Herziene Statenvertaling (HSV)
24

Over echtscheiding

241Wanneer een man een vrouw genomen heeft en met haar getrouwd is, en het gebeurt dat zij geen genade meer vindt in zijn ogen, omdat hij iets schandelijks aan haar gevonden heeft, en hij haar een

24:1
Matt. 5:31
19:7
Mark. 10:4
echtscheidingsbrief schrijft, die in haar hand geeft en haar uit zijn huis wegstuurt,

2en als zij dan uit zijn huis vertrekt, weggaat en de vrouw van een andere man wordt,

3en die laatste man ook een afkeer van haar krijgt, haar een echtscheidingsbrief schrijft, die in haar hand geeft en haar uit zijn huis wegstuurt, of als die laatste man, die haar voor zichzelf tot vrouw genomen heeft, sterft,

4dan mag haar eerste man, die haar heeft weggestuurd, haar niet terugnemen om hem tot vrouw te zijn, nu zij onrein geworden is; want dat is voor het aangezicht van de HEERE een gruwel. U mag geen zonde brengen over het land dat de HEERE, uw God, u als erfelijk bezit geeft.

Voorrecht van de pasgetrouwde

5Wanneer een man pas een

24:5
Deut. 20:7
vrouw24:5 pas een vrouw - Letterlijk: een nieuwe vrouw. genomen heeft, mag hij niet met het leger uittrekken, en mag men hem geen enkele verplichting opleggen. Een jaar lang zal hij vrij zijn ten behoeve van zijn huis zodat hij zijn vrouw, die hij genomen heeft, kan verblijden.

Verschillende voorschriften

6Men mag een handmolen of een bovenste molensteen niet in onderpand nemen, want dan neemt men een leven in onderpand.

7Wanneer er iemand ontdekt wordt die iemand van zijn broeders, een van de Israëlieten,

24:7
Ex. 21:16
ontvoert en hem als slaaf behandelt en hem verkoopt, dan moet de ontvoerder sterven. Zo moet u het kwaad uit uw midden wegdoen.

8Wees op uw hoede voor de ziekte van de melaatsheid door bijzonder nauwlettend te handelen overeenkomstig alles wat de Levitische priesters u leren. U moet nauwlettend handelen zoals

24:8
Lev. 13:2
ik hun geboden heb.

9Denk aan wat de HEERE, uw God, onderweg met

24:9
Num. 12:10
Mirjam gedaan heeft, toen u uit Egypte trok.

10Wanneer u aan uw naaste iets geleend hebt, dan mag u zijn huis niet binnengaan om zijn onderpand mee te nemen.

11U moet buiten blijven staan en de man aan wie u iets geleend hebt, moet het onderpand naar u toe brengen, naar buiten.

12En als het een arme man is, mag u niet in diens onderpand gaan slapen,

13maar u moet hem het onderpand zeker

24:13
Ex. 22:26
teruggeven als de zon ondergaat, zodat hij in zijn kleed kan gaan slapen, en hij u zegent. Dat zal u tot gerechtigheid zijn voor het aangezicht van de HEERE, uw God.

14U mag de arme en behoeftige dagloner, iemand van uw broeders of van de vreemdelingen die in uw land binnen uw poorten is, niet

24:14
Lev. 19:13
Jak. 5:4
onderdrukken.

15Op dezelfde dag moet u hem zijn loon geven; de zon mag er niet over ondergaan, want hij is arm en hij verlangt ernaar. Laat hij niet vanwege u de HEERE hoeven aanroepen, want dan zal er zonde in u zijn.

16De vaders mogen niet ter dood gebracht worden

24:16
2 Kon. 14:6
2 Kron. 25:4
Jer. 31:30
Ezech. 18:20
om de kinderen, en de kinderen mogen niet ter dood gebracht worden om de vaders. Ieder zal alleen om zijn eigen zonde ter dood gebracht worden.

Over weduwen, wezen en de vreemdeling

17U mag het recht van

24:17
Ex. 22:21,22
Spr. 22:22
Jes. 1:23
Jer. 5:28
22:3
Ezech. 22:29
Zach. 7:10
de vreemdeling en de wees niet buigen, en u mag het kleed van een weduwe niet in onderpand nemen,

18maar u moet eraan denken dat u slaaf geweest bent in Egypte, en dat de HEERE, uw God, u vandaar verlost heeft. Daarom gebied ik u dit te doen.

19Wanneer u de oogst op uw akker hebt

24:19
Lev. 19:9
23:22
binnengehaald, en u bent een schoof op de akker vergeten, dan mag u niet teruggaan om die op te halen. Hij is voor de vreemdeling, de wees en de weduwe. Dan zal de HEERE, uw God, u zegenen in al het werk van uw handen.

