Herziene Statenvertaling (HSV)
13

Waarschuwing tegen valse profeten

131Als in uw midden een profeet opstaat of iemand die dromen heeft, en u een teken of wonder geeft,

2en dat teken of dat wonder waarvan hij tot u gesproken had, komt en hij zegt: Laten we achter andere goden aan gaan, die u niet kent, en laten we die dienen,

3luister dan niet naar de woorden van die profeet of naar hem die die dromen heeft! Want de HEERE, uw God, stelt u dan op de proef om te weten of u de HEERE, uw God, liefhebt met heel uw hart en met heel uw ziel.

4Achter de HEERE, uw God, moet u aan gaan, Hem moet u vrezen, Zijn geboden moet u in acht nemen en Zijn stem gehoorzamen;

13:4
Deut. 10:20
Hem moet u dienen en u aan Hem vasthouden.

5En die profeet of hij die die dromen heeft, moet

13:5
Deut. 18:20
Jer. 14:15
gedood worden, omdat hij heeft opgeroepen afvallig te worden aan de HEERE, uw God, Die u uit het land Egypte heeft geleid en u uit het slavenhuis verlost heeft; en omdat hij u wilde afbrengen van de weg die de HEERE, uw God, u geboden heeft daarop te gaan. Zo moet u het kwaad uit uw midden wegdoen.

6Wanneer uw

13:6
Deut. 17:2
broer, de zoon van uw moeder, of uw zoon, of uw dochter, of uw innig geliefde vrouw,13:6 uw innig geliefde vrouw - Letterlijk: de vrouw van uw schoot. of uw boezemvriend u in het geheim aanspoort door te zeggen: Laten we andere goden gaan dienen, die u niet kent, u niet en ook uw vaderen niet,

7uit de goden van de volken die rondom u zijn, dicht bij u of ver bij u vandaan, van het ene einde van de aarde tot het andere einde van de aarde,

8bewillig er dan niet in en luister niet naar hem! Laat uw oog hem niet ontzien, heb geen medelijden en houd hem niet verborgen.

9Integendeel, u moet hem zeker doden.

13:9
Deut. 17:7
Eerst moet uw eigen hand zich tegen hem keren om hem ter dood te brengen, daarna de hand van heel het volk.

10U moet hem met stenen stenigen zodat hij sterft, omdat hij heeft geprobeerd u af te brengen van de HEERE, uw God, Die u uit het land Egypte, uit het slavenhuis, heeft geleid.

11

13:11
Deut. 17:13
Heel Israël zal het horen en bevreesd zijn, en een dergelijke wandaad niet meer in uw midden verrichten.

12Als u over een van uw steden die de HEERE, uw God, u geeft om er te wonen, hoort zeggen:

13Er zijn mannen, verdorven lieden, uit uw midden voortgekomen en zij hebben de inwoners van hun stad verleid door te zeggen: Laten we andere goden gaan dienen, die u niet kent,

14dan moet u het onderzoeken, grondig uitzoeken en goed navragen. En zie, is het de waarheid, staat de zaak vast, is zo'n gruwelijke daad in uw midden gedaan,

15dan moet u de inwoners van die stad geheel en al slaan met de scherpte van het zwaard, door haar met alles wat erin is, ook haar vee, met de scherpte van het zwaard met de ban te slaan.

16Al haar buit moet u op het midden van haar marktplein bijeenbrengen, en vervolgens moet u de stad en al haar buit met vuur verbranden, als een offer dat geheel verteerd wordt voor de HEERE, uw God. Ze moet eeuwig een ruïne blijven en mag nooit herbouwd worden,

17en niets van datgene waarop de ban rust, mag u zelf houden.13:17 mag u zelf houden - Letterlijk: mag aan uw hand kleven. Dan zal de HEERE Zijn brandende toorn laten varen en u barmhartigheid geven, Zich over u ontfermen en u talrijk maken, zoals Hij aan uw vaderen gezworen heeft te zullen doen

18als u de stem van de HEERE, uw God, gehoorzaamt, door al Zijn geboden die ik u heden gebied, in acht te nemen, en door te doen wat juist is in de ogen van de HEERE, uw God.

14

Over reine en onreine dieren

141U bent kinderen van de HEERE, uw God. U mag uw lichaam vanwege een dode niet

14:1
Lev. 19:27,28
21:5
kerven of een kale plek maken tussen uw ogen.

2Want u bent

14:2
Deut. 7:6
26:18
een heilig volk voor de HEERE, uw God. De HEERE heeft ú uit alle volken die op de aardbodem zijn, uitgekozen om voor Hem een volk te zijn dat Zijn persoonlijk eigendom is.

3U mag niets eten wat een gruwel is.

