Herziene Statenvertaling (HSV)
33

Mozes zegent de twaalf stammen

331Dit nu is de zegen waarmee Mozes, de man Gods, de Israëlieten gezegend heeft, vóór zijn dood.

2Hij zei:

De HEERE is van Sinaï gekomen,

als de zon kwam Hij uit Seïr op.

Hij verscheen blinkend vanaf het gebergte Paran,

Hij kwam met tienduizenden heiligen,

aan Zijn rechterhand was een vurige wet voor hen.

3Ja, Hij heeft de volken lief!

Al Zijn heiligen zijn in Uw hand,

Zíj zitten aan Uw voeten

en vangen iets op van Uw woorden.

4Mozes gebood ons de wet,

het erfelijk bezit van de gemeente van Jakob.

5Hij was Koning in Jesjurun,

toen de hoofden van het volk zich verzamelden,

samen met de stammen van Israël.

6Moge Ruben leven en niet sterven,

en mogen zijn mannen groot in aantal zijn!

7Dit betreft Juda; hij zei:

Luister, HEERE, naar de stem van Juda!

Breng hem terug bij zijn volk,

laten zijn handen sterk genoeg voor hem zijn,

en wees hem een hulp tegen zijn tegenstanders!

8Over Levi zei hij:

Uw Tummim en Uw Urim zijn bij deze man, Uw gunsteling;

U stelde hem op de proef in Massa,

U riep hem ter verantwoording bij de wateren van Meriba.

9Hij zei over zijn vader en moeder:

Ik zie hen33:9 hen - Hebreeuws: hem. niet.

Hij herkende zijn broers niet,

en zijn zonen kende hij niet.

Zij hielden namelijk Uw woord,

en namen Uw verbond in acht.

10Zij zullen Jakob Uw bepalingen leren

en Israël Uw wet,

zij zullen reukwerk voor Uw neus leggen,

en een offer dat geheel verteerd wordt op Uw altaar.

11Zegen zijn vermogen, HEERE,

en wees het werk van zijn handen goedgezind;

verbrijzel de heupen van wie tegen hem opstaan,

en van hen die hem haten, zodat zij niet meer opstaan!

12Over Benjamin zei hij:

De door de HEERE beminde, hij zal onbezorgd bij Hem wonen.

Hij zal hem heel de dag beschermen,

en tussen zijn schouders zal Hij wonen!

13Over Jozef zei hij:

Moge

33:13
Gen. 49:25
zijn land door de HEERE gezegend zijn,

met het beste van de hemel, met dauw,

en met het beste van de watervloed die beneden ligt;

14met de beste opbrengst van de zon,

en met het beste wat de maan voortbrengt;

15met het voornaamste van de aloude bergen,

en met het beste van de eeuwige heuvels;

16met het beste van de aarde en haar volheid,

en met de goedgunstigheid van Hem Die in de doornstruik woonde.

Laat het komen op het hoofd van Jozef,

ja, op de schedel van de

33:16
Gen. 49:26
gewijde onder zijn broers!

17Hij heeft de pracht van de eerstgeborene van zijn rund,

en zijn hoorns zijn hoorns van de wilde os;

daarmee zal hij volken stoten, allemaal,

tot aan de einden der aarde.

Dit zijn de tienduizenden van Efraïm,

en dit zijn de duizenden van Manasse!

18Over Zebulon zei hij:

Verblijd u, Zebulon, over uw uittocht,

en u, Issaschar, over uw tenten.

19Volken zullen zij naar de berg roepen.

Daar zullen zij offers van gerechtigheid brengen,

want zij zullen de overvloed van de zeeën opzuigen,

en de dingen die onder het zand bedekt en verborgen zijn.

20Over Gad zei hij:

Gezegend is Hij Die ruimte geeft aan Gad!

Gad woont als een leeuwin

en verscheurt de arm, ja zelfs de schedel.

