Herziene Statenvertaling (HSV)
18

Erfelijk bezit en het recht van de priesters

181De Levitische priesters, de hele stam Levi, mogen geen aandeel of erfbezit hebben samen met Israël;

18:1
Num. 18:20
Deut. 10:9
1 Kor. 9:13
de vuuroffers van de HEERE en Zijn erfelijk bezit mogen zij eten.

2Daarom mag hij geen erfelijk bezit hebben te midden van zijn broeders;

18:2
Num. 18:20Deut. 10:9
Ezech. 44:28
de HEERE, Die is zijn erfelijk bezit, zoals Hij tot hem gesproken heeft.

3Van de gaven van het volk, van hen die een offer brengen, hetzij een rund of kleinvee, is dit het deel waar de priesters recht op hebben: men moet de schouder, de beide kaken en de maag aan de priester geven.

4Ook de eerstelingen van uw koren, uw nieuwe wijn en uw olie, en de eerstelingen van de wol van uw kleinvee moet u hem geven,

5want hem heeft de HEERE, uw God, uit al uw stammen uitgekozen om in de Naam van de HEERE te staan en te dienen, hij en zijn zonen, alle dagen.

6Verder, wanneer er een Leviet komt, uit een van uw poorten in heel Israël, waar hij als vreemdeling verblijft, en hij naar het volle verlangen van zijn ziel naar de plaats komt die de HEERE zal uitkiezen,

7en hij daar dient in de Naam van de HEERE, zijn God, zoals al zijn broeders, de Levieten, die daar voor het aangezicht van de HEERE staan,

8dan moet hij een evenredig deel aan voedsel ontvangen,18:8 moet hij … aan voedsel ontvangen - Letterlijk: moeten zij een deel als een deel eten. ongeacht wat hij uit familiebezit verkocht heeft.18:8 wat hij … heeft - Letterlijk: naast zijn verkopingen bij de vaderen.

Verbod op occulte praktijken

9Wanneer u in het land komt dat de HEERE, uw God, u geeft, mag u niet leren handelen overeenkomstig de gruweldaden van die volken.

10Onder u mag niemand gevonden worden

18:10
Lev. 18:21
die zijn zoon of zijn dochter door het vuur laat gaan,
18:10
Lev. 20:27
1 Sam. 28:7
Jes. 8:19
die waarzeggerij pleegt, die wolken duidt of aan wichelarij doet, die een tovenaar is,

11die bezweringen doet, die een dodenbezweerder of een waarzegger raadpleegt, of die de doden raadpleegt.

12Want iedereen die zulke dingen doet, is een gruwel voor de HEERE. En vanwege deze gruweldaden verdrijft de HEERE, uw God, deze volken van voor uw ogen uit hun bezit.

13Oprecht moet u zijn tegenover de HEERE, uw God.

14Want deze volken, die ú uit hun bezit verdrijven zult, luisteren naar wolkenduiders en waarzeggers. Maar de HEERE, uw God, heeft dat ú niet toegestaan.

Belofte van de Profeet

15

18:15
Joh. 1:46
Hand. 3:22
7:37
Een Profeet uit uw midden, uit uw broeders, zoals ik, zal de HEERE, uw God, voor u doen opstaan; naar Hem moet u luisteren,

16overeenkomstig alles wat u van de HEERE, uw God, bij de Horeb gevraagd hebt, op de dag dat u daar bijeenkwam, toen u zei:

18:16
Ex. 20:19
Deut. 5:25
Hebr. 12:19
Ik wil de stem van de HEERE, mijn God, niet langer horen en dit grote vuur wil ik niet meer zien, anders zal ik sterven.

17Toen zei de HEERE tegen mij: Het is goed wat zij gesproken hebben.

18Ik zal een Profeet voor hen doen opstaan uit het midden van hun broeders, zoals u. Ik zal Mijn woorden in Zijn mond geven,

18:18
Joh. 4:25
en alles wat Ik Hem gebied, zal Hij tot hen spreken.

19En met de man die niet naar Mijn woorden luistert, die Hij in Mijn Naam spreekt, zal het zó zijn: Ík zal rekenschap van hem eisen.

20Maar

18:20
Deut. 13:5
Jer. 14:14
de profeet die overmoedig handelt door een woord in Mijn Naam te spreken dat Ik hem niet geboden heb te spreken, of die in de naam van andere goden spreekt, die profeet zal sterven.

21Wanneer u dan in uw hart zegt: Hoe kunnen wij het woord herkennen dat de HEERE niet gesproken heeft?

