Herziene Statenvertaling (HSV)
9

Oproep tot ootmoed

91Luister, Israël! U gaat heden de Jordaan oversteken om het land binnen te gaan en in bezit te nemen van volken die groter en machtiger zijn dan u, met grote en hemelhoog versterkte steden;

2een groot en lang volk, de Enakieten, die u zelf kent en over wie u zelf

9:2
Num. 13:32,33
gehoord hebt: Wie kan standhouden tegenover de Enakieten?

3Daarom moet u heden weten dat het de HEERE, uw God, is Die voor u uit de Jordaan overtrekt, een

9:3
Deut. 4:24
Hebr. 12:29
verterend vuur. Hij zal hen wegvagen en Hij zal hen aan u onderwerpen. U zult hen uit hun bezit verdrijven en hen al snel ombrengen, zoals de HEERE tot u gesproken heeft.

4Wanneer de HEERE, uw God, hen van voor uw ogen verjaagd heeft, zeg dan niet in uw hart: Vanwege míjn gerechtigheid heeft de HEERE mij in dit land gebracht om het in bezit te nemen. Want het is vanwege de goddeloosheid van deze volken dat de HEERE hen van voor uw ogen uit hun bezit verdrijft.

5Niet vanwege uw gerechtigheid of vanwege de oprechtheid van uw hart komt u hun land in om het in bezit te nemen, maar vanwege de goddeloosheid van deze volken verdrijft de HEERE, uw God, hen van voor uw ogen uit hun bezit, en om het woord gestand te doen dat de HEERE, uw God, uw vaderen, Abraham, Izak en Jakob,

9:5
Gen. 12:7
13:15
15:7
17:8
26:4
28:13
gezworen heeft.

6Daarom moet u weten dat het niet vanwege uw gerechtigheid is dat de HEERE, uw God, u dit goede land geeft om het in bezit te nemen, want u bent een halsstarrig volk.

7Houd in gedachten en vergeet niet dat u de HEERE, uw God,

9:7
Ex. 14:11
16:2
17:2
Num. 11:4
zeer toornig hebt gemaakt in de woestijn: vanaf de dag dat u uit het land Egypte vertrokken bent, totdat u op deze plaats kwam, bent u ongehoorzaam geweest aan de HEERE.

8

9:8
Ex. 32:4
Ps. 106:19
Bij de Horeb hebt u de HEERE immers zeer toornig gemaakt; de HEERE werd zo toornig op u dat Hij u wilde wegvagen.

9Toen ik de berg opgeklommen was om de stenen tafelen, de tafelen van het verbond dat de HEERE met u gesloten had, te ontvangen,

9:9
Ex. 24:18
34:28
bleef ik veertig dagen en veertig nachten op de berg. Ik at geen brood en dronk geen water.

10En de HEERE gaf mij de twee stenen tafelen, beschreven

9:10
Ex. 31:18
door de vinger van God; daarop stonden alle woorden die de HEERE met u gesproken had op de berg, vanuit het midden van het vuur, op de dag dat u daar bijeenkwam.

11Het gebeurde na verloop van veertig dagen en veertig nachten, toen de HEERE mij de twee stenen tafelen, de tafelen van het verbond, gaf,

12dat de HEERE tegen mij zei: Sta op, daal snel vanhier af, want uw volk, dat u uit Egypte geleid hebt, handelt verderfelijk. Zij zijn al snel afgeweken van de weg die Ik hun geboden had: zij hebben voor zichzelf een gegoten beeld gemaakt.

13Verder sprak de HEERE tot mij: Ik heb dit volk gezien en zie, het is een

9:13
Ex. 32:9
33:3
34:9
Deut. 10:16
31:27
2 Kon. 17:14
halsstarrig volk.

14

9:14
Ex. 32:10
Ps. 106:23
Laat Mij begaan, dan zal Ik hen wegvagen en hun naam van onder de hemel uitwissen. Dan zal Ik u tot een volk maken dat nog machtiger en talrijker is dan dit.

15Toen keerde ik mij om en daalde van de berg af – de berg brandde van vuur en de twee tafelen van het verbond waren in mijn beide handen.

16Ik keek toe en zie: u had tegen de HEERE, uw God, gezondigd; u had voor uzelf een gegoten kalf gemaakt. U was al snel afgeweken van de weg die de HEERE u geboden had!

17Toen pakte ik de twee tafelen, wierp ze uit mijn beide handen weg en brak ze voor uw ogen in stukken.

18En ik wierp mij neer voor het aangezicht van de HEERE, net als de eerste keer, veertig dagen en veertig nachten. Ik at geen brood en dronk geen water, vanwege al de zonde die u begaan had, door te doen wat slecht is in de ogen van de HEERE om Hem tot toorn te verwekken.

19Want ik was bevreesd vanwege Zijn toorn en grimmigheid: de HEERE was zo toornig op u dat Hij u wilde wegvagen. De HEERE verhoorde mij echter ook die keer.

20Ook op Aäron was de HEERE zo toornig dat Hij hem wilde wegvagen; maar ik bad in die tijd ook voor Aäron.

