Herziene Statenvertaling (HSV)
6

Bevel om zich aan de geboden van God te houden

61Dit zijn de geboden, de verordeningen en de bepalingen die de HEERE, uw God, geboden heeft u te leren, om ze te doen in het land waar u naartoe trekt om het in bezit te nemen,

2opdat u de HEERE, uw God, vreest door al Zijn verordeningen en Zijn geboden, die ik u gebied, in acht te nemen: u, uw kind en uw kleinkind, alle dagen van uw leven; en opdat uw dagen verlengd worden.

3Luister dan, Israël, en neem ze nauwlettend in acht! Dan zal het u goed gaan en zult u zeer talrijk worden – zoals de HEERE, de God van uw vaderen, tot u gesproken heeft – in het land dat overvloeit van melk en honing.

4

6:4
Deut. 4:35
Mark. 12:29
Joh. 17:3
1 Kor. 8:4,6
Luister, Israël! De HEERE, onze God, de HEERE is één!6:4 één - Of: de Enige.

5Daarom zult u de HEERE, uw God,

6:5
Deut. 10:12
Matt. 22:37
Luk. 10:27
liefhebben met heel uw hart, met heel uw ziel en met heel uw kracht.

6Deze woorden, die ik u heden gebied, moeten in uw hart zijn.

7U moet ze uw

6:7
Deut. 4:9
11:19
kinderen inprenten en erover spreken, als u in uw huis zit en als u over de weg gaat, als u neerligt en als u opstaat.

8U moet ze als een teken op uw hand binden en ze moeten als een voorhoofdsband tussen uw ogen zijn.

9U moet ze op de deurposten van uw huis en op uw poorten schrijven.

10Wanneer het dan gebeuren zal dat de HEERE, uw God, u gebracht heeft in het land dat Hij uw vaderen, Abraham, Izak en Jakob, gezworen heeft u te zullen geven – grote en goede steden, die u niet gebouwd hebt,

11huizen, vol van allerlei kostbare dingen, waarmee u ze niet gevuld hebt, uitgehakte putten, die u niet uitgehakt hebt, en wijngaarden en olijfgaarden, die u niet geplant hebt –

6:11
Deut. 8:9,10
en u gegeten hebt en verzadigd bent,

12wees dan op uw hoede dat u de HEERE, Die u uit het land Egypte, uit het slavenhuis, geleid heeft, niet vergeet.

13U moet de HEERE, uw God,

6:13
Deut. 10:20
Matt. 4:10
Luk. 4:8
vrezen, Hem dienen en bij Zijn Naam zweren.

14U mag niet achter andere goden, de goden van de volken die rondom u zijn, aan gaan,

15want de HEERE, uw God, is een na-ijverig God in uw midden; anders ontbrandt de toorn van de HEERE, uw God, tegen u en vaagt Hij u weg van de aardbodem.

16U mag de HEERE, uw God,

6:16
Matt. 4:7
Luk. 4:12
niet op de proef stellen, zoals u Hem bij
6:16
Ex. 17:2
Num. 20:3
Massa op de proef gesteld hebt.

17U moet de geboden van de HEERE, uw God, Zijn getuigenissen en Zijn verordeningen, die Hij u geboden heeft, nauwgezet in acht nemen.

18En u moet doen wat juist en goed is in de ogen van de HEERE, opdat het u goed gaat, en u er komt, en het goede land dat de HEERE uw vaderen onder ede beloofd heeft, in bezit neemt,

19om al uw vijanden van voor uw ogen te verjagen, zoals de HEERE gesproken heeft.

20Wanneer uw zoon u morgen vraagt: Wat zijn dat voor getuigenissen, verordeningen en bepalingen die de HEERE, onze God, u geboden heeft?

21dan moet u tegen uw zoon zeggen: Wij waren slaven van de farao in Egypte, maar de HEERE heeft ons met sterke hand uit Egypte geleid.

22En de HEERE gaf tekenen en wonderen, groot en onheilbrengend, in Egypte, aan de farao en aan zijn hele huis, voor onze ogen.

23Maar ons leidde Hij daarvandaan, om ons hierheen te brengen en ons het land te geven, dat Hij onze vaderen onder ede beloofd had.

24En de HEERE gebood ons al deze verordeningen te houden, om de HEERE, onze God, te vrezen, ons ten goede, alle dagen, om ons in leven te houden, zoals het op deze dag is.

25Het zal voor ons gerechtigheid zijn als wij al deze geboden nauwlettend in acht nemen, voor het aangezicht van de HEERE, onze God, zoals Hij ons geboden heeft.

7

Hoe Israël zich moet gedragen ten opzichte van de Kanaänieten

71Wanneer de HEERE, uw God, u gebracht heeft in het land waar u naartoe gaat om het in bezit te nemen, en Hij

7:1
Deut. 31:3
vele volken van voor uw ogen verdreven heeft, de Hethieten, de Girgasieten, de Amorieten, de Kanaänieten, de Ferezieten, de Hevieten en de Jebusieten, zeven volken, die groter en machtiger zijn dan u,

2en wanneer de HEERE, uw God, hen aan u7:2 aan u - Letterlijk: voor uw aangezicht; zie ook vers 23. overgegeven heeft

7:2
Num. 33:52
Joz. 11:11
en u ze verslaat, dan moet u hen volledig met de ban slaan;
7:2
Ex. 23:32
34:15
u mag geen verbond met hen sluiten en hun niet genadig zijn.