22Wanneer die profeet in de Naam van de HEERE spreekt, en het gebeurt niet en het komt niet uit, dan is dat een woord dat de HEERE niet gesproken heeft. In overmoed heeft die profeet dat gesproken; wees niet bevreesd voor hem.

19

Drie vrijsteden in Kanaän

191Wanneer de HEERE, uw God, de volken uitroeit waarvan de HEERE, uw God, u het land geeft, en u hun land in bezit neemt en in hun steden en in hun huizen woont,

2

19:2
Ex. 21:13
Num. 35:9Joz. 20:2
dan moet u voor uzelf drie steden afzonderen, in het midden van uw land, dat de HEERE, uw God, u geeft om dat in bezit te nemen.

3U moet de weg voor u gereedmaken, en het gebied van uw land, dat de HEERE, uw God, u in erfbezit zal laten nemen, in drieën verdelen. Dit moet gebeuren zodat iedereen die een doodslag begaan heeft, daarheen kan vluchten.

4Dit is de zaak die iemand betreft die een doodslag begaan heeft en daarheen vlucht om in leven te blijven:

19:4
Ex. 21:13
Deut. 4:41,42
iemand die zijn naaste niet met voorbedachten rade doodgeslagen heeft en die hij tevoren19:4 tevoren - Letterlijk: van gisteren en eergisteren; zie ook vers 6. niet haatte

5– bijvoorbeeld iemand die met zijn naaste het bos ingaat om hout te hakken, en hij maakt met zijn hand een zwaai met de bijl om een boom om te hakken, en het ijzer schiet van de steel en treft zijn naaste, zodat die sterft – die zal naar een van die steden vluchten en in leven blijven.

6Anders zou de bloedwreker degene die een doodslag begaan heeft, achtervolgen terwijl zijn hart verhit is, en, als de weg te lang zou zijn, zou hij hem inhalen en hem om het leven brengen, terwijl hij niet de doodstraf verdiend heeft, want hij haatte hem tevoren niet.

7Daarom gebied ik u: U moet voor uzelf drie steden afzonderen.

8En wanneer de HEERE, uw God, uw gebied ruim gemaakt heeft, zoals Hij uw vaderen gezworen heeft, en Hij u heel het land gegeven heeft dat Hij

19:8
Gen. 28:13
Deut. 12:20
gesproken heeft uw vaderen te zullen geven

9– als u heel dit gebod, dat ik u heden gebied, nauwlettend houdt, door de HEERE, uw God, lief te hebben en door alle dagen in Zijn wegen te gaan – dan moet u aan deze drie

19:9
Joz. 20:7
nog drie steden voor uzelf toevoegen,

10zodat er geen bloed van onschuldigen vergoten wordt in het midden van uw land, dat de HEERE, uw God, u als erfelijk bezit geeft. Anders zou er bloedschuld op u rusten.

11Maar

19:11
Gen. 9:6
Ex. 21:12,14
Lev. 24:17
Num. 35:16
als er iemand is die zijn naaste haat, een hinderlaag voor hem legt, hem aanvalt en om het leven brengt, zodat hij sterft, en dan naar een van die steden vlucht,

12dan moeten de oudsten van zijn stad boden sturen en hem vandaar meenemen, en zij moeten hem in de hand van de bloedwreker geven, zodat hij sterft.

13Laat uw oog hem niet ontzien, maar doe het bloed van de onschuldige uit Israël weg, opdat het u goed gaat.

Verbod op het verleggen van grenzen

14

19:14
Spr. 22:28
U mag de grenssteen van uw naaste, die de voorouders geplaatst hebben, niet verleggen in uw erfelijk bezit dat u ontvangt in het land dat de HEERE, uw God, u geeft om het in bezit te nemen.

Straf voor een vals getuigenis

15

19:15
Num. 35:30
Deut. 17:6
Matt. 18:16
Eén enkele getuige mag tegen niemand opstaan met betrekking tot enige ongerechtigheid of tot enige zonde, bij elke zonde die men ook zou kunnen doen.
19:15
Deut. 17:6
Joh. 8:17
2 Kor. 13:1
Hebr. 10:28
Op de verklaring van twee getuigen of op de verklaring van drie getuigen staat de zaak vast.

16Wanneer een misdadige getuige tegen iemand opstaat om hem aan te klagen wegens afvalligheid,

17dan moeten de twee mannen die dit geschil hebben, voor het aangezicht van de HEERE gaan staan, voor de ogen van de priesters en de rechters die er in die dagen zijn,

18en de rechters moeten de zaak goed onderzoeken. En zie, is de getuige een valse getuige, heeft hij vals getuigd tegen zijn broeder,

19

19:19
Spr. 19:5
dan moet u met hem doen zoals hij met zijn broeder dacht te doen. Zo moet u het kwaad uit uw midden wegdoen.

