Herziene Statenvertaling (HSV)
32

321Hoor mij aan, hemel, dan zal ik spreken!

Laat de aarde de woorden van mijn mond horen.

2Laat mijn leer neerdruppelen als de regen,

laten mijn woorden stromen als de dauw,

als een zachte regen op het groen,

en als regendruppels op het gewas.

3Want ik zal de Naam van de HEERE uitroepen;

geef grootheid aan onze God!

4Hij is de rots, Wiens werk volmaakt is,

want al Zijn wegen zijn een en al recht.

God is waarheid en geen onrecht;

rechtvaardig en waarachtig is Hij.

5Zij hebben verderfelijk tegen Hem gehandeld;

het zijn Zijn kinderen niet. Een schandvlek!

Het is een slinkse en verdorven generatie.

6Doet u dit de HEERE aan,

dwaas en onwijs volk?

Is Hij niet uw Vader, Die u verworven heeft,

Die u gemaakt heeft en u stand heeft doen houden?

7Denk aan de dagen van vroeger tijd;

let op de jaren van generatie op generatie.

Vraag het uw vader, hij zal het u vertellen,

vraag het uw oudsten, zij zullen het u zeggen.

8Toen de Allerhoogste aan de volken het erfelijk bezit uitdeelde,

toen Hij Adams kinderen van elkaar scheidde,

heeft Hij het grondgebied van de volken vastgesteld

overeenkomstig het aantal Israëlieten.

9Want het deel van de HEERE is Zijn volk,

Jakob is het gebied dat Zijn eigendom is.

10Hij vond hem in een woestijngebied,

in een woeste, huilende wildernis.

Hij omringde hem, Hij onderwees hem,

Hij beschermde hem als Zijn oogappel.

11Zoals een arend zijn nest opwekt,

boven zijn jongen zweeft,

zijn vleugels uitspreidt, ze pakt

en ze draagt op zijn vlerken,

12zo heeft alleen de HEERE hem geleid,

er was geen vreemde god bij hem.

13Hij liet hem rijden op de hoogten van de aarde,

en hij at de opbrengsten van het veld.

Hij liet hem honing zuigen uit de rots,

en olie uit hard gesteente;

14boter van runderen, en melk van kleinvee,

samen met het vet van lammeren,

van rammen die in Basan weiden, en van bokken,

samen met het allerbeste32:14 het allerbeste - Letterlijk: het vet. van de tarwe,

en druivenbloed, goede wijn, hebt u gedronken.

15Maar toen Jesjurun vet werd, trapte hij achteruit

– u bent vet, u bent dik, u bent vetgemest –

toen verliet hij God, Die hem gemaakt heeft,

hij versmaadde de Rots van zijn heil.

16Zij hebben Hem tot na-ijver gebracht met vreemde goden,

met gruwelijke daden hebben zij Hem tot toorn verwekt.

17Zij hebben geofferd aan de demonen, niet aan God;

aan goden die zij niet kenden,

aan nieuwe goden, die kortgeleden gekomen zijn,

voor wie uw vaderen niet gehuiverd hebben.

18De Rots Die u verwekt heeft, hebt u veronachtzaamd,

en u hebt de God Die u gebaard heeft, vergeten.

19Toen de HEERE dat zag, verwierp Hij hen,

uit toorn tegen Zijn zonen en Zijn dochters.

20Hij zei: Ik zal Mijn aangezicht voor hen verbergen;

Ik zal zien wat hun einde is,

want zij zijn een totaal verdorven generatie,

kinderen in wie geen enkele trouw is.

21

32:21
Rom. 10:19
Zíj hebben Mij tot na-ijver gebracht met wat geen God is;

zij hebben Mij tot toorn verwekt door hun nietige afgoden.

Ík zal hen daarom jaloers maken door wat geen volk is,

door een dwaas volk zal Ik hen tot toorn verwekken.

22Want

32:22
Jer. 15:14
een vuur is aangestoken in Mijn toorn,

het zal branden tot onder in de hel,

het zal het land met zijn opbrengst verteren

en de fundamenten van de bergen in vlam zetten.

23Ik zal verschrikkelijke dingen over hen ophopen;

al Mijn pijlen schiet Ik op hen af.