3U mag geen huwelijksbanden met hen

7:3
Ex. 34:16
1 Kon. 11:2
aangaan: uw dochters mag u niet geven aan hun zonen, en hun dochters niet nemen voor uw zonen.

4Want zij zouden uw zonen van achter Mij laten afwijken, zodat zij andere goden gaan dienen en de toorn van de HEERE tegen u ontbrandt en Hij u al snel wegvaagt.

5Maar zo moet u met hen doen:

7:5
Ex. 23:24
34:13
Deut. 12:2,3
hun altaren moet u afbreken, hun gewijde stenen in stukken slaan, hun gewijde palen omhakken en hun beelden met vuur verbranden.

6Want

7:6
Ex. 19:5
Deut. 4:20
14:21
26:18
28:9
1 Petr. 2:9
u bent een heilig volk voor de HEERE, uw God. De HEERE, uw God, heeft ú uitgekozen uit alle volken op de aardbodem om voor Hem tot een volk te zijn dat Zijn persoonlijk eigendom is.

7Niet omdat u groter was dan al de andere volken heeft de HEERE liefde voor u opgevat en u uitgekozen, want u was het kleinste van al de volken.

8Maar vanwege

7:8
Deut. 10:15
de liefde van de HEERE voor u, en om de eed die Hij uw vaderen gezworen had, in acht te houden, heeft de HEERE u met sterke hand uitgeleid en heeft Hij u verlost uit het slavenhuis, uit de hand van de farao, de koning van Egypte.

9Daarom moet u weten dat de HEERE uw God is. Híj is

7:9
Ex. 20:5
Deut. 5:9
God, de getrouwe God, Die het verbond en de goedertierenheid in acht neemt voor wie Hem liefhebben en Zijn geboden in acht nemen, tot in duizend generaties.

10En Hij doet vergelding aan ieder van hen die Hem haten, door hem om te doen komen, hem persoonlijk;7:10 hem persoonlijk - Letterlijk: in zijn gezicht; zie ook het vervolg van dit vers. Hij zal tegenover wie Hem haat niet

7:10
Nahum 1:2
aarzelen. Hij zal aan hem vergelding doen, aan hem persoonlijk.

11En daarom moet u de geboden, verordeningen en bepalingen die ik u heden gebied, in acht nemen door ze te houden.

12Dan zal het gebeuren,

7:12
Lev. 26:3
Deut. 28:1
omdat u deze bepalingen zult horen, in acht nemen en houden, dat de HEERE, uw God, voor u het verbond en de goedertierenheid in acht zal nemen die Hij uw vaderen onder ede beloofd heeft.

13Hij zal u liefhebben, u zegenen en u talrijk maken; Hij zal de vrucht van uw schoot zegenen en de vrucht van uw land, uw koren, uw nieuwe wijn en uw olie, de dracht van uw koeien en de jongen van uw kleinvee, in het land dat Hij uw vaderen gezworen heeft u te geven.

14Gezegend zult u zijn boven al de volken; onder u zal

7:14
Ex. 23:26
geen man of vrouw onvruchtbaar zijn, onder uw dieren evenmin.

15De HEERE zal alle ziekte van u weren en geen van de verschrikkelijke kwalen van Egypte, die u hebt leren kennen, zal Hij u opleggen, maar Hij zal ze geven aan allen die u haten.

16U zult al de volken verteren die de HEERE, uw God, u geeft. Laat uw oog hen niet ontzien. En dien hun goden niet, want dat is voor u een valstrik.

17Wanneer u in uw hart zegt: Deze volken zijn groter dan ik; hoe kan ik hen ooit uit hun bezit verdrijven?

18wees dan niet bevreesd voor hen. Denk steeds aan wat de HEERE, uw God, met de farao en met alle Egyptenaren gedaan heeft,

19

7:19
Deut. 4:34
29:3
de grote beproevingen die uw ogen gezien hebben, de tekenen, de wonderen, de sterke hand en de uitgestrekte arm waarmee de HEERE, uw God, u uitgeleid heeft. Zo zal de HEERE, uw God, doen met al de volken voor wie u bevreesd bent.

20Daarbij zal de HEERE, uw God,

7:20
Ex. 23:28
Joz. 24:12
horzels onder hen zenden, totdat zij die overgebleven en voor u verborgen zijn, ook omgekomen zijn.

21Schrik voor hen niet terug, want de HEERE, uw God, is in uw midden, een groot en ontzagwekkend God.

22De HEERE, uw God, zal deze volken van voor uw ogen verdrijven, maar geleidelijk: u zult hen niet onmiddellijk kunnen vernietigen, anders zouden de dieren van het veld te talrijk worden voor u.

