Herziene Statenvertaling (HSV)
17

Doodstraf op afgoderij

171U mag aan de HEERE, uw God, geen rund of kleinvee offeren waaraan

17:1
Lev. 22:20Deut. 15:21
een gebrek is, wat voor slechts dan ook, want dat is voor de HEERE, uw God, een gruwel.

2

17:2
Deut. 13:6
Als in uw midden, binnen een van uw poorten die de HEERE, uw God, u geeft, een man of vrouw gevonden wordt die doet wat slecht is in de ogen van de HEERE, uw God, door Zijn verbond te overtreden,

3en als deze persoon andere goden gaat dienen en zich voor die neerbuigt, of voor de zon, de maan of heel het leger aan de hemel, wat ik niet geboden heb,

4en dat wordt u verteld en u hoort dat, dan moet u het goed onderzoeken. En zie, is het de waarheid, staat de zaak vast, is zo'n gruwelijke daad in Israël gedaan,

5dan moet u die man of die vrouw die deze wandaad verricht heeft, naar buiten brengen, naar uw poorten, die man of die vrouw, en u moet hen met stenen stenigen, zodat zij sterven.

6

17:6
Num. 35:30
Deut. 19:15
Matt. 18:16
2 Kor. 13:1
Hebr. 10:28
Op de verklaring van twee of drie getuigen moet hij die dient te sterven, gedood worden; hij mag niet gedood worden op de verklaring van slechts één getuige.

7

17:7
Deut. 13:9
Eerst moet de hand van de getuigen zich tegen hem keren om hem te doden, daarna de hand van heel het volk. Zo moet u het kwaad uit uw midden wegdoen.

Aanwijzingen voor de hoogste rechtspraak

8Als bij de rechtspraak een zaak

17:8
2 Kron. 19:10
Mal. 2:7
voor u te moeilijk is, bij geschilpunten binnen uw poorten met betrekking tot bloedvergieten, rechtsvordering of geweldpleging,17:8 bloedvergieten … geweldpleging - Letterlijk: tussen bloed en bloed, tussen rechtsvordering en rechtsvordering en tussen slag en slag. dan moet u opstaan en naar de plaats gaan die de HEERE, uw God, zal uitkiezen.

9Dan moet u naar de Levitische priesters gaan, en naar de rechter die er in die dagen is, en hen raadplegen. Zij zullen dan een gerechtelijke uitspraak voor u doen.

10En u moet handelen overeenkomstig de uitspraak die zij u bekendmaken, vanuit die plaats die de HEERE zal uitkiezen. U moet nauwlettend handelen overeenkomstig alles wat zij u leren.

11Overeenkomstig de wetsregel die zij u leren, en overeenkomstig het vonnis dat zij voor u uitspreken, moet u handelen. U mag van de uitspraak die zij u bekendmaken, niet afwijken, naar rechts of naar links.

12De man echter die overmoedig handelt, door niet te luisteren naar de priester die daar staat om de HEERE, uw God, te dienen, of naar de rechter, die man moet sterven. Zo moet u het kwaad uit Israël wegdoen.

13Laat heel het volk het horen en bevreesd zijn, en niet meer overmoedig zijn.

De koning en zijn plichten

14Wanneer u in het land komt dat de HEERE, uw God, u geeft, en u dat in bezit neemt en erin woont, en u dan zegt: Ik wil een koning over mij aanstellen, zoals al de volken die rondom mij zijn,

15dan moet u voorzeker hem tot koning over u aanstellen die de HEERE, uw God, verkiezen zal. Uit het midden van uw broeders moet u een koning over u aanstellen; u mag geen buitenlander over u zetten, die uw broeder niet is.

16Maar hij mag voor zichzelf niet veel paarden aanschaffen en het volk niet laten terugkeren naar Egypte om veel paarden aan te schaffen, omdat de HEERE tegen u gezegd heeft: U mag nooit meer langs deze weg terugkeren.

17Ook mag hij voor zichzelf niet veel vrouwen nemen, anders zal zijn hart afwijken. Hij mag voor zichzelf ook niet al te veel zilver en goud nemen.

18Verder moet het zijn, als hij op de troon van zijn koninkrijk zit, dat hij voor zichzelf op een boekrol een afschrift van deze wet schrijft, vanuit de rol die onder het toezicht van de Levitische priesters is.

19Dat moet bij hem zijn en hij moet er alle dagen van zijn leven in lezen om de HEERE, zijn God, te leren vrezen en om alle woorden van deze wet en deze verordeningen in acht te nemen door ze te houden,

20opdat zijn hart zich niet verheft boven zijn broeders, opdat hij niet afwijkt van het gebod, naar rechts of naar links en opdat hij zijn dagen verlengt in zijn koninkrijk, hij en zijn zonen, te midden van Israël.