21Hij heeft zich van het beste voorzien,

omdat daar het deel van de wetgever voor hem weggelegd was;

hij kwam met de hoofden van het volk,

hij voerde het recht van de HEERE uit,

en Zijn bepalingen, samen met Israël.

22Over Dan zei hij:

Dan is een leeuwenwelp,

hij springt uit Basan tevoorschijn.

23Over Naftali zei hij:

Naftali, wees verzadigd met goedgunstigheid,

en vol van de zegen van de HEERE;

neem het westen en het zuiden in bezit.

24Over Aser zei hij:

Moge Aser gezegend zijn met zonen;

laten zijn broers hem goedgezind zijn

en hij zijn voet in olie dompelen.

25Uw grendels zullen van ijzer en brons zijn;

laat uw kracht zijn overeenkomstig uw dagen!

26Niemand is er als God, Jesjurun!

Hij rijdt op de hemel om u te helpen,

en in Zijn majesteit op de wolken.

27De eeuwige God is voor u een woning,

en onder u zijn eeuwige armen.

Hij verdrijft de vijand voor u uit,

en zegt: Vaag hem weg!

28

33:28
Jer. 23:6
33:16
Israël zal veilig wonen en alleen;

het oog van Jakob zal gericht zijn

op een land van koren en nieuwe wijn;

ja, zijn hemel zal dauw laten neerdruppelen.

29Welzalig bent u, Israël! Wie is zoals u?

U bent een volk dat door de HEERE verlost is.

Hij is een schild en een hulp voor u,

Hij is uw majesteitelijke zwaard;

daarom zullen uw vijanden zich geveinsd aan u onderwerpen,

en ú zult hun hoogten betreden!

34

Het sterven van Mozes

341Toen beklom Mozes, vanuit de vlakten van Moab, de berg Nebo, de top van de Pisga, die recht tegenover Jericho ligt. En de HEERE

34:1
Deut. 3:27
liet hem heel het land zien: van Gilead tot Dan,

2heel Naftali, het land van Efraïm en Manasse, heel het land van Juda tot aan de zee in het westen,34:2 de zee in het westen - Letterlijk: de achterste zee.

3het Zuiderland, de vlakte van de vallei van Jericho, de palmstad, tot aan Zoar.

4En de HEERE zei tegen hem: Dit is het land waarvan Ik

34:4
Gen. 12:7
13:15
15:18
26:4
28:13
Abraham, Izak en Jakob gezworen heb: Aan uw nageslacht zal Ik het geven. Ik heb het u met uw eigen ogen laten zien, maar u mag daarheen niet oversteken.

5Zo stierf Mozes, de dienaar van de HEERE, daar in het land van Moab, overeenkomstig het woord van de HEERE.

6En Hij begroef hem in een dal in het land van Moab, tegenover Beth-Peor.

34:6
Judas vs.
En niemand weet waar zijn graf is, tot op deze dag.

7Mozes nu was honderdtwintig jaar oud toen hij stierf; zijn oog was niet dof geworden en zijn kracht was niet vervlogen.

8En de Israëlieten beweenden Mozes in de vlakten van Moab, dertig dagen lang; toen waren de dagen van het bewenen, van de rouw over Mozes, voorbij.

9Jozua nu, de zoon van Nun, was vol van de geest van wijsheid;

34:9
Num. 27:18
want Mozes had zijn handen op hem gelegd. Daarom luisterden de Israëlieten nu naar hém, en zij deden zoals de HEERE Mozes geboden had.

10En er is in Israël geen profeet meer opgestaan zoals Mozes, die de HEERE kende van aangezicht tot aangezicht,

11met al de tekenen en wonderen waarmee de HEERE hem gezonden had om die in het land Egypte te doen bij de farao, bij al zijn dienaren en bij heel zijn land;

12en met heel de sterke hand en met alle grote ontzagwekkende daden, die Mozes voor de ogen van heel Israël verrichtte.