Herziene Statenvertaling (HSV)
12

Voorschriften over het ware dienen van God

121Dit zijn de verordeningen en de bepalingen die u nauwlettend in acht moet nemen, in het land dat de HEERE, de God van uw vaderen, u gegeven heeft om het in bezit te hebben, al de dagen dat u op de aardbodem leeft.

2

12:2
Ex. 34:12,13
Deut. 7:5
U moet al de plaatsen waar de volken van wie u het land in bezit neemt, hun goden gediend hebben, volledig vernielen, op de hoge bergen, op de heuvels en onder elke bladerrijke boom.

3Hun

12:3
Richt. 2:2
altaren moet u afbreken, hun gewijde stenen in stukken slaan, hun gewijde palen met vuur verbranden en de beelden van hun goden omhakken; en u moet hun naam uit die plaats doen verdwijnen.

4U mag tegenover de HEERE, uw God, niet doen zoals zij!

5

12:5
2 Kron. 7:12
Maar naar de plaats die de HEERE, uw God, uit al uw stammen zal uitkiezen om Zijn Naam daar te vestigen, naar Zijn woning moet u vragen en daarheen komen.

6Daarheen moet u uw brandoffers brengen, uw slachtoffers, uw tienden, de hefoffers van uw hand, uw gelofteoffers, uw vrijwillige gaven en de eerstgeborenen van uw runderen en van uw kleinvee.

7En daar moet u voor het aangezicht van de HEERE, uw God, eten en u verblijden, u en uw gezinnen, over alles wat u ter hand genomen hebt en waarin de HEERE, uw God, u gezegend heeft.

8U mag niet doen zoals al wat wij hier heden doen: iedereen doet wat juist is in eigen oog.

9Want u bent tot nu toe nog niet gekomen in de rust en in het erfelijk bezit dat de HEERE, uw God, u geven zal.

10Maar u zult de Jordaan oversteken en gaan wonen in het land dat de HEERE, uw God, u in erfelijk bezit geeft. Hij zal u rust geven van al uw vijanden rondom u, en u zult veilig wonen.

11Dan zal daar de plaats zijn

12:11
1 Kon. 8:29
die de HEERE, uw God, zal uitkiezen om Zijn Naam daar te laten wonen. Daarheen moet u alles brengen wat ik u gebied: uw brandoffers, uw slachtoffers, uw tienden, de hefoffers uit uw hand en heel de keur van uw gelofteoffers die u de HEERE belooft,

12en daar zult u zich verblijden voor het aangezicht van de HEERE, uw God, u, uw zonen en uw dochters, uw slaven en uw slavinnen, en de Leviet die binnen uw poorten is, want hij

12:12
Num. 18:20
Deut. 10:9
18:1
heeft geen aandeel of erfelijk bezit samen met u.

13Wees op uw hoede dat u uw brandoffers niet brengt op elke plaats die u ziet,

14maar alleen op de plaats die de HEERE in een van uw stammen zal uitkiezen. Daar moet u uw brandoffers brengen en daar moet u doen alles wat ik u gebied.

15Wel mag u naar het volle verlangen van uw ziel binnen al uw poorten slachten en vlees eten, overeenkomstig de zegen van de HEERE, uw God, die Hij u geeft. De onreine en de reine mag daarvan eten, zoals van een gazelle en van een hert.

16

12:16
Gen. 9:4
Lev. 7:26
17:10
Deut. 15:23
Alleen het bloed mag u niet eten; u moet het op de aarde uitgieten als water.

17U mag binnen uw poorten niet de tienden van uw koren, van uw nieuwe wijn en van uw olie eten, evenmin de eerstgeborenen van uw runderen en van uw kleinvee of enige van uw gelofteoffers, die u beloofd hebt, ook niet uw vrijwillige gaven of de hefoffers van uw hand.

18Alleen voor het aangezicht van de HEERE, uw God, op de plaats die de HEERE, uw God, zal uitkiezen, mag u dat eten: u, uw zoon en uw dochter, uw slaaf en uw slavin, en de Leviet die binnen uw poorten is; en u zult u voor het aangezicht van de HEERE, uw God, verblijden over alles wat u ter hand genomen hebt.