24Uitgeteerd door honger, verteerd door pest

en bitter verderf zullen zij zijn;

tanden van wilde dieren zal Ik op hen afsturen,

met vurig vergif van slangen die in het stof kruipen.

25Buiten berooft het zwaard,

en binnenskamers de verschrikking,

zowel de jongen als het meisje,

de zuigeling samen met de grijsaard.

26Ik zei: Ik zal hen naar alle kanten verspreiden,

Ik zal de gedachtenis aan hen onder de stervelingen doen ophouden,

27ware het niet dat Ik beducht was voor de toorn van de vijand.

Hun tegenstanders zouden het verdraaien

en zeggen: Ónze hand is verheven,

het is niet de HEERE Die dit alles gedaan heeft.

28Want zij zijn een volk dat door raadgevingen verloren gaat,

er is geen inzicht bij hen.

29Waren zij maar wijs, dan zouden zij dit opmerken.

Zij zouden op hun einde letten.

30Hoe zou één man er duizend kunnen achtervolgen,

en twee mannen er tienduizend laten vluchten,

tenzij hun Rots hen verkocht

en de HEERE hen uitleverde?

31Want hun rots is niet zoals onze Rots,

zelfs onze vijanden kunnen hierover oordelen.32:31 kunnen … oordelen - Letterlijk: zijn rechters.

32Want hun wijnstok is uit de wijnstok van Sodom

en uit de velden van Gomorra;

hun druiven zijn giftige druiven,

bittere trossen hebben zij.

33Hun wijn is slangenvergif,

en een venijnig gif van adders.

34Is dat niet bij Mij opgeborgen,

verzegeld in Mijn schatkamers?

35

32:35
Rom. 12:19
Hebr. 10:30
1 Petr. 2:23
Aan Mij komt de wraak en de vergelding toe,

op het tijdstip dat hun voet wankelt.

Voorzeker, de dag van hun ondergang is dichtbij,

en spoedig komen de dingen die hen te wachten staan.

36Want de HEERE zal Zijn volk recht verschaffen,

Hij zal berouw hebben over Zijn dienaren.

Want Hij zal zien dat hun kracht is vergaan,

en dat het met de gebondene en de vrije gedaan is.

37Dan zal Hij zeggen: Waar zijn nu hun goden,

de rots tot wie zij de toevlucht namen,

38van wie zij het vet van de offers aten,

van wie zij de wijn van de plengoffers dronken?

Laten zij opstaan en u helpen,

laat daar een schuilplaats voor u zijn.

39Zie nu in dat Ik, Ik Die ben,

er is

32:39
Deut. 4:35
Jes. 45:5,18,22
geen God naast Mij.

Ík

32:39
1 Sam. 2:6
dood en Ik maak levend,

Ik verwond en Ík genees

en er is niemand die uit Mijn hand redt!

40Want Ik hef Mijn hand op naar de hemel

en zeg: Zo waar Ik in eeuwigheid leef:

41Als Ik Mijn glinsterend zwaard wet,

Mijn hand het grijpt voor het oordeel,

zal Ik de wraak laten terugkomen op Mijn tegenstanders,

en het hun die Mij haten, vergelden.

42Ik zal Mijn pijlen dronken maken van bloed,

en Mijn zwaard zal vlees eten

van het bloed van de gesneuvelde en de gevangene,

van het hoofd van de vijand met zijn loshangende haar.

43

32:43
Rom. 15:10
Juich, heidenen, met Zijn volk!

Want Hij zal het bloed van Zijn dienaren wreken.

Hij zal de wraak laten terugkomen op Zijn tegenstanders,

en Zijn land en Zijn volk verzoenen!

44En Mozes kwam en sprak al de woorden van dit lied ten aanhoren van het volk, hij en Hosea, de zoon van Nun.

45Toen Mozes geëindigd had al die woorden tot heel Israël te spreken,

46zei hij tegen hen: Neem al de woorden waarmee ik u heden waarschuw, ter harte, zodat u uw kinderen gebiedt al de woorden van deze wet nauwlettend te houden.

47Want het is geen woord zonder inhoud voor u, maar het is uw leven. En door dit woord zult u de dagen verlengen in het land waarvoor u de Jordaan oversteekt om het in bezit te nemen.

