Herziene Statenvertaling (HSV)
31

Jozua volgt Mozes op

311Daarop is Mozes deze woorden tot heel Israël gaan spreken,

2en hij zei tegen hen: Ik ben heden honderdtwintig jaar oud. Ik kan niet meer uitgaan of ingaan; bovendien heeft de HEERE tegen mij gezegd:

31:2
Num. 27:12
Deut. 3:26
U zult deze Jordaan niet oversteken.

3De HEERE, uw God, Hij zal voor u uit overtrekken. Hij zal deze volken van voor uw ogen wegvagen, en u zult hen uit hun bezit verdrijven.

31:3
Num. 27:18
Jozua zal voor u uit overtrekken, zoals de HEERE gesproken heeft.

4En de HEERE zal met hen doen zoals Hij met

31:4
Num. 21:24,33
Sihon en Og, koningen van de Amorieten, en met hun land gedaan heeft, die Hij weggevaagd heeft.

5Wanneer de HEERE hen aan u31:5 aan u - Letterlijk: voor uw aangezichten. gegeven heeft, moet u met hen doen overeenkomstig alle geboden

31:5
Deut. 7:1,2
die ik u gegeven heb.

6Wees sterk en moedig, wees niet bevreesd en schrik niet voor hen terug, want het is de HEERE, uw God, Die met u meegaat.

31:6
Joz. 1:5
Hebr. 13:5
Hij zal u niet loslaten en u niet verlaten.

7En Mozes riep Jozua en zei tegen hem voor de ogen van heel Israël: Wees sterk en moedig, want ú zult met dit volk het land binnengaan dat de HEERE hun vaderen gezworen heeft hun te geven; en ú zult het hun in erfbezit laten nemen.

8De HEERE nu is het Die voor u uit gaat. Hij zal met u zijn. Hij zal u niet loslaten en u niet verlaten.

31:8
Joz. 1:9
Wees niet bevreesd en wees niet ontsteld.

Voorschriften voor het bewaren en voorlezen van de wet

9En Mozes schreef deze wet op en gaf ze aan de priesters, de zonen van Levi, die de ark van het verbond van de HEERE droegen, en aan alle oudsten van Israël.

10En Mozes gebood hun: Na verloop van zeven jaar, op de vastgestelde tijd van het jaar van de kwijtschelding, op het Loofhuttenfeest,

11als heel Israël komt om te verschijnen voor het aangezicht van de HEERE, uw God, op de plaats die Hij zal uitkiezen, moet u deze wet ten aanhoren van heel Israël voorlezen.

12Roep het volk bijeen, de mannen, de vrouwen en de kleine kinderen, en de vreemdeling die binnen uw poorten is, om te horen, en om te leren de HEERE, uw God, te vrezen en alle woorden van deze wet nauwlettend te houden.

13Zodat hun kinderen die het niet weten, het ook horen, en leren de HEERE, uw God, te vrezen, al de dagen dat u leeft in het land waarvoor u de Jordaan oversteekt om het in bezit te nemen.

De afval van Israël aangekondigd

14De HEERE zei tegen Mozes: Zie, uw dagen zijn naderbij gekomen dat u zult sterven. Roep Jozua en ga staan in de tent van ontmoeting, dan zal Ik hem bevelen geven. Toen kwamen Mozes en Jozua en zij gingen staan in de tent van ontmoeting.

15Toen verscheen de HEERE in de tent, in de wolkkolom, en de wolkkolom stond boven de ingang van de tent.

16En de HEERE zei tegen Mozes: Zie, u gaat bij uw vaderen te ruste; en dit volk zal opstaan en als in hoererij achter de vreemde goden van het land waar het naartoe gaat, aan gaan, in het midden van dat land. Het zal Mij verlaten en Mijn verbond, dat Ik ermee gesloten heb, verbreken.

17Dan zal Mijn toorn op die dag tegen hen ontbranden. Ik zal hen verlaten en Mijn aangezicht voor hen verbergen, zodat zij opgegeten zullen worden; en veel verschrikkelijke dingen en noden zullen het volk treffen, zodat het op die dag zal zeggen: Hebben deze verschrikkelijke dingen mij niet getroffen omdat mijn God niet in ons31:17 ons - Letterlijk: mijn. midden is?

18Ik zal Mijn aangezicht op die dag zeker verbergen, vanwege al het kwaad dat het gedaan heeft, want het heeft zich tot andere goden gekeerd.