18

Erfelijk bezit en het recht van de priesters

181De Levitische priesters, de hele stam Levi, mogen geen aandeel of erfbezit hebben samen met Israël;

18:1
Num. 18:20
Deut. 10:9
1 Kor. 9:13
de vuuroffers van de HEERE en Zijn erfelijk bezit mogen zij eten.

2Daarom mag hij geen erfelijk bezit hebben te midden van zijn broeders;

18:2
Num. 18:20Deut. 10:9
Ezech. 44:28
de HEERE, Die is zijn erfelijk bezit, zoals Hij tot hem gesproken heeft.

3Van de gaven van het volk, van hen die een offer brengen, hetzij een rund of kleinvee, is dit het deel waar de priesters recht op hebben: men moet de schouder, de beide kaken en de maag aan de priester geven.

4Ook de eerstelingen van uw koren, uw nieuwe wijn en uw olie, en de eerstelingen van de wol van uw kleinvee moet u hem geven,

5want hem heeft de HEERE, uw God, uit al uw stammen uitgekozen om in de Naam van de HEERE te staan en te dienen, hij en zijn zonen, alle dagen.

6Verder, wanneer er een Leviet komt, uit een van uw poorten in heel Israël, waar hij als vreemdeling verblijft, en hij naar het volle verlangen van zijn ziel naar de plaats komt die de HEERE zal uitkiezen,

7en hij daar dient in de Naam van de HEERE, zijn God, zoals al zijn broeders, de Levieten, die daar voor het aangezicht van de HEERE staan,

8dan moet hij een evenredig deel aan voedsel ontvangen,18:8 moet hij … aan voedsel ontvangen - Letterlijk: moeten zij een deel als een deel eten. ongeacht wat hij uit familiebezit verkocht heeft.18:8 wat hij … heeft - Letterlijk: naast zijn verkopingen bij de vaderen.

Verbod op occulte praktijken

9Wanneer u in het land komt dat de HEERE, uw God, u geeft, mag u niet leren handelen overeenkomstig de gruweldaden van die volken.

10Onder u mag niemand gevonden worden

18:10
Lev. 18:21
die zijn zoon of zijn dochter door het vuur laat gaan,
18:10
Lev. 20:27
1 Sam. 28:7
Jes. 8:19
die waarzeggerij pleegt, die wolken duidt of aan wichelarij doet, die een tovenaar is,

11die bezweringen doet, die een dodenbezweerder of een waarzegger raadpleegt, of die de doden raadpleegt.

12Want iedereen die zulke dingen doet, is een gruwel voor de HEERE. En vanwege deze gruweldaden verdrijft de HEERE, uw God, deze volken van voor uw ogen uit hun bezit.

13Oprecht moet u zijn tegenover de HEERE, uw God.

14Want deze volken, die ú uit hun bezit verdrijven zult, luisteren naar wolkenduiders en waarzeggers. Maar de HEERE, uw God, heeft dat ú niet toegestaan.

Belofte van de Profeet

15

18:15
Joh. 1:46
Hand. 3:22
7:37
Een Profeet uit uw midden, uit uw broeders, zoals ik, zal de HEERE, uw God, voor u doen opstaan; naar Hem moet u luisteren,

16overeenkomstig alles wat u van de HEERE, uw God, bij de Horeb gevraagd hebt, op de dag dat u daar bijeenkwam, toen u zei:

18:16
Ex. 20:19
Deut. 5:25
Hebr. 12:19
Ik wil de stem van de HEERE, mijn God, niet langer horen en dit grote vuur wil ik niet meer zien, anders zal ik sterven.

17Toen zei de HEERE tegen mij: Het is goed wat zij gesproken hebben.

18Ik zal een Profeet voor hen doen opstaan uit het midden van hun broeders, zoals u. Ik zal Mijn woorden in Zijn mond geven,

18:18
Joh. 4:25
en alles wat Ik Hem gebied, zal Hij tot hen spreken.

19En met de man die niet naar Mijn woorden luistert, die Hij in Mijn Naam spreekt, zal het zó zijn: Ík zal rekenschap van hem eisen.

20Maar

18:20
Deut. 13:5
Jer. 14:14
de profeet die overmoedig handelt door een woord in Mijn Naam te spreken dat Ik hem niet geboden heb te spreken, of die in de naam van andere goden spreekt, die profeet zal sterven.

21Wanneer u dan in uw hart zegt: Hoe kunnen wij het woord herkennen dat de HEERE niet gesproken heeft?

22Wanneer die profeet in de Naam van de HEERE spreekt, en het gebeurt niet en het komt niet uit, dan is dat een woord dat de HEERE niet gesproken heeft. In overmoed heeft die profeet dat gesproken; wees niet bevreesd voor hem.