19Wees op uw hoede dat u de Leviet niet in de steek laat, al uw dagen in uw land.

20Wanneer de HEERE, uw God, uw gebied ruim gemaakt heeft,

12:20
Gen. 28:13
Ex. 23:31
Deut. 11:24
19:8
zoals Hij tot u gesproken heeft, en u zegt: Ik wil vlees eten, omdat uw ziel ernaar verlangt om vlees te eten, dan mag u naar het volle verlangen van uw ziel vlees eten.

21Wanneer de plaats die de HEERE, uw God, zal uitkiezen om Zijn Naam daar te vestigen, ver van u vandaan is, dan mag u van uw runderen en uw kleinvee die de HEERE u gegeven heeft, slachten, zoals ik u geboden heb, en mag u ervan eten binnen uw poorten, naar het volle verlangen van uw ziel.

22Maar dan moet u het eten zoals een gazelle en een hert gegeten wordt; de onreine en de reine mogen het beiden eten.

23Alleen, houd eraan vast geen bloed te eten, want het bloed is de ziel, en u mag niet, samen met het vlees, ook de ziel eten.

24U mag dat niet eten; u moet het op de aarde uitgieten als water.

25U mag dat niet eten, opdat het u en uw kinderen na u goed gaat, als u doet wat juist is in de ogen van de HEERE.

26Maar de heilige gaven die u hebt, en uw gelofteoffers, moet u opnemen en ermee naar de plaats komen die de HEERE zal uitkiezen.

27Bij uw brandoffers moet u zowel het vlees als het bloed offeren op het altaar van de HEERE, uw God. Van uw slachtoffers moet het bloed over het altaar van de HEERE, uw God, worden uitgegoten, maar mag u het vlees zelf eten.

28Let erop dat u aan al deze woorden die ik u gebied, gehoor geeft, opdat het u en uw kinderen na u goed gaat tot in eeuwigheid, als u doet wat goed en juist is in de ogen van de HEERE, uw God.

29Wanneer de HEERE, uw God, de volken waar u naartoe gaat om die uit hun bezit te verdrijven, van voor uw ogen uitroeit, en u hen verdreven hebt en in hun land bent gaan wonen,

30wees dan op uw hoede dat u niet, nadat zij van voor uw ogen weggevaagd zijn, in dezelfde valstrik komt,12:30 in dezelfde valstrik komt - Letterlijk: achter hen aan verstrikt wordt. en dat u niet vraagt naar hun goden, door te zeggen: Zoals deze volken hun goden gediend hebben, zo zal ik het ook doen.

31U mag ten aanzien van de HEERE, uw God, niet doen zoals zij! Want alles wat voor de HEERE een gruwel is, wat Hij haat, hebben zij voor hun goden gedaan. Zij hebben voor hun goden immers zelfs hun zonen en hun dochters met vuur verbrand.

32Dit alles wat ik u gebied, moet u nauwlettend in acht nemen.

12:32
Deut. 4:2
Spr. 30:6
Openb. 22:18
U mag er niets aan toevoegen en er ook niets van afdoen.

13

Waarschuwing tegen valse profeten

131Als in uw midden een profeet opstaat of iemand die dromen heeft, en u een teken of wonder geeft,

2en dat teken of dat wonder waarvan hij tot u gesproken had, komt en hij zegt: Laten we achter andere goden aan gaan, die u niet kent, en laten we die dienen,

3luister dan niet naar de woorden van die profeet of naar hem die die dromen heeft! Want de HEERE, uw God, stelt u dan op de proef om te weten of u de HEERE, uw God, liefhebt met heel uw hart en met heel uw ziel.

4Achter de HEERE, uw God, moet u aan gaan, Hem moet u vrezen, Zijn geboden moet u in acht nemen en Zijn stem gehoorzamen;

13:4
Deut. 10:20
Hem moet u dienen en u aan Hem vasthouden.