19En nu, schrijf voor u dit lied op en leer het de Israëlieten; leg het hun in de mond, opdat dit lied voor Mij een getuige is tegen de Israëlieten.

20Want Ik zal dit volk brengen in het land dat Ik zijn vaderen onder ede beloofd heb, een land dat overvloeit van melk en honing, en het zal eten en verzadigd en vet worden. Dan zal het zich tot andere goden wenden en hen dienen, en zij zullen Mij verwerpen en Mijn verbond verbreken.

21En het zal gebeuren, wanneer veel verschrikkelijke dingen en noden het volk getroffen hebben, dat dit lied dan voor zijn aangezicht als getuige zal antwoorden; want het zal niet vergeten worden of uit de mond van zijn nageslacht verdwijnen. Want Ik ken zijn overleggingen die het heden maakt, voordat Ik het breng in het land dat Ik hun onder ede beloofd heb.

22Mozes schreef op die dag dit lied en hij leerde het de Israëlieten.

23En Hij gebood Jozua, de zoon van Nun, en zei:

31:23
Joz. 1:6
Wees sterk en moedig, want ú zult de Israëlieten brengen in het land dat Ik hun onder ede beloofd heb; en Ík zal met u zijn.

24En het gebeurde, toen Mozes gereed was met het schrijven van de woorden van deze wet in een boek totdat zij voltooid waren,

25dat Mozes de Levieten, die de ark van het verbond van de HEERE droegen, gebood:

26Neem dit

31:26
2 Kon. 22:8
wetboek en leg het naast de ark van het verbond van de HEERE, uw God, zodat het daar is als getuige tegen u.

27Want ikzelf ken uw ongehoorzaamheid en uw halsstarrigheid. Zie, terwijl ik heden nog bij u in leven ben, bent u al opstandig geweest tegen de HEERE; hoeveel te meer na mijn dood!

28Roep alle oudsten van uw stammen en uw beambten bij mij samen. Ik zal deze woorden ten aanhoren van hen spreken en de hemel en de aarde tot getuige tegen hen nemen.

29Want ik weet dat u na mijn dood zeker op verderfelijke wijze zult handelen, en van de weg die ik u geboden heb, zult afwijken. Dan zal dit kwaad u in later tijd31:29 in later tijd - Letterlijk: aan het einde van de dagen. overkomen, wanneer u doet wat slecht is in de ogen van de HEERE om Hem door het werk van uw handen tot toorn te verwekken.

Het lied van Mozes

30Toen sprak Mozes ten aanhoren van heel de gemeente van Israël de woorden van dit lied, totdat ze voltooid waren:

32

321Hoor mij aan, hemel, dan zal ik spreken!

Laat de aarde de woorden van mijn mond horen.

2Laat mijn leer neerdruppelen als de regen,

laten mijn woorden stromen als de dauw,

als een zachte regen op het groen,

en als regendruppels op het gewas.

3Want ik zal de Naam van de HEERE uitroepen;

geef grootheid aan onze God!

4Hij is de rots, Wiens werk volmaakt is,

want al Zijn wegen zijn een en al recht.

God is waarheid en geen onrecht;

rechtvaardig en waarachtig is Hij.

5Zij hebben verderfelijk tegen Hem gehandeld;

het zijn Zijn kinderen niet. Een schandvlek!

Het is een slinkse en verdorven generatie.

6Doet u dit de HEERE aan,

dwaas en onwijs volk?

Is Hij niet uw Vader, Die u verworven heeft,

Die u gemaakt heeft en u stand heeft doen houden?

7Denk aan de dagen van vroeger tijd;

let op de jaren van generatie op generatie.

Vraag het uw vader, hij zal het u vertellen,

vraag het uw oudsten, zij zullen het u zeggen.

8Toen de Allerhoogste aan de volken het erfelijk bezit uitdeelde,

toen Hij Adams kinderen van elkaar scheidde,

heeft Hij het grondgebied van de volken vastgesteld

overeenkomstig het aantal Israëlieten.

9Want het deel van de HEERE is Zijn volk,

Jakob is het gebied dat Zijn eigendom is.

10Hij vond hem in een woestijngebied,

in een woeste, huilende wildernis.

Hij omringde hem, Hij onderwees hem,

Hij beschermde hem als Zijn oogappel.