20Wanneer u uw olijven afslaat, mag u de takken daarna niet nauwkeurig afzoeken. Het is voor de vreemdeling, de wees en de weduwe.

21Wanneer u uw wijngaard leeggeplukt hebt, mag u hem daarna niet nauwkeurig nalopen. Het is voor de vreemdeling, de wees en de weduwe.

22U moet eraan denken dat u slaaf geweest bent in het land Egypte. Daarom gebied ik u dit te doen.

25

Over lijfstraffen

251Wanneer er tussen mannen onenigheid is en zij voor het gerecht komen en men over hen rechtspreekt, dan moet men de rechtvaardige rechtvaardig verklaren en de schuldige schuldig verklaren.

2En als de schuldige tot stokslagen is veroordeeld, moet het zijn dat de rechter hem op de grond laat leggen en hem voor zijn ogen de slagen laat geven die in aantal overeenkomen met zijn onrechtvaardige daad.

3

25:3
2 Kor. 11:24
Veertig slagen mag hij hem laten geven; hij mag er niets aan toevoegen, omdat uw broeder anders, als hij hem boven deze nog meer slagen zou laten geven, voor uw ogen verachtelijk zou worden.

4Een rund mag u

25:4
1 Kor. 9:9
1 Tim. 5:18
niet muilkorven als hij aan het dorsen is.

Het zwagerhuwelijk

5Wanneer broers bij elkaar wonen en een van hen sterft zonder dat hij een zoon heeft, dan mag de vrouw van de gestorvene niet de vrouw van een vreemde man buiten de familie worden.

25:5
Matt. 22:24
Mark. 12:19
Luk. 20:28
Haar zwager moet bij haar komen en haar voor zichzelf tot vrouw nemen, en zo zijn zwagerplicht tegenover haar vervullen.

6En het moet zijn dat het eerste kind dat zij baart, op naam van zijn gestorven broer zal staan, zodat diens naam niet uit Israël wordt uitgewist.

7Maar als deze man niet genegen is zijn schoonzuster tot vrouw te nemen, dan moet zijn schoonzuster naar de poort gaan, naar de oudsten, en zeggen:

25:7
Ruth 4:7
Mijn zwager weigert een naam voor zijn broer in Israël in stand te houden. Hij wil zijn zwagerplicht tegenover mij niet vervullen.

8Dan moeten de oudsten van zijn stad hem roepen en tot hem spreken; blijft hij bij zijn standpunt en zegt hij: Ik ben niet genegen haar tot vrouw te nemen,

9dan moet zijn schoonzuster voor de ogen van de oudsten naar hem toe gaan, zijn schoen van zijn voet trekken, hem in het gezicht spuwen, en daarbij het woord nemen en zeggen: Zo wordt met de man gedaan die het gezin van zijn broer niet wil bouwen.

10En zijn naam zal in Israël luiden: Het huis van hem bij wie de schoen is uitgetrokken.

11Wanneer mannen met elkaar vechten en de vrouw van de een naderbij komt om haar man te bevrijden uit de hand van degene die hem slaat, en zij haar hand uitsteekt en hem bij zijn geslachtsdelen grijpt,

12dan moet u haar hand afhakken. Laat uw oog haar niet ontzien!

Maten en gewichten

13U mag niet twee verschillende weegstenen25:13 twee verschillende weegstenen - Letterlijk: steen en steen; zie vers 14 voor een soortgelijke constructie. in uw zak hebben, een grote en een kleine.

14U mag in uw huis niet twee verschillende efa's25:14 Een efa is een korenmaat van vermoedelijk tussen de 20 en 45 liter; zie ook vers 15. hebben, een grote en een kleine.

15U moet een zuivere en rechtmatige weegsteen hebben, u moet een zuivere en rechtmatige efa hebben, opdat uw dagen verlengd worden in het land dat de HEERE, uw God, u geeft.

16Want iedereen die dat doet, iedereen die onrecht doet, is voor de HEERE, uw God,

25:16
Spr. 11:1
een gruwel.

Gebod om de Amalekieten uit te roeien

17Denk aan wat

25:17
Ex. 17:8,14
Amalek u onderweg aangedaan heeft, toen u uit Egypte wegtrok:

18hij ontmoette u onderweg en overviel bij u in de achterhoede alle zwakken achter u, terwijl u moe en uitgeput was; en hij vreesde God niet.

19Als de HEERE, uw God, u rust gegeven heeft van al uw vijanden van rondom, in het land dat de HEERE, uw God, u als erfelijk bezit geeft om dat in bezit te nemen, moet het zijn dat u de gedachtenis aan Amalek van onder de hemel uitwist. Vergeet het niet!