5En die profeet of hij die die dromen heeft, moet

13:5
Deut. 18:20
Jer. 14:15
gedood worden, omdat hij heeft opgeroepen afvallig te worden aan de HEERE, uw God, Die u uit het land Egypte heeft geleid en u uit het slavenhuis verlost heeft; en omdat hij u wilde afbrengen van de weg die de HEERE, uw God, u geboden heeft daarop te gaan. Zo moet u het kwaad uit uw midden wegdoen.

6Wanneer uw

13:6
Deut. 17:2
broer, de zoon van uw moeder, of uw zoon, of uw dochter, of uw innig geliefde vrouw,13:6 uw innig geliefde vrouw - Letterlijk: de vrouw van uw schoot. of uw boezemvriend u in het geheim aanspoort door te zeggen: Laten we andere goden gaan dienen, die u niet kent, u niet en ook uw vaderen niet,

7uit de goden van de volken die rondom u zijn, dicht bij u of ver bij u vandaan, van het ene einde van de aarde tot het andere einde van de aarde,

8bewillig er dan niet in en luister niet naar hem! Laat uw oog hem niet ontzien, heb geen medelijden en houd hem niet verborgen.

9Integendeel, u moet hem zeker doden.

13:9
Deut. 17:7
Eerst moet uw eigen hand zich tegen hem keren om hem ter dood te brengen, daarna de hand van heel het volk.

10U moet hem met stenen stenigen zodat hij sterft, omdat hij heeft geprobeerd u af te brengen van de HEERE, uw God, Die u uit het land Egypte, uit het slavenhuis, heeft geleid.

11

13:11
Deut. 17:13
Heel Israël zal het horen en bevreesd zijn, en een dergelijke wandaad niet meer in uw midden verrichten.

12Als u over een van uw steden die de HEERE, uw God, u geeft om er te wonen, hoort zeggen:

13Er zijn mannen, verdorven lieden, uit uw midden voortgekomen en zij hebben de inwoners van hun stad verleid door te zeggen: Laten we andere goden gaan dienen, die u niet kent,

14dan moet u het onderzoeken, grondig uitzoeken en goed navragen. En zie, is het de waarheid, staat de zaak vast, is zo'n gruwelijke daad in uw midden gedaan,

15dan moet u de inwoners van die stad geheel en al slaan met de scherpte van het zwaard, door haar met alles wat erin is, ook haar vee, met de scherpte van het zwaard met de ban te slaan.

16Al haar buit moet u op het midden van haar marktplein bijeenbrengen, en vervolgens moet u de stad en al haar buit met vuur verbranden, als een offer dat geheel verteerd wordt voor de HEERE, uw God. Ze moet eeuwig een ruïne blijven en mag nooit herbouwd worden,

17en niets van datgene waarop de ban rust, mag u zelf houden.13:17 mag u zelf houden - Letterlijk: mag aan uw hand kleven. Dan zal de HEERE Zijn brandende toorn laten varen en u barmhartigheid geven, Zich over u ontfermen en u talrijk maken, zoals Hij aan uw vaderen gezworen heeft te zullen doen

18als u de stem van de HEERE, uw God, gehoorzaamt, door al Zijn geboden die ik u heden gebied, in acht te nemen, en door te doen wat juist is in de ogen van de HEERE, uw God.

14

Over reine en onreine dieren

141U bent kinderen van de HEERE, uw God. U mag uw lichaam vanwege een dode niet

14:1
Lev. 19:27,28
21:5
kerven of een kale plek maken tussen uw ogen.

2Want u bent

14:2
Deut. 7:6
26:18
een heilig volk voor de HEERE, uw God. De HEERE heeft ú uit alle volken die op de aardbodem zijn, uitgekozen om voor Hem een volk te zijn dat Zijn persoonlijk eigendom is.

3U mag niets eten wat een gruwel is.

4

14:4
Lev. 11:2
Dit zijn de dieren die u eten mag: het rund, het schaap, de geit,

5het hert, de gazelle, de reebok, de steenbok, de spiesbok, de antilope en de gems.