19

Drie vrijsteden in Kanaän

191Wanneer de HEERE, uw God, de volken uitroeit waarvan de HEERE, uw God, u het land geeft, en u hun land in bezit neemt en in hun steden en in hun huizen woont,

2

19:2
Ex. 21:13
Num. 35:9Joz. 20:2
dan moet u voor uzelf drie steden afzonderen, in het midden van uw land, dat de HEERE, uw God, u geeft om dat in bezit te nemen.

3U moet de weg voor u gereedmaken, en het gebied van uw land, dat de HEERE, uw God, u in erfbezit zal laten nemen, in drieën verdelen. Dit moet gebeuren zodat iedereen die een doodslag begaan heeft, daarheen kan vluchten.

4Dit is de zaak die iemand betreft die een doodslag begaan heeft en daarheen vlucht om in leven te blijven:

19:4
Ex. 21:13
Deut. 4:41,42
iemand die zijn naaste niet met voorbedachten rade doodgeslagen heeft en die hij tevoren19:4 tevoren - Letterlijk: van gisteren en eergisteren; zie ook vers 6. niet haatte

5– bijvoorbeeld iemand die met zijn naaste het bos ingaat om hout te hakken, en hij maakt met zijn hand een zwaai met de bijl om een boom om te hakken, en het ijzer schiet van de steel en treft zijn naaste, zodat die sterft – die zal naar een van die steden vluchten en in leven blijven.

6Anders zou de bloedwreker degene die een doodslag begaan heeft, achtervolgen terwijl zijn hart verhit is, en, als de weg te lang zou zijn, zou hij hem inhalen en hem om het leven brengen, terwijl hij niet de doodstraf verdiend heeft, want hij haatte hem tevoren niet.

7Daarom gebied ik u: U moet voor uzelf drie steden afzonderen.

8En wanneer de HEERE, uw God, uw gebied ruim gemaakt heeft, zoals Hij uw vaderen gezworen heeft, en Hij u heel het land gegeven heeft dat Hij

19:8
Gen. 28:13
Deut. 12:20
gesproken heeft uw vaderen te zullen geven

9– als u heel dit gebod, dat ik u heden gebied, nauwlettend houdt, door de HEERE, uw God, lief te hebben en door alle dagen in Zijn wegen te gaan – dan moet u aan deze drie

19:9
Joz. 20:7
nog drie steden voor uzelf toevoegen,

10zodat er geen bloed van onschuldigen vergoten wordt in het midden van uw land, dat de HEERE, uw God, u als erfelijk bezit geeft. Anders zou er bloedschuld op u rusten.

11Maar

19:11
Gen. 9:6
Ex. 21:12,14
Lev. 24:17
Num. 35:16
als er iemand is die zijn naaste haat, een hinderlaag voor hem legt, hem aanvalt en om het leven brengt, zodat hij sterft, en dan naar een van die steden vlucht,

12dan moeten de oudsten van zijn stad boden sturen en hem vandaar meenemen, en zij moeten hem in de hand van de bloedwreker geven, zodat hij sterft.

13Laat uw oog hem niet ontzien, maar doe het bloed van de onschuldige uit Israël weg, opdat het u goed gaat.

Verbod op het verleggen van grenzen

14

19:14
Spr. 22:28
U mag de grenssteen van uw naaste, die de voorouders geplaatst hebben, niet verleggen in uw erfelijk bezit dat u ontvangt in het land dat de HEERE, uw God, u geeft om het in bezit te nemen.

Straf voor een vals getuigenis

15

19:15
Num. 35:30
Deut. 17:6
Matt. 18:16
Eén enkele getuige mag tegen niemand opstaan met betrekking tot enige ongerechtigheid of tot enige zonde, bij elke zonde die men ook zou kunnen doen.
19:15
Deut. 17:6
Joh. 8:17
2 Kor. 13:1
Hebr. 10:28
Op de verklaring van twee getuigen of op de verklaring van drie getuigen staat de zaak vast.

16Wanneer een misdadige getuige tegen iemand opstaat om hem aan te klagen wegens afvalligheid,

17dan moeten de twee mannen die dit geschil hebben, voor het aangezicht van de HEERE gaan staan, voor de ogen van de priesters en de rechters die er in die dagen zijn,

18en de rechters moeten de zaak goed onderzoeken. En zie, is de getuige een valse getuige, heeft hij vals getuigd tegen zijn broeder,

19

19:19
Spr. 19:5
dan moet u met hem doen zoals hij met zijn broeder dacht te doen. Zo moet u het kwaad uit uw midden wegdoen.

20Laten zij die overgebleven zijn, het horen en bevreesd zijn en een dergelijke wandaad niet meer in uw midden verrichten.

21Laat uw oog hem niet ontzien:

19:21
Ex. 21:23
Lev. 24:20
Matt. 5:38
leven voor leven, oog voor oog, tand voor tand, hand voor hand, voet voor voet.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]