4

14:4
Lev. 11:2
Dit zijn de dieren die u eten mag: het rund, het schaap, de geit,

5het hert, de gazelle, de reebok, de steenbok, de spiesbok, de antilope en de gems.

6Alle dieren die gespleten hoeven hebben, waarvan de hoef in tweeën gespleten is, en die bovendien bij de dieren horen die herkauwen, mag u eten.

7Maar de volgende, die alleen herkauwen, of die alleen gespleten hoeven hebben, mag u niet eten: de kameel, de haas en de klipdas. Zij herkauwen immers wel, maar hebben geen gespleten hoeven; zij zijn voor u onrein.

8Zo ook het varken, want dat heeft wel gespleten hoeven, maar het herkauwt niet; het is voor u onrein. Van hun vlees mag u niet eten en hun kadavers mag u niet aanraken.

9Dit mag u eten van alles wat in het water leeft: alles wat vinnen en schubben heeft, mag u eten.

10Maar alles wat geen vinnen en schubben heeft, mag u niet eten; het is voor u onrein.

11Alle reine vogels mag u eten.

12Maar dit zijn de vogels waarvan u niet mag eten: de arend, de lammergier, de monniksgier,

13de buizerd, de kiekendief, en elke soort wouw,

14elke soort raaf,

15de struisvogel, de velduil, de meeuw, elke soort valk,

16de steenuil, de ransuil, de kerkuil,

17de kraai, de aasgier, de visarend,

18de ooievaar, elke soort reiger, de hop en de vleermuis.

19Ook alle gevleugelde insecten zijn voor u onrein; ze mogen niet gegeten worden.

20Alle reine gevleugelde dieren mag u eten.

21U mag geen enkel kadaver eten. Aan de vreemdeling die binnen uw poorten is, mag u het geven om het te eten, of verkoop het aan een buitenlander. Want u bent een heilig volk voor de HEERE, uw God. U mag een

14:21
Ex. 23:19
34:26
bokje niet koken in de melk van zijn moeder.

Het gebruik van de tienden

22Van heel de opbrengst van uw zaad, wat het veld jaar op jaar voortbrengt, moet u getrouw het tiende deel geven.

23

14:23
Deut. 12:17,18
Voor het aangezicht van de HEERE, uw God, op de plaats die Hij zal uitkiezen om Zijn Naam daar te laten wonen, moet u de tienden van uw koren, van uw nieuwe wijn en van uw olie, en de eerstgeborenen van uw runderen en van uw kleinvee eten, om de HEERE, uw God, te leren vrezen, alle dagen.

24Als de weg voor u te lang is, zodat u dat alles niet kunt meenemen, omdat de plaats die de HEERE, uw God, zal uitkiezen om Zijn Naam daar te vestigen, te ver bij u vandaan is, dan moet u, wanneer de HEERE, uw God, u gezegend heeft,

25het te gelde maken, het geld in een buidel meenemen14:25 in een buidel meenemen - Letterlijk: in een buidel doen in uw hand. en naar de plaats gaan die de HEERE, uw God, zal uitkiezen.

26Daar moet u dat

14:26
Matt. 21:12
geld besteden aan alles wat uw ziel verlangt: runderen en kleinvee, wijn en sterkedrank, ja, alles wat uw ziel maar wenst. Dan kunt u daar eten voor het aangezicht van de HEERE, uw God, en u verblijden, u en uw gezin.

27Daarbij mag u de Leviet die binnen uw poorten is, niet in de steek laten. Hij heeft immers

14:27
Num. 18:20,24
Deut. 10:9
12:12
18:1,2
26:12
geen aandeel of erfelijk bezit samen met u.

28Om de drie jaar moet u alle tienden van uw opbrengst van dat jaar brengen en opslaan binnen uw poorten.

29Dan kan de Leviet komen – hij heeft immers geen aandeel of erfelijk bezit samen met u – en de vreemdeling, de wees en de weduwe die binnen uw poorten zijn, en kunnen zij eten en verzadigd worden; opdat de HEERE, uw God, u zegent in al het werk dat u doet.14:29 het werk dat u doet - Letterlijk: het werk van uw hand dat u doet.

15

Over het jaar van kwijtschelding

151Na verloop van

15:1
Ex. 21:2
Jer. 34:14
zeven jaar moet u kwijtschelding verlenen.

2Dit nu is wat de kwijtschelding inhoudt: iedere schuldeiser die iets aan zijn naaste geleend heeft, moet hem dat kwijtschelden. Hij mag van zijn naaste of zijn broeder geen betaling eisen, aangezien men een kwijtschelding heeft uitgeroepen voor de HEERE.