48Vervolgens sprak de HEERE tot Mozes, op diezelfde dag:

49

32:49
Num. 27:12
Beklim het Abarimgebergte, dat is de berg Nebo, die in het land van Moab ligt en die zich tegenover Jericho bevindt, en zie het land Kanaän, dat Ik aan de Israëlieten in bezit geef.

50En sterf dan op de berg die u beklimmen zult, en word verenigd met uw voorgeslacht, zoals uw

32:50
Num. 27:13
33:38
broer Aäron gestorven is op de berg Hor en met zijn voorgeslacht verenigd is.

51Daarom, omdat u Mij

32:51
Num. 20:12
ontrouw bent geweest te midden van de Israëlieten, bij het water van de twist van Kades, in de woestijn Zin, omdat u Mij niet geheiligd hebt te midden van de Israëlieten.

52Want van een afstand zult u het land zien, maar er binnengaan, in het land dat Ik de Israëlieten geef, dat mag u niet.

33

Mozes zegent de twaalf stammen

331Dit nu is de zegen waarmee Mozes, de man Gods, de Israëlieten gezegend heeft, vóór zijn dood.

2Hij zei:

De HEERE is van Sinaï gekomen,

als de zon kwam Hij uit Seïr op.

Hij verscheen blinkend vanaf het gebergte Paran,

Hij kwam met tienduizenden heiligen,

aan Zijn rechterhand was een vurige wet voor hen.

3Ja, Hij heeft de volken lief!

Al Zijn heiligen zijn in Uw hand,

Zíj zitten aan Uw voeten

en vangen iets op van Uw woorden.

4Mozes gebood ons de wet,

het erfelijk bezit van de gemeente van Jakob.

5Hij was Koning in Jesjurun,

toen de hoofden van het volk zich verzamelden,

samen met de stammen van Israël.

6Moge Ruben leven en niet sterven,

en mogen zijn mannen groot in aantal zijn!

7Dit betreft Juda; hij zei:

Luister, HEERE, naar de stem van Juda!

Breng hem terug bij zijn volk,

laten zijn handen sterk genoeg voor hem zijn,

en wees hem een hulp tegen zijn tegenstanders!

8Over Levi zei hij:

Uw Tummim en Uw Urim zijn bij deze man, Uw gunsteling;

U stelde hem op de proef in Massa,

U riep hem ter verantwoording bij de wateren van Meriba.

9Hij zei over zijn vader en moeder:

Ik zie hen33:9 hen - Hebreeuws: hem. niet.

Hij herkende zijn broers niet,

en zijn zonen kende hij niet.

Zij hielden namelijk Uw woord,

en namen Uw verbond in acht.

10Zij zullen Jakob Uw bepalingen leren

en Israël Uw wet,

zij zullen reukwerk voor Uw neus leggen,

en een offer dat geheel verteerd wordt op Uw altaar.

11Zegen zijn vermogen, HEERE,

en wees het werk van zijn handen goedgezind;

verbrijzel de heupen van wie tegen hem opstaan,

en van hen die hem haten, zodat zij niet meer opstaan!

12Over Benjamin zei hij:

De door de HEERE beminde, hij zal onbezorgd bij Hem wonen.

Hij zal hem heel de dag beschermen,

en tussen zijn schouders zal Hij wonen!

13Over Jozef zei hij:

Moge

33:13
Gen. 49:25
zijn land door de HEERE gezegend zijn,

met het beste van de hemel, met dauw,

en met het beste van de watervloed die beneden ligt;

14met de beste opbrengst van de zon,

en met het beste wat de maan voortbrengt;

15met het voornaamste van de aloude bergen,

en met het beste van de eeuwige heuvels;

16met het beste van de aarde en haar volheid,

en met de goedgunstigheid van Hem Die in de doornstruik woonde.

Laat het komen op het hoofd van Jozef,

ja, op de schedel van de

33:16
Gen. 49:26
gewijde onder zijn broers!

17Hij heeft de pracht van de eerstgeborene van zijn rund,

en zijn hoorns zijn hoorns van de wilde os;

daarmee zal hij volken stoten, allemaal,

tot aan de einden der aarde.

Dit zijn de tienduizenden van Efraïm,

en dit zijn de duizenden van Manasse!

18Over Zebulon zei hij:

Verblijd u, Zebulon, over uw uittocht,

en u, Issaschar, over uw tenten.

19Volken zullen zij naar de berg roepen.