23De HEERE, uw God, zal hen aan u overgeven; Hij zal hen in grote verwarring brengen,7:23 in grote verwarring brengen - Letterlijk: verwarren met een grote verwarring. totdat zij weggevaagd zijn.

24Hij zal u hun koningen in uw hand geven, en u moet hun naam van onder de hemel doen verdwijnen; niemand zal vóór u standhouden, totdat u hen weggevaagd hebt.

25De beelden van hun goden moet u met vuur verbranden. Het zilver en goud dat erop zit, mag u niet begeren of voor uzelf nemen, anders wordt u daardoor verstrikt, want het is voor de HEERE, uw God, een gruwel.

26U mag zoiets gruwelijks niet in huis halen, anders wordt u evenzo tot iemand op wie de ban rust; volledig verafschuwen moet u het, ja, er een diepe afschuw van hebben, want het is iets waarop de ban rust.

8

Israël opgeroepen tot gehoorzaamheid

81U moet alle geboden die ik u heden gebied, nauwlettend in acht nemen, opdat u leeft, talrijk wordt en het land dat de HEERE uw vaderen onder ede beloofd heeft, binnengaat en in bezit neemt.

2Ook moet u heel de weg in gedachten houden waarop de HEERE, uw God, u deze veertig jaar in de woestijn geleid heeft, opdat Hij u zou verootmoedigen, en u op de proef zou stellen om te weten wat er in uw hart was, of u Zijn geboden in acht zou nemen of niet.

3Hij verootmoedigde u, Hij liet u hongerlijden en Hij liet u het

8:3
Ex. 16:14,15
manna eten, dat u niet kende en ook uw vaderen niet gekend hadden, om u te laten weten
8:3
Matt. 4:4
Luk. 4:4
dat de mens niet alleen van brood leeft, maar dat de mens leeft van alles wat uit de mond van de HEERE komt.

4

8:4
Deut. 29:5
Neh. 9:21
De kleren die u droeg zijn niet versleten en uw voet raakte niet opgezwollen in deze veertig jaar.

5Weet dan in uw hart dat de HEERE, uw God, u gehoorzaamheid bijbrengt zoals een man zijn zoon gehoorzaamheid bijbrengt,

6en neem de geboden van de HEERE, uw God, in acht door in Zijn wegen te gaan en door Hem te vrezen.

7Want de HEERE, uw God, brengt u in een goed land: een land met waterbeken, bronnen en diepe wateren, die ontspringen in het dal en op het gebergte;

8een land met tarwe en gerst, wijnstokken, vijgenbomen en granaatappels; een land met olierijke olijfbomen en honing;

9een land waarin u zonder schaarste brood zult eten, waarin het u aan niets ontbreken zal; een land waarvan de stenen ijzer zijn, en waarin u uit zijn bergen koper kunt hakken.

10

8:10
Deut. 6:11,12
Als u dan gegeten hebt en verzadigd bent, loof dan de HEERE, uw God, voor het goede land dat Hij u gegeven heeft.

11Wees op uw hoede dat u de HEERE, uw God, niet vergeet, en daardoor Zijn geboden, Zijn bepalingen en Zijn verordeningen, die ik u heden gebied, niet in acht neemt.

12Wanneer u eet, verzadigd wordt, goede huizen bouwt en daarin woont,

13uw runderen en uw kleinvee talrijk worden en ook uw zilver en goud toeneemt, ja, alles wat u hebt, talrijk wordt,

14pas ervoor op dat uw hart zich dan niet verheft en u de HEERE, uw God, vergeet, Die u uit het land Egypte, uit het slavenhuis, geleid heeft;

15Die u geleid heeft in die grote en vreselijke woestijn, met gifslangen, schorpioenen en droogte, waar geen water was;

8:15
Ex. 17:6
Num. 20:11
Ps. 78:15
114:8
Die uit hard gesteente water voor u liet komen,

16Die u in de woestijn het

8:16
Ex. 16:14,15
manna liet eten, dat uw vaderen niet gekend hadden, opdat Hij u zou verootmoedigen en u op de proef zou stellen, om u uiteindelijk wel te doen;

17en dat u dan niet in uw hart zegt: Mijn eigen kracht en de macht van míjn hand heeft dit vermogen voor mij verworven.

18Maar u moet de HEERE, uw God, in gedachten houden, dat Hij het is Die u kracht geeft om vermogen te verwerven, opdat Hij Zijn verbond zou bevestigen, dat Hij onder ede met uw vaderen gesloten heeft, zoals het op deze dag nog is.

19Als het echter gebeurt dat u de HEERE, uw God, helemaal vergeet, achter andere goden aan gaat, hen dient en u voor hen neerbuigt, dan verzeker ik u heden dat u zeker zult omkomen.

20Zoals de heidenen die de HEERE van voor uw ogen uitgeroeid heeft, zo zult u dan ook zelf omkomen, omdat u de stem van de HEERE, uw God, niet gehoorzaam bent geweest.