11Zoals een arend zijn nest opwekt,

boven zijn jongen zweeft,

zijn vleugels uitspreidt, ze pakt

en ze draagt op zijn vlerken,

12zo heeft alleen de HEERE hem geleid,

er was geen vreemde god bij hem.

13Hij liet hem rijden op de hoogten van de aarde,

en hij at de opbrengsten van het veld.

Hij liet hem honing zuigen uit de rots,

en olie uit hard gesteente;

14boter van runderen, en melk van kleinvee,

samen met het vet van lammeren,

van rammen die in Basan weiden, en van bokken,

samen met het allerbeste32:14 het allerbeste - Letterlijk: het vet. van de tarwe,

en druivenbloed, goede wijn, hebt u gedronken.

15Maar toen Jesjurun vet werd, trapte hij achteruit

– u bent vet, u bent dik, u bent vetgemest –

toen verliet hij God, Die hem gemaakt heeft,

hij versmaadde de Rots van zijn heil.

16Zij hebben Hem tot na-ijver gebracht met vreemde goden,

met gruwelijke daden hebben zij Hem tot toorn verwekt.

17Zij hebben geofferd aan de demonen, niet aan God;

aan goden die zij niet kenden,

aan nieuwe goden, die kortgeleden gekomen zijn,

voor wie uw vaderen niet gehuiverd hebben.

18De Rots Die u verwekt heeft, hebt u veronachtzaamd,

en u hebt de God Die u gebaard heeft, vergeten.

19Toen de HEERE dat zag, verwierp Hij hen,

uit toorn tegen Zijn zonen en Zijn dochters.

20Hij zei: Ik zal Mijn aangezicht voor hen verbergen;

Ik zal zien wat hun einde is,

want zij zijn een totaal verdorven generatie,

kinderen in wie geen enkele trouw is.

21

32:21
Rom. 10:19
Zíj hebben Mij tot na-ijver gebracht met wat geen God is;

zij hebben Mij tot toorn verwekt door hun nietige afgoden.

Ík zal hen daarom jaloers maken door wat geen volk is,

door een dwaas volk zal Ik hen tot toorn verwekken.

22Want

32:22
Jer. 15:14
een vuur is aangestoken in Mijn toorn,

het zal branden tot onder in de hel,

het zal het land met zijn opbrengst verteren

en de fundamenten van de bergen in vlam zetten.

23Ik zal verschrikkelijke dingen over hen ophopen;

al Mijn pijlen schiet Ik op hen af.

24Uitgeteerd door honger, verteerd door pest

en bitter verderf zullen zij zijn;

tanden van wilde dieren zal Ik op hen afsturen,

met vurig vergif van slangen die in het stof kruipen.

25Buiten berooft het zwaard,

en binnenskamers de verschrikking,

zowel de jongen als het meisje,

de zuigeling samen met de grijsaard.

26Ik zei: Ik zal hen naar alle kanten verspreiden,

Ik zal de gedachtenis aan hen onder de stervelingen doen ophouden,

27ware het niet dat Ik beducht was voor de toorn van de vijand.

Hun tegenstanders zouden het verdraaien

en zeggen: Ónze hand is verheven,

het is niet de HEERE Die dit alles gedaan heeft.

28Want zij zijn een volk dat door raadgevingen verloren gaat,

er is geen inzicht bij hen.

29Waren zij maar wijs, dan zouden zij dit opmerken.

Zij zouden op hun einde letten.

30Hoe zou één man er duizend kunnen achtervolgen,

en twee mannen er tienduizend laten vluchten,

tenzij hun Rots hen verkocht

en de HEERE hen uitleverde?

31Want hun rots is niet zoals onze Rots,

zelfs onze vijanden kunnen hierover oordelen.32:31 kunnen … oordelen - Letterlijk: zijn rechters.

32Want hun wijnstok is uit de wijnstok van Sodom

en uit de velden van Gomorra;

hun druiven zijn giftige druiven,

bittere trossen hebben zij.

33Hun wijn is slangenvergif,

en een venijnig gif van adders.

34Is dat niet bij Mij opgeborgen,

verzegeld in Mijn schatkamers?

35

32:35
Rom. 12:19
Hebr. 10:30
1 Petr. 2:23
Aan Mij komt de wraak en de vergelding toe,

op het tijdstip dat hun voet wankelt.

Voorzeker, de dag van hun ondergang is dichtbij,

en spoedig komen de dingen die hen te wachten staan.

