Herziene Statenvertaling (HSV)
15

Over het jaar van kwijtschelding

151Na verloop van

15:1
Ex. 21:2
Jer. 34:14
zeven jaar moet u kwijtschelding verlenen.

2Dit nu is wat de kwijtschelding inhoudt: iedere schuldeiser die iets aan zijn naaste geleend heeft, moet hem dat kwijtschelden. Hij mag van zijn naaste of zijn broeder geen betaling eisen, aangezien men een kwijtschelding heeft uitgeroepen voor de HEERE.

3Van een buitenlander mag u betaling eisen, maar wat er van u bij uw broeder is, moet u15:3 u - Letterlijk: uw hand. kwijtschelden.

4Overigens hoeft er onder u geen arme te zijn, want de HEERE zal u overvloedig zegenen in het land dat de HEERE, uw God, u als erfelijk bezit geeft om dat in bezit te nemen,

5als u tenminste de stem van de HEERE, uw God, nauwgezet gehoorzaamt, door al deze geboden die ik u heden gebied, nauwlettend in acht te nemen.

6Wanneer de HEERE, uw God, u gezegend heeft, zoals Hij tot u gesproken heeft, dan

15:6
Deut. 28:12
zult u aan vele volken leningen verstrekken, maar zelf zult u niets hoeven te lenen; en u zult over vele volken heersen, maar over u zullen zij niet heersen.

7Maar als er onder u een arme zal zijn, iemand uit uw broeders, binnen een van uw poorten, in uw land, dat de HEERE, uw God, u geven zal, dan mag u uw hart niet verstokken, of uw hand sluiten voor uw broeder die arm is.

8Integendeel, u moet uw hand wijd voor hem opendoen en hem overvloedig lenen, genoeg voor wat hem ontbreekt.

9Wees op uw hoede dat niet de verderfelijke gedachte in uw hart opkomt dat het zevende jaar, het jaar van de kwijtschelding, naderbij komt – waardoor u uw broeder die arm is niets gunt15:9 waardoor … niets gunt - Letterlijk: en uw oog boos wordt jegens uw broeder die arm is. en hem niets geeft, en hij over u tot de HEERE roept en er zonde in u is.

10

15:10
Matt. 5:42
Luk. 6:35
U moet hem overvloedig geven, en laat uw hart niet verdrietig zijn als u hem geeft. Want vanwege deze zaak zal de HEERE, uw God, u zegenen in al uw werk en in alles wat u ter hand neemt.

11Want

15:11
Matt. 26:11
Joh. 12:8
armen zullen binnen uw land nooit ontbreken. Daarom gebied ik u: U moet uw hand wijd opendoen voor uw broeder, de onderdrukte en de arme15:11 de onderdrukte en de arme - Letterlijk: uw onderdrukte en uw arme. in uw land.

12

15:12
Ex. 21:2
Jer. 34:14
Als uw broeder, een Hebreeuwse man of Hebreeuwse vrouw, aan u verkocht is, dan zal hij u zes jaar dienen; maar in het zevende jaar moet u hem vrij van u laten weggaan.

13En als u hem vrij van u laat weggaan, mag u hem niet met lege handen laten gaan.

14U moet hem overvloedig geven van uw kleinvee, uw dorsvloer en uw perskuip; van dat waarmee de HEERE, uw God, u gezegend heeft, moet u hem geven.

15En u moet bedenken dat u een slaaf geweest bent in het land Egypte, en dat de HEERE, uw God, u verlost heeft; daarom gebied ik u heden deze zaak.

16Maar het moet zijn, als hij tegen u zegt: Ik wil niet bij u weggaan, omdat hij u en uw gezin liefheeft, omdat hij het goed bij u heeft,

17dat u

15:17
Ex. 21:6
een priem neemt en die door zijn oor en in de deur steekt; dan zal hij voor altijd uw slaaf zijn. Ook bij uw slavin moet u zo doen.

18Laat het niet moeilijk zijn in uw ogen als u hem vrij van u laat weggaan, want hij heeft u zes jaar dubbel zoveel opgeleverd als een dagloner.15:18 want hij … een dagloner - Letterlijk: want hij is een dubbelloons dagloner. Dan zal de HEERE, uw God, u zegenen in alles wat u doet.

Heiliging van de eerstgeborenen van het vee

19

15:19
Ex. 13:2
22:29
34:19
Lev. 27:26
Num. 3:13
Alle mannelijke eerstgeborenen die bij uw runderen en uw kleinvee geboren worden, moet u voor de HEERE, uw God, heiligen. U mag met de eerstgeborene van uw rund geen arbeid verrichten, en de eerstgeborene van uw kleinvee mag u niet scheren.

20Voor het aangezicht van de HEERE, uw God, moet u het eten, u en uw gezin, jaar op jaar, op de plaats die de HEERE zal uitkiezen.

21

15:21
Lev. 22:20
Deut. 17:1
Maar als er een gebrek aan is, als het mank is of blind, of als het enig ernstig gebrek heeft, mag u het niet aan de HEERE, uw God, offeren.