6Alle dieren die gespleten hoeven hebben, waarvan de hoef in tweeën gespleten is, en die bovendien bij de dieren horen die herkauwen, mag u eten.

7Maar de volgende, die alleen herkauwen, of die alleen gespleten hoeven hebben, mag u niet eten: de kameel, de haas en de klipdas. Zij herkauwen immers wel, maar hebben geen gespleten hoeven; zij zijn voor u onrein.

8Zo ook het varken, want dat heeft wel gespleten hoeven, maar het herkauwt niet; het is voor u onrein. Van hun vlees mag u niet eten en hun kadavers mag u niet aanraken.

9Dit mag u eten van alles wat in het water leeft: alles wat vinnen en schubben heeft, mag u eten.

10Maar alles wat geen vinnen en schubben heeft, mag u niet eten; het is voor u onrein.

11Alle reine vogels mag u eten.

12Maar dit zijn de vogels waarvan u niet mag eten: de arend, de lammergier, de monniksgier,

13de buizerd, de kiekendief, en elke soort wouw,

14elke soort raaf,

15de struisvogel, de velduil, de meeuw, elke soort valk,

16de steenuil, de ransuil, de kerkuil,

17de kraai, de aasgier, de visarend,

18de ooievaar, elke soort reiger, de hop en de vleermuis.

19Ook alle gevleugelde insecten zijn voor u onrein; ze mogen niet gegeten worden.

20Alle reine gevleugelde dieren mag u eten.

21U mag geen enkel kadaver eten. Aan de vreemdeling die binnen uw poorten is, mag u het geven om het te eten, of verkoop het aan een buitenlander. Want u bent een heilig volk voor de HEERE, uw God. U mag een

14:21
Ex. 23:19
34:26
bokje niet koken in de melk van zijn moeder.

Het gebruik van de tienden

22Van heel de opbrengst van uw zaad, wat het veld jaar op jaar voortbrengt, moet u getrouw het tiende deel geven.

23

14:23
Deut. 12:17,18
Voor het aangezicht van de HEERE, uw God, op de plaats die Hij zal uitkiezen om Zijn Naam daar te laten wonen, moet u de tienden van uw koren, van uw nieuwe wijn en van uw olie, en de eerstgeborenen van uw runderen en van uw kleinvee eten, om de HEERE, uw God, te leren vrezen, alle dagen.

24Als de weg voor u te lang is, zodat u dat alles niet kunt meenemen, omdat de plaats die de HEERE, uw God, zal uitkiezen om Zijn Naam daar te vestigen, te ver bij u vandaan is, dan moet u, wanneer de HEERE, uw God, u gezegend heeft,

25het te gelde maken, het geld in een buidel meenemen14:25 in een buidel meenemen - Letterlijk: in een buidel doen in uw hand. en naar de plaats gaan die de HEERE, uw God, zal uitkiezen.

26Daar moet u dat

14:26
Matt. 21:12
geld besteden aan alles wat uw ziel verlangt: runderen en kleinvee, wijn en sterkedrank, ja, alles wat uw ziel maar wenst. Dan kunt u daar eten voor het aangezicht van de HEERE, uw God, en u verblijden, u en uw gezin.

27Daarbij mag u de Leviet die binnen uw poorten is, niet in de steek laten. Hij heeft immers

14:27
Num. 18:20,24
Deut. 10:9
12:12
18:1,2
26:12
geen aandeel of erfelijk bezit samen met u.

28Om de drie jaar moet u alle tienden van uw opbrengst van dat jaar brengen en opslaan binnen uw poorten.

29Dan kan de Leviet komen – hij heeft immers geen aandeel of erfelijk bezit samen met u – en de vreemdeling, de wees en de weduwe die binnen uw poorten zijn, en kunnen zij eten en verzadigd worden; opdat de HEERE, uw God, u zegent in al het werk dat u doet.14:29 het werk dat u doet - Letterlijk: het werk van uw hand dat u doet.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]