36Want de HEERE zal Zijn volk recht verschaffen,

Hij zal berouw hebben over Zijn dienaren.

Want Hij zal zien dat hun kracht is vergaan,

en dat het met de gebondene en de vrije gedaan is.

37Dan zal Hij zeggen: Waar zijn nu hun goden,

de rots tot wie zij de toevlucht namen,

38van wie zij het vet van de offers aten,

van wie zij de wijn van de plengoffers dronken?

Laten zij opstaan en u helpen,

laat daar een schuilplaats voor u zijn.

39Zie nu in dat Ik, Ik Die ben,

er is

32:39
Deut. 4:35
Jes. 45:5,18,22
geen God naast Mij.

Ík

32:39
1 Sam. 2:6
dood en Ik maak levend,

Ik verwond en Ík genees

en er is niemand die uit Mijn hand redt!

40Want Ik hef Mijn hand op naar de hemel

en zeg: Zo waar Ik in eeuwigheid leef:

41Als Ik Mijn glinsterend zwaard wet,

Mijn hand het grijpt voor het oordeel,

zal Ik de wraak laten terugkomen op Mijn tegenstanders,

en het hun die Mij haten, vergelden.

42Ik zal Mijn pijlen dronken maken van bloed,

en Mijn zwaard zal vlees eten

van het bloed van de gesneuvelde en de gevangene,

van het hoofd van de vijand met zijn loshangende haar.

43

32:43
Rom. 15:10
Juich, heidenen, met Zijn volk!

Want Hij zal het bloed van Zijn dienaren wreken.

Hij zal de wraak laten terugkomen op Zijn tegenstanders,

en Zijn land en Zijn volk verzoenen!

44En Mozes kwam en sprak al de woorden van dit lied ten aanhoren van het volk, hij en Hosea, de zoon van Nun.

45Toen Mozes geëindigd had al die woorden tot heel Israël te spreken,

46zei hij tegen hen: Neem al de woorden waarmee ik u heden waarschuw, ter harte, zodat u uw kinderen gebiedt al de woorden van deze wet nauwlettend te houden.

47Want het is geen woord zonder inhoud voor u, maar het is uw leven. En door dit woord zult u de dagen verlengen in het land waarvoor u de Jordaan oversteekt om het in bezit te nemen.

48Vervolgens sprak de HEERE tot Mozes, op diezelfde dag:

49

32:49
Num. 27:12
Beklim het Abarimgebergte, dat is de berg Nebo, die in het land van Moab ligt en die zich tegenover Jericho bevindt, en zie het land Kanaän, dat Ik aan de Israëlieten in bezit geef.

50En sterf dan op de berg die u beklimmen zult, en word verenigd met uw voorgeslacht, zoals uw

32:50
Num. 27:13
33:38
broer Aäron gestorven is op de berg Hor en met zijn voorgeslacht verenigd is.

51Daarom, omdat u Mij

32:51
Num. 20:12
ontrouw bent geweest te midden van de Israëlieten, bij het water van de twist van Kades, in de woestijn Zin, omdat u Mij niet geheiligd hebt te midden van de Israëlieten.

52Want van een afstand zult u het land zien, maar er binnengaan, in het land dat Ik de Israëlieten geef, dat mag u niet.

33

Mozes zegent de twaalf stammen

331Dit nu is de zegen waarmee Mozes, de man Gods, de Israëlieten gezegend heeft, vóór zijn dood.

2Hij zei:

De HEERE is van Sinaï gekomen,

als de zon kwam Hij uit Seïr op.

Hij verscheen blinkend vanaf het gebergte Paran,

Hij kwam met tienduizenden heiligen,

aan Zijn rechterhand was een vurige wet voor hen.

3Ja, Hij heeft de volken lief!

Al Zijn heiligen zijn in Uw hand,

Zíj zitten aan Uw voeten

en vangen iets op van Uw woorden.

4Mozes gebood ons de wet,

het erfelijk bezit van de gemeente van Jakob.

5Hij was Koning in Jesjurun,

toen de hoofden van het volk zich verzamelden,

samen met de stammen van Israël.

6Moge Ruben leven en niet sterven,

en mogen zijn mannen groot in aantal zijn!

7Dit betreft Juda; hij zei:

Luister, HEERE, naar de stem van Juda!

Breng hem terug bij zijn volk,

laten zijn handen sterk genoeg voor hem zijn,

en wees hem een hulp tegen zijn tegenstanders!

