt; en dan moet u ze in de kist leggen.

3Daarop maakte ik een kist van acaciahout en hieuw twee stenen tafelen uit, net als de eerste; en ik klom de berg op met de twee tafelen in mijn hand.

4Toen schreef Hij op de tafelen, overeenkomstig de eerste tekst, de Tien Woorden die de HEERE tot u gesproken had op de berg, vanuit het midden van het vuur, op de dag dat u daar bijeenkwam; en de HEERE gaf ze aan mij.

5En ik keerde mij om, daalde de berg af en legde de tafelen in de kist die ik gemaakt had. Daar zijn ze nog steeds, zoals de HEERE mij geboden had.

6(Toen

10:6
Num. 33:30
braken de Israëlieten op uit Beëroth-Bene-Jaäkan naar Mosera. Daar
10:6
Num. 20:28
33:38
stierf Aäron en daar werd hij begraven; en zijn zoon Eleazar diende als priester in zijn plaats.

7Daarvandaan braken zij op naar

10:7
Num. 33:32,33
Gudgod en van Gudgod naar Jotbath, een land vol beken.)

8In die tijd zonderde de HEERE de stam Levi af om de ark van het verbond van de HEERE te dragen, om voor het aangezicht van de HEERE te staan, om Hem te dienen en om in Zijn Naam te zegenen, tot op deze dag.

9Daarom heeft Levi

10:9
Num. 18:20,21Deut. 18:1
Ezech. 44:28
geen aandeel of erfelijk bezit met zijn broeders; de HEERE Zelf is zijn erfelijk bezit, zoals de HEERE, uw God, tot hem gesproken heeft.

10Ík stond dus op de berg, net als de vorige dagen:

10:10
Deut. 9:18
veertig dagen en veertig nachten. De HEERE
10:10
Deut. 9:19
verhoorde mij ook deze keer; de HEERE wilde u niet te gronde richten.

11En de HEERE zei tegen mij: Sta op, ga op reis, voor het volk uit, zodat zij in het land komen dat Ik hun vaderen gezworen heb hun te geven, en zij dat in bezit nemen.

Oproep om God te dienen

12Nu dan, Israël, wat vraagt de HEERE, uw God, van u dan de HEERE, uw God, te vrezen, in al Zijn wegen te gaan, Hem lief te hebben en de HEERE, uw God, te

10:12
Deut. 6:5
Matt. 22:37
Luk. 10:27
dienen, met heel uw hart en met heel uw ziel,

13en de geboden van de HEERE en Zijn verordeningen, die ik u heden gebied, in acht te nemen, u ten goede?

14Zie, van de HEERE, uw God, is de hemel, ja, de allerhoogste hemel,10:14 de allerhoogste hemel - Letterlijk: de hemel der hemelen. de

10:14
Gen. 14:19
Ps. 24:1
115:16
aarde en alles wat erop is.

15Maar alleen voor uw vaderen heeft de HEERE liefde opgevat om hen lief te hebben, en Hij heeft hun nageslacht na hen, u, uit al de volken verkozen, zoals het heden ten dage nog is.

16Besnijd dan de voorhuid

10:16
Jer. 4:4
van uw hart en wees niet langer
10:16
Ex. 32:9
33:3
34:9
Deut. 9:13
halsstarrig.10:16 wees niet … halsstarrig - Letterlijk: verhard de nek niet.

17Want de HEERE, uw God, is de God der goden en de

10:17
Openb. 17:14
Heere der heren; die grote, machtige en ontzagwekkende God, Die
10:17
2 Kron. 19:6,7
Job 34:19
Hand. 10:34
Rom. 2:11
Gal. 2:6
Efez. 6:9
Kol. 3:25
1 Petr. 1:17
niet partijdig is10:17 Die niet partijdig is - Letterlijk: Die geen aangezicht verheft. en geen geschenk in ontvangst neemt,

18Die recht verschaft aan de wees en de weduwe, Die de vreemdeling liefheeft door hem brood en kleding te geven.

19Daarom moet u de vreemdeling liefhebben, want u bent zelf vreemdelingen geweest in het land Egypte.

20De HEERE, uw God, moet u

10:20
Deut. 6:13
Matt. 4:10
Luk. 4:8
vrezen, Hem moet u dienen, aan Hem moet u
10:20
Deut. 13:4
zich vasthouden en bij Zijn Naam moet u zweren.

21Hij is uw lof en Hij is uw God, Die bij u deze grote en ontzagwekkende dingen gedaan heeft, die uw ogen gezien hebben.

22Met

10:22
Gen. 46:27
Ex. 1:5
Hand. 7:14
zeventig zielen trokken uw vaderen naar Egypte, en nu heeft de HEERE, uw God, u zo talrijk gemaakt
10:22
Gen. 15:5
als de sterren aan de hemel.