22Binnen uw poorten mag u het eten, of u nu onrein bent of rein, net als bij een gazelle en een hert.

23

15:23
Deut. 12:16,23
Alleen zijn bloed mag u niet eten; u moet het als water over de aarde uitgieten.

16

Het vieren van de grote feesten

161Neem de maand Abib in acht en houd het

16:1
Ex. 12:2
Lev. 23:5
Num. 9:1
28:16
Pascha voor de HEERE, uw God, want in de maand Abib heeft de HEERE, uw God, u in de nacht uit Egypte geleid.

2Dan moet u voor de HEERE, uw God, het paaslam slachten, kleinvee en runderen, op de plaats die de HEERE zal uitkiezen om Zijn Naam daar te laten wonen.

3U mag er

16:3
Ex. 12:19
34:18
niets wat gezuurd is bij eten. Zeven dagen moet u er ongezuurd brood bij eten, brood van de ellende – want met haast bent u uit het land Egypte vertrokken – om de dag te gedenken dat u uit het land Egypte trok, alle dagen van uw leven.

4Er mag bij u zeven dagen lang geen zuurdeeg gezien worden, in heel uw gebied; en

16:4
Ex. 12:10
van het vlees dat u op de avond van de eerste dag slacht, mag niets tot de morgen overblijven.

5U mag het paaslam niet slachten binnen een van uw poorten die de HEERE, uw God, u geeft.

6Maar op de plaats die de HEERE, uw God, zal uitkiezen om Zijn Naam daar te laten wonen, daar moet u het paaslam slachten, in de avond, als de zon ondergaat, op het tijdstip dat u uit Egypte trok.

7Dan moet u het koken en eten op de plaats die de HEERE, uw God, zal uitkiezen. Daarna, in de morgen, moet u zich omkeren en teruggaan naar uw tenten.

8Zes dagen moet u ongezuurde broden eten. Op de zevende dag is er een bijzondere samenkomst voor de HEERE, uw God; dan mag u geen werk doen.

9

16:9
Ex. 23:16
Lev. 23:15
Num. 28:26
Zeven weken moet u voor uzelf aftellen. U moet de zeven weken beginnen te tellen vanaf het moment dat men met de sikkel begint te oogsten in het staande koren.

10Daarna moet u het Wekenfeest houden voor de HEERE, uw God. Wat u geven moet, is een vrijwillige gave van uw hand, naar de mate waarin de HEERE, uw God, u zegent.

11En u moet u verblijden voor het aangezicht van de HEERE, uw God, u, uw zoon en uw dochter, uw slaaf en uw slavin, de Leviet die binnen uw poorten is, en de vreemdeling, de wees en de weduwe die in uw midden zijn, op de plaats die de HEERE, uw God, zal uitkiezen om Zijn Naam daar te laten wonen.

12En u moet gedenken dat u een slaaf geweest bent in Egypte en deze verordeningen in acht nemen en houden.

13

16:13
Ex. 23:16
Lev. 23:34
Het Loofhuttenfeest moet u zeven dagen houden, als u de oogst van uw dorsvloer en van uw perskuip hebt ingezameld.

14Verblijd u op uw feest, u, uw zoon en uw dochter, uw slaaf en uw slavin, en de Leviet, de vreemdeling, de wees en de weduwe die binnen uw poorten zijn.

15Zeven dagen moet u het feest vieren voor de HEERE, uw God, op de plaats die de HEERE zal uitkiezen. Want de HEERE, uw God, zal u zegenen in heel uw opbrengst en in al het werk van uw handen; daarom moet u werkelijk blij zijn.

16

16:16
Ex. 23:17
34:23
Drie keer per jaar moet alles wat mannelijk is onder u, verschijnen voor het aangezicht van de HEERE, uw God, op de plaats die Hij zal uitkiezen: op het Feest van de ongezuurde broden, op het Wekenfeest en op het Loofhuttenfeest.
16:16
Ex. 23:15
Men mag echter niet met lege handen voor het aangezicht van de HEERE verschijnen,

17maar ieders geschenk moet overeenkomen16:17 ieders geschenk moet overeenkomen - Letterlijk: ieder naar de gave van zijn hand. met de zegen van de HEERE, uw God, die Hij u gegeven heeft.

Over rechters en beambten

18U moet binnen al uw poorten, die de HEERE, uw God, u geeft, rechters en beambten over uw stammen aanstellen. Zij moeten met een rechtvaardig oordeel rechtspreken over het volk.

19U mag het recht niet buigen. U mag

16:19
Lev. 19:15
Deut. 1:17
niet partijdig zijn16:19 niet partijdig zijn - Letterlijk: het aangezicht niet herkennen. en
16:19
Ex. 23:8
geen geschenk aannemen, want een geschenk verblindt de ogen van wijzen en verdraait de woorden van rechtvaardigen.

20Gerechtigheid, gerechtigheid moet u najagen, opdat u leeft en het land dat de HEERE, uw God, u geeft, in bezit neemt.