3Van een buitenlander mag u betaling eisen, maar wat er van u bij uw broeder is, moet u15:3 u - Letterlijk: uw hand. kwijtschelden.

4Overigens hoeft er onder u geen arme te zijn, want de HEERE zal u overvloedig zegenen in het land dat de HEERE, uw God, u als erfelijk bezit geeft om dat in bezit te nemen,

5als u tenminste de stem van de HEERE, uw God, nauwgezet gehoorzaamt, door al deze geboden die ik u heden gebied, nauwlettend in acht te nemen.

6Wanneer de HEERE, uw God, u gezegend heeft, zoals Hij tot u gesproken heeft, dan

15:6
Deut. 28:12
zult u aan vele volken leningen verstrekken, maar zelf zult u niets hoeven te lenen; en u zult over vele volken heersen, maar over u zullen zij niet heersen.

7Maar als er onder u een arme zal zijn, iemand uit uw broeders, binnen een van uw poorten, in uw land, dat de HEERE, uw God, u geven zal, dan mag u uw hart niet verstokken, of uw hand sluiten voor uw broeder die arm is.

8Integendeel, u moet uw hand wijd voor hem opendoen en hem overvloedig lenen, genoeg voor wat hem ontbreekt.

9Wees op uw hoede dat niet de verderfelijke gedachte in uw hart opkomt dat het zevende jaar, het jaar van de kwijtschelding, naderbij komt – waardoor u uw broeder die arm is niets gunt15:9 waardoor … niets gunt - Letterlijk: en uw oog boos wordt jegens uw broeder die arm is. en hem niets geeft, en hij over u tot de HEERE roept en er zonde in u is.

10

15:10
Matt. 5:42
Luk. 6:35
U moet hem overvloedig geven, en laat uw hart niet verdrietig zijn als u hem geeft. Want vanwege deze zaak zal de HEERE, uw God, u zegenen in al uw werk en in alles wat u ter hand neemt.

11Want

15:11
Matt. 26:11
Joh. 12:8
armen zullen binnen uw land nooit ontbreken. Daarom gebied ik u: U moet uw hand wijd opendoen voor uw broeder, de onderdrukte en de arme15:11 de onderdrukte en de arme - Letterlijk: uw onderdrukte en uw arme. in uw land.

12

15:12
Ex. 21:2
Jer. 34:14
Als uw broeder, een Hebreeuwse man of Hebreeuwse vrouw, aan u verkocht is, dan zal hij u zes jaar dienen; maar in het zevende jaar moet u hem vrij van u laten weggaan.

13En als u hem vrij van u laat weggaan, mag u hem niet met lege handen laten gaan.

14U moet hem overvloedig geven van uw kleinvee, uw dorsvloer en uw perskuip; van dat waarmee de HEERE, uw God, u gezegend heeft, moet u hem geven.

15En u moet bedenken dat u een slaaf geweest bent in het land Egypte, en dat de HEERE, uw God, u verlost heeft; daarom gebied ik u heden deze zaak.

16Maar het moet zijn, als hij tegen u zegt: Ik wil niet bij u weggaan, omdat hij u en uw gezin liefheeft, omdat hij het goed bij u heeft,

17dat u

15:17
Ex. 21:6
een priem neemt en die door zijn oor en in de deur steekt; dan zal hij voor altijd uw slaaf zijn. Ook bij uw slavin moet u zo doen.

18Laat het niet moeilijk zijn in uw ogen als u hem vrij van u laat weggaan, want hij heeft u zes jaar dubbel zoveel opgeleverd als een dagloner.15:18 want hij … een dagloner - Letterlijk: want hij is een dubbelloons dagloner. Dan zal de HEERE, uw God, u zegenen in alles wat u doet.

Heiliging van de eerstgeborenen van het vee

19

15:19
Ex. 13:2
22:29
34:19
Lev. 27:26
Num. 3:13
Alle mannelijke eerstgeborenen die bij uw runderen en uw kleinvee geboren worden, moet u voor de HEERE, uw God, heiligen. U mag met de eerstgeborene van uw rund geen arbeid verrichten, en de eerstgeborene van uw kleinvee mag u niet scheren.

20Voor het aangezicht van de HEERE, uw God, moet u het eten, u en uw gezin, jaar op jaar, op de plaats die de HEERE zal uitkiezen.

21

15:21
Lev. 22:20
Deut. 17:1
Maar als er een gebrek aan is, als het mank is of blind, of als het enig ernstig gebrek heeft, mag u het niet aan de HEERE, uw God, offeren.

22Binnen uw poorten mag u het eten, of u nu onrein bent of rein, net als bij een gazelle en een hert.

23

15:23
Deut. 12:16,23
Alleen zijn bloed mag u niet eten; u moet het als water over de aarde uitgieten.