20Laten zij die overgebleven zijn, het horen en bevreesd zijn en een dergelijke wandaad niet meer in uw midden verrichten.

21Laat uw oog hem niet ontzien:

19:21
Ex. 21:23
Lev. 24:20
Matt. 5:38
leven voor leven, oog voor oog, tand voor tand, hand voor hand, voet voor voet.

20

Oorlogswetten

201Wanneer u ten strijde trekt tegen uw vijanden, en u ziet paarden en strijdwagens, een volk dat groter is dan u, wees dan niet bevreesd voor hen. Want de HEERE, uw God, Die u uit het land Egypte heeft geleid, is met u.

2En als u zich vlak voor de strijd bevindt, moet het zijn dat een priester naar voren komt om tot het volk te spreken.

3Hij moet tegen hen zeggen: Luister, Israël, heden bevindt u zich vlak voor de strijd tegen uw vijanden; laat uw hart niet week worden, wees niet bevreesd, beef niet en schrik niet voor hen terug,

4want het is de HEERE, uw God, Die met u meegaat, om voor u tegen uw vijanden te strijden om u te verlossen.

5Daarna zullen de beambten tot het volk spreken: Wie is de man die een nieuw huis heeft gebouwd en het nog niet in gebruik genomen heeft? Laat hij weggaan en naar zijn huis terugkeren, opdat hij niet in de strijd sterft en iemand anders het in gebruik neemt.

6En wie is de man die een wijngaard heeft geplant,

20:6
Lev. 19:23,24,25
maar de vrucht ervan nog niet gegeten heeft? Laat hij weggaan en naar zijn huis terugkeren, opdat hij niet in de strijd sterft en iemand anders die eet.

7En wie is de man die met

20:7
Deut. 24:5
een vrouw in ondertrouw is gegaan, maar haar nog niet tot vrouw genomen heeft? Laat hij weggaan en naar zijn huis terugkeren, opdat hij niet in de strijd sterft, en een andere man haar tot vrouw neemt.

8Daarna zullen de beambten opnieuw tegen het volk spreken, en zeggen:

20:8
Richt. 7:3
Wie is de man die bevreesd is, en week van hart? Laat hij weggaan en naar zijn huis terugkeren, opdat het hart van zijn broeders niet smelt, zoals zijn hart.

9En als de beambten geëindigd hebben tot het volk te spreken, moet het zijn dat zij legerbevelhebbers aan het hoofd van het volk aanstellen.

10Wanneer u een stad nadert om ertegen te strijden, moet u haar vrede aanbieden.20:10 aanbieden - Letterlijk: toeroepen.

11En als zij de vrede met u aanvaardt en de poorten voor u opent, moet het zijn dat heel het volk dat erin aangetroffen wordt, herendienst voor u verricht en u dient.

12Maar als ze geen vrede met u sluit, maar oorlog tegen u voert, dan moet u haar belegeren.

13En de HEERE, uw God, zal haar in uw hand geven. Vervolgens moet u al wie mannelijk is met de scherpte van het zwaard slaan.

14Alleen de vrouwen, de kleine kinderen, het vee en alles wat zich verder in de stad bevindt, al haar buit, mag u voor uzelf roven. U mag van de buit van uw vijanden, die de HEERE, uw God, u gegeven heeft, eten.

15Zo moet u met alle steden doen die heel ver bij u vandaan zijn, die niet bij de steden horen van deze volken hier.

16Maar van de steden van deze volken die de HEERE, uw God, u als erfelijk bezit geeft,

20:16
Num. 33:52
Deut. 7:1,2
mag u helemaal niets wat adem heeft, in leven laten.

17Voorzeker, u moet hen volledig met de ban slaan: de Hethieten, de Amorieten, de Kanaänieten, de Ferezieten, de Hevieten en de Jebusieten, zoals de HEERE, uw God, u geboden heeft,

18opdat zij u niet leren handelen overeenkomstig alle gruwelijke dingen die zij voor hun goden gedaan hebben, zodat u tegen de HEERE, uw God, zou zondigen.

19Wanneer u een stad vele dagen belegert en ertegen strijdt om haar in te nemen, dan moet u haar vruchtbomen niet te gronde richten door de bijl erin te slaan. U kunt er immers van eten; daarom mag u ze niet omhakken om ze een belegeringswal voor u te laten worden, want het geboomte van het veld is voedsel voor de mens.

20Maar de bomen waarvan u weet dat het geen vruchtbomen zijn, mag u te gronde richten en omhakken om een belegeringswal te bouwen tegen de stad die oorlog tegen u voert, totdat ze ten onder gaat.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]