21U mag bij het altaar van de HEERE, uw God, dat u voor uzelf zult maken, geen gewijde paal plaatsen van wat voor geboomte dan ook.

22Ook mag u geen gewijde steen voor uzelf oprichten, want dat haat de HEERE, uw God.

17

Doodstraf op afgoderij

171U mag aan de HEERE, uw God, geen rund of kleinvee offeren waaraan

17:1
Lev. 22:20Deut. 15:21
een gebrek is, wat voor slechts dan ook, want dat is voor de HEERE, uw God, een gruwel.

2

17:2
Deut. 13:6
Als in uw midden, binnen een van uw poorten die de HEERE, uw God, u geeft, een man of vrouw gevonden wordt die doet wat slecht is in de ogen van de HEERE, uw God, door Zijn verbond te overtreden,

3en als deze persoon andere goden gaat dienen en zich voor die neerbuigt, of voor de zon, de maan of heel het leger aan de hemel, wat ik niet geboden heb,

4en dat wordt u verteld en u hoort dat, dan moet u het goed onderzoeken. En zie, is het de waarheid, staat de zaak vast, is zo'n gruwelijke daad in Israël gedaan,

5dan moet u die man of die vrouw die deze wandaad verricht heeft, naar buiten brengen, naar uw poorten, die man of die vrouw, en u moet hen met stenen stenigen, zodat zij sterven.

6

17:6
Num. 35:30
Deut. 19:15
Matt. 18:16
2 Kor. 13:1
Hebr. 10:28
Op de verklaring van twee of drie getuigen moet hij die dient te sterven, gedood worden; hij mag niet gedood worden op de verklaring van slechts één getuige.

7

17:7
Deut. 13:9
Eerst moet de hand van de getuigen zich tegen hem keren om hem te doden, daarna de hand van heel het volk. Zo moet u het kwaad uit uw midden wegdoen.

Aanwijzingen voor de hoogste rechtspraak

8Als bij de rechtspraak een zaak

17:8
2 Kron. 19:10
Mal. 2:7
voor u te moeilijk is, bij geschilpunten binnen uw poorten met betrekking tot bloedvergieten, rechtsvordering of geweldpleging,17:8 bloedvergieten … geweldpleging - Letterlijk: tussen bloed en bloed, tussen rechtsvordering en rechtsvordering en tussen slag en slag. dan moet u opstaan en naar de plaats gaan die de HEERE, uw God, zal uitkiezen.

9Dan moet u naar de Levitische priesters gaan, en naar de rechter die er in die dagen is, en hen raadplegen. Zij zullen dan een gerechtelijke uitspraak voor u doen.

10En u moet handelen overeenkomstig de uitspraak die zij u bekendmaken, vanuit die plaats die de HEERE zal uitkiezen. U moet nauwlettend handelen overeenkomstig alles wat zij u leren.

11Overeenkomstig de wetsregel die zij u leren, en overeenkomstig het vonnis dat zij voor u uitspreken, moet u handelen. U mag van de uitspraak die zij u bekendmaken, niet afwijken, naar rechts of naar links.

12De man echter die overmoedig handelt, door niet te luisteren naar de priester die daar staat om de HEERE, uw God, te dienen, of naar de rechter, die man moet sterven. Zo moet u het kwaad uit Israël wegdoen.

13Laat heel het volk het horen en bevreesd zijn, en niet meer overmoedig zijn.

De koning en zijn plichten

14Wanneer u in het land komt dat de HEERE, uw God, u geeft, en u dat in bezit neemt en erin woont, en u dan zegt: Ik wil een koning over mij aanstellen, zoals al de volken die rondom mij zijn,

15dan moet u voorzeker hem tot koning over u aanstellen die de HEERE, uw God, verkiezen zal. Uit het midden van uw broeders moet u een koning over u aanstellen; u mag geen buitenlander over u zetten, die uw broeder niet is.

16Maar hij mag voor zichzelf niet veel paarden aanschaffen en het volk niet laten terugkeren naar Egypte om veel paarden aan te schaffen, omdat de HEERE tegen u gezegd heeft: U mag nooit meer langs deze weg terugkeren.

17Ook mag hij voor zichzelf niet veel vrouwen nemen, anders zal zijn hart afwijken. Hij mag voor zichzelf ook niet al te veel zilver en goud nemen.

18Verder moet het zijn, als hij op de troon van zijn koninkrijk zit, dat hij voor zichzelf op een boekrol een afschrift van deze wet schrijft, vanuit de rol die onder het toezicht van de Levitische priesters is.

19Dat moet bij hem zijn en hij moet er alle dagen van zijn leven in lezen om de HEERE, zijn God, te leren vrezen en om alle woorden van deze wet en deze verordeningen in acht te nemen door ze te houden,

20opdat zijn hart zich niet verheft boven zijn broeders, opdat hij niet afwijkt van het gebod, naar rechts of naar links en opdat hij zijn dagen verlengt in zijn koninkrijk, hij en zijn zonen, te midden van Israël.