8Over Levi zei hij:

Uw Tummim en Uw Urim zijn bij deze man, Uw gunsteling;

U stelde hem op de proef in Massa,

U riep hem ter verantwoording bij de wateren van Meriba.

9Hij zei over zijn vader en moeder:

Ik zie hen33:9 hen - Hebreeuws: hem. niet.

Hij herkende zijn broers niet,

en zijn zonen kende hij niet.

Zij hielden namelijk Uw woord,

en namen Uw verbond in acht.

10Zij zullen Jakob Uw bepalingen leren

en Israël Uw wet,

zij zullen reukwerk voor Uw neus leggen,

en een offer dat geheel verteerd wordt op Uw altaar.

11Zegen zijn vermogen, HEERE,

en wees het werk van zijn handen goedgezind;

verbrijzel de heupen van wie tegen hem opstaan,

en van hen die hem haten, zodat zij niet meer opstaan!

12Over Benjamin zei hij:

De door de HEERE beminde, hij zal onbezorgd bij Hem wonen.

Hij zal hem heel de dag beschermen,

en tussen zijn schouders zal Hij wonen!

13Over Jozef zei hij:

Moge

33:13
Gen. 49:25
zijn land door de HEERE gezegend zijn,

met het beste van de hemel, met dauw,

en met het beste van de watervloed die beneden ligt;

14met de beste opbrengst van de zon,

en met het beste wat de maan voortbrengt;

15met het voornaamste van de aloude bergen,

en met het beste van de eeuwige heuvels;

16met het beste van de aarde en haar volheid,

en met de goedgunstigheid van Hem Die in de doornstruik woonde.

Laat het komen op het hoofd van Jozef,

ja, op de schedel van de

33:16
Gen. 49:26
gewijde onder zijn broers!

17Hij heeft de pracht van de eerstgeborene van zijn rund,

en zijn hoorns zijn hoorns van de wilde os;

daarmee zal hij volken stoten, allemaal,

tot aan de einden der aarde.

Dit zijn de tienduizenden van Efraïm,

en dit zijn de duizenden van Manasse!

18Over Zebulon zei hij:

Verblijd u, Zebulon, over uw uittocht,

en u, Issaschar, over uw tenten.

19Volken zullen zij naar de berg roepen.

Daar zullen zij offers van gerechtigheid brengen,

want zij zullen de overvloed van de zeeën opzuigen,

en de dingen die onder het zand bedekt en verborgen zijn.

20Over Gad zei hij:

Gezegend is Hij Die ruimte geeft aan Gad!

Gad woont als een leeuwin

en verscheurt de arm, ja zelfs de schedel.

21Hij heeft zich van het beste voorzien,

omdat daar het deel van de wetgever voor hem weggelegd was;

hij kwam met de hoofden van het volk,

hij voerde het recht van de HEERE uit,

en Zijn bepalingen, samen met Israël.

22Over Dan zei hij:

Dan is een leeuwenwelp,

hij springt uit Basan tevoorschijn.

23Over Naftali zei hij:

Naftali, wees verzadigd met goedgunstigheid,

en vol van de zegen van de HEERE;

neem het westen en het zuiden in bezit.

24Over Aser zei hij:

Moge Aser gezegend zijn met zonen;

laten zijn broers hem goedgezind zijn

en hij zijn voet in olie dompelen.

25Uw grendels zullen van ijzer en brons zijn;

laat uw kracht zijn overeenkomstig uw dagen!

26Niemand is er als God, Jesjurun!

Hij rijdt op de hemel om u te helpen,

en in Zijn majesteit op de wolken.

27De eeuwige God is voor u een woning,

en onder u zijn eeuwige armen.

Hij verdrijft de vijand voor u uit,

en zegt: Vaag hem weg!

28

33:28
Jer. 23:6
33:16
Israël zal veilig wonen en alleen;

het oog van Jakob zal gericht zijn

op een land van koren en nieuwe wijn;

ja, zijn hemel zal dauw laten neerdruppelen.

29Welzalig bent u, Israël! Wie is zoals u?

U bent een volk dat door de HEERE verlost is.

Hij is een schild en een hulp voor u,

Hij is uw majesteitelijke zwaard;

daarom zullen uw vijanden zich geveinsd aan u onderwerpen,

en ú zult hun hoogten betreden!

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]