Daar zullen zij offers van gerechtigheid brengen,

want zij zullen de overvloed van de zeeën opzuigen,

en de dingen die onder het zand bedekt en verborgen zijn.

20Over Gad zei hij:

Gezegend is Hij Die ruimte geeft aan Gad!

Gad woont als een leeuwin

en verscheurt de arm, ja zelfs de schedel.

21Hij heeft zich van het beste voorzien,

omdat daar het deel van de wetgever voor hem weggelegd was;

hij kwam met de hoofden van het volk,

hij voerde het recht van de HEERE uit,

en Zijn bepalingen, samen met Israël.

22Over Dan zei hij:

Dan is een leeuwenwelp,

hij springt uit Basan tevoorschijn.

23Over Naftali zei hij:

Naftali, wees verzadigd met goedgunstigheid,

en vol van de zegen van de HEERE;

neem het westen en het zuiden in bezit.

24Over Aser zei hij:

Moge Aser gezegend zijn met zonen;

laten zijn broers hem goedgezind zijn

en hij zijn voet in olie dompelen.

25Uw grendels zullen van ijzer en brons zijn;

laat uw kracht zijn overeenkomstig uw dagen!

26Niemand is er als God, Jesjurun!

Hij rijdt op de hemel om u te helpen,

en in Zijn majesteit op de wolken.

27De eeuwige God is voor u een woning,

en onder u zijn eeuwige armen.

Hij verdrijft de vijand voor u uit,

en zegt: Vaag hem weg!

28

33:28
Jer. 23:6
33:16
Israël zal veilig wonen en alleen;

het oog van Jakob zal gericht zijn

op een land van koren en nieuwe wijn;

ja, zijn hemel zal dauw laten neerdruppelen.

29Welzalig bent u, Israël! Wie is zoals u?

U bent een volk dat door de HEERE verlost is.

Hij is een schild en een hulp voor u,

Hij is uw majesteitelijke zwaard;

daarom zullen uw vijanden zich geveinsd aan u onderwerpen,

en ú zult hun hoogten betreden!

34

Het sterven van Mozes

341Toen beklom Mozes, vanuit de vlakten van Moab, de berg Nebo, de top van de Pisga, die recht tegenover Jericho ligt. En de HEERE

34:1
Deut. 3:27
liet hem heel het land zien: van Gilead tot Dan,

2heel Naftali, het land van Efraïm en Manasse, heel het land van Juda tot aan de zee in het westen,34:2 de zee in het westen - Letterlijk: de achterste zee.

3het Zuiderland, de vlakte van de vallei van Jericho, de palmstad, tot aan Zoar.

4En de HEERE zei tegen hem: Dit is het land waarvan Ik

34:4
Gen. 12:7
13:15
15:18
26:4
28:13
Abraham, Izak en Jakob gezworen heb: Aan uw nageslacht zal Ik het geven. Ik heb het u met uw eigen ogen laten zien, maar u mag daarheen niet oversteken.

5Zo stierf Mozes, de dienaar van de HEERE, daar in het land van Moab, overeenkomstig het woord van de HEERE.

6En Hij begroef hem in een dal in het land van Moab, tegenover Beth-Peor.

34:6
Judas vs.
En niemand weet waar zijn graf is, tot op deze dag.

7Mozes nu was honderdtwintig jaar oud toen hij stierf; zijn oog was niet dof geworden en zijn kracht was niet vervlogen.

8En de Israëlieten beweenden Mozes in de vlakten van Moab, dertig dagen lang; toen waren de dagen van het bewenen, van de rouw over Mozes, voorbij.

9Jozua nu, de zoon van Nun, was vol van de geest van wijsheid;

34:9
Num. 27:18
want Mozes had zijn handen op hem gelegd. Daarom luisterden de Israëlieten nu naar hém, en zij deden zoals de HEERE Mozes geboden had.

10En er is in Israël geen profeet meer opgestaan zoals Mozes, die de HEERE kende van aangezicht tot aangezicht,

11met al de tekenen en wonderen waarmee de HEERE hem gezonden had om die in het land Egypte te doen bij de farao, bij al zijn dienaren en bij heel zijn land;

12en met heel de sterke hand en met alle grote ontzagwekkende daden, die Mozes voor de ogen van heel Israël verrichtte.