26

Offer van de eerstelingen

261En wanneer u in het land komt dat de HEERE, uw God, u als erfelijk bezit geeft, en u dat in bezit neemt en erin woont, moet het zijn

2dat u van de

26:2
Ex. 23:19
34:26
Lev. 2:14
23:10
Num. 15:17
eerstelingen neemt van alle vruchten van het land, die u binnenhaalt van uw land, dat de HEERE, uw God, u geeft; en u moet die in een korf leggen en naar de plaats gaan die de HEERE, uw God, zal uitkiezen om Zijn Naam daar te laten wonen.

3U moet naar de priester gaan die er in die dagen zal zijn, en tegen hem zeggen: Ik verklaar heden voor de HEERE, uw God, dat ik gekomen ben in het land dat de HEERE onze vaderen gezworen heeft ons te geven.

4Daarop zal de priester de korf uit uw hand nemen en die neerzetten voor het altaar van de HEERE, uw God.

5Dan moet u voor het aangezicht van de HEERE, uw God, betuigen en zeggen: Mijn vader was een verloren Syriër. Hij

26:5
Gen. 46:1
trok naar Egypte en verbleef daar als vreemdeling met weinig mensen, maar hij werd daar tot een groot, machtig en talrijk volk.

6Maar de Egyptenaren deden ons kwaad, onderdrukten ons en gaven ons harde slavenarbeid te verrichten.

7Toen riepen wij tot de HEERE, de God van onze vaderen; en de HEERE

26:7
Ex. 2:23
verhoorde onze stem en Hij zag onze ellende, onze moeite en onze onderdrukking.

8En de HEERE leidde ons uit Egypte, met een sterke hand, met een uitgestrekte arm, met grote ontzagwekkende daden, met tekenen en met wonderen.

9En Hij bracht ons naar deze plaats en gaf ons dit land, een land dat overvloeit van melk en honing.

10En nu, zie, ik heb de eerstelingen van de vruchten van het land dat U, HEERE, mij gegeven hebt, gebracht. Dan moet u ze neerzetten voor het aangezicht van de HEERE, uw God, en u neerbuigen voor het aangezicht van de HEERE, uw God,

11en u verblijden over al het goede dat de HEERE, uw God, aan u en uw gezin gegeven heeft; u, de Leviet, en de vreemdeling die in uw midden is.

Over de driejarige tienden

12Wanneer u in het derde jaar, het jaar van de tienden, gereed bent met het afstaan van

26:12
Lev. 27:30
Num. 18:24
alle tienden van uw opbrengst, dan moet u het geven aan de Leviet, de vreemdeling, de wees en de weduwe, zodat zij binnen uw poorten kunnen eten en verzadigd worden.

13U moet dan voor het aangezicht van de HEERE, uw God, zeggen: Ik heb het geheiligde uit mijn huis weggenomen en het ook gegeven aan de Leviet, en aan de vreemdeling, aan de wees en aan de weduwe,

26:13
Deut. 14:27
overeenkomstig al Uw geboden, die U mij geboden hebt; ik heb geen van Uw geboden overtreden en niets vergeten.

14Ik heb er niets van gegeten toen ik in rouw was, er niets van weggenomen toen ik onrein was en er niets van meegegeven aan een dode. Ik ben de stem van de HEERE, mijn God, gehoorzaam geweest, ik heb gedaan overeenkomstig alles wat U mij geboden hebt.

15Zie neer uit Uw heilige woning, uit de hemel, en zegen Uw volk Israël en het land dat U ons gegeven hebt, zoals U onze vaderen gezworen hebt, een land dat overvloeit van melk en honing.

16Op deze dag gebiedt de HEERE, uw God, u deze verordeningen en bepalingen te houden. U moet ze in acht nemen en houden met heel uw hart en met heel uw ziel.

17Heden

26:17
Gen. 17:7
hebt u de HEERE doen verklaren dat Hij u tot een God zal zijn, dat u in Zijn wegen zult gaan, dat u Zijn verordeningen, Zijn geboden en Zijn bepalingen in acht zult nemen, en dat u Zijn stem zult gehoorzamen.

18En de HEERE heeft u heden doen verklaren dat u voor Hem

26:18
Ex. 19:5
Deut. 7:6
14:2
een volk zult zijn dat Zijn persoonlijk eigendom26:18 Zijn persoonlijk eigendom - Letterlijk: een volk van eigendom. is, zoals Hij tot u gesproken heeft, en dat u al Zijn geboden in acht moet nemen,

19

26:19
Deut. 4:7
en dat Hij u een plaats zal geven, hoog boven alle volken die Hij gemaakt heeft, tot lof, tot een naam en tot sieraad; en dat u een heilig volk zult zijn voor de HEERE, uw God, zoals Hij gesproken heeft.