21Maar ik

9:21
Ex. 32:20
nam uw zonde, het kalf dat u gemaakt had, en verbrandde het met vuur. Ik verbrijzelde het en vermaalde het grondig, totdat het tot stof verpulverd was. En het stof ervan gooide ik in de beek die van de berg afloopt.

22Ook bij

9:22
Num. 11:1
Tabera,
9:22
Ex. 17:7
Massa en
9:22
Num. 11:4,34
Kibroth-Taäva maakte u de HEERE zeer toornig.

23En toen de HEERE u vanuit Kades-Barnea op weg zond en zei:

9:23
Num. 13:3
14:1
Trek op en neem het land dat Ik u gegeven heb in bezit, was u het bevel van de HEERE, uw God, ongehoorzaam: u geloofde Hem niet en gehoorzaamde Zijn stem niet.

24U bent ongehoorzaam geweest aan de HEERE vanaf de dag dat ik u ken.

25Ik wierp mij neer voor het aangezicht van de HEERE, die veertig dagen en veertig nachten dat ik mij neergeworpen had, omdat de HEERE gezegd had dat Hij u zou wegvagen.

26En ik bad tot de HEERE en zei:

9:26
Ex. 32:11
Num. 14:13
Heere HEERE, richt Uw volk en Uw eigendom toch niet te gronde, dat U door Uw grootheid verlost hebt, dat U met sterke hand uit Egypte hebt geleid.

27Denk aan Uw dienaren, Abraham, Izak en Jakob; schenk geen aandacht aan de hardleersheid van dit volk, aan zijn goddeloosheid, en aan zijn zonde;

28anders zal het land waar U ons uit geleid hebt,

9:28
Ex. 32:12
Num. 14:16
zeggen: Omdat de HEERE hen niet kon brengen in het land waarover Hij tot hen gesproken had, en omdat Hij hen haatte, heeft Hij hen uitgeleid, om hen te doden in de woestijn.

29Zij zijn toch Uw volk en Uw eigendom, dat U met Uw grote kracht en met Uw uitgestrekte arm hebt uitgeleid!

10

De nieuwe stenen tafelen en de ark

101In die tijd zei de HEERE tegen mij:

10:1
Ex. 34:1
Houw twee stenen tafelen voor u uit, net als de eerste, en klim de berg op, naar Mij toe; ook moet u een kist van hout voor u maken.

2En Ik zal op die tafelen de woorden schrijven die op de eerste tafelen stonden, die u verbrijzeld hebt; en dan moet u ze in de kist leggen.

3Daarop maakte ik een kist van acaciahout en hieuw twee stenen tafelen uit, net als de eerste; en ik klom de berg op met de twee tafelen in mijn hand.

4Toen schreef Hij op de tafelen, overeenkomstig de eerste tekst, de Tien Woorden die de HEERE tot u gesproken had op de berg, vanuit het midden van het vuur, op de dag dat u daar bijeenkwam; en de HEERE gaf ze aan mij.

5En ik keerde mij om, daalde de berg af en legde de tafelen in de kist die ik gemaakt had. Daar zijn ze nog steeds, zoals de HEERE mij geboden had.

6(Toen

10:6
Num. 33:30
braken de Israëlieten op uit Beëroth-Bene-Jaäkan naar Mosera. Daar
10:6
Num. 20:28
33:38
stierf Aäron en daar werd hij begraven; en zijn zoon Eleazar diende als priester in zijn plaats.

7Daarvandaan braken zij op naar

10:7
Num. 33:32,33
Gudgod en van Gudgod naar Jotbath, een land vol beken.)

8In die tijd zonderde de HEERE de stam Levi af om de ark van het verbond van de HEERE te dragen, om voor het aangezicht van de HEERE te staan, om Hem te dienen en om in Zijn Naam te zegenen, tot op deze dag.

9Daarom heeft Levi

10:9
Num. 18:20,21Deut. 18:1
Ezech. 44:28
geen aandeel of erfelijk bezit met zijn broeders; de HEERE Zelf is zijn erfelijk bezit, zoals de HEERE, uw God, tot hem gesproken heeft.

10Ík stond dus op de berg, net als de vorige dagen:

10:10
Deut. 9:18
veertig dagen en veertig nachten. De HEERE
10:10
Deut. 9:19
verhoorde mij ook deze keer; de HEERE wilde u niet te gronde richten.

11En de HEERE zei tegen mij: Sta op, ga op reis, voor het volk uit, zodat zij in het land komen dat Ik hun vaderen gezworen heb hun te geven, en zij dat in bezit nemen.

Oproep om God te dienen

12Nu dan, Israël, wat vraagt de HEERE, uw God, van u dan de HEERE, uw God, te vrezen, in al Zijn wegen te gaan, Hem lief te hebben en de HEERE, uw God, te

10:12
Deut. 6:5
Matt. 22:37
Luk. 10:27
dienen, met heel uw hart en met heel uw ziel,

13en de geboden van de HEERE en Zijn verordeningen, die ik u heden gebied, in acht te nemen, u ten goede?

14Zie, van de HEERE, uw God, is de hemel, ja, de allerhoogste hemel,10:14 de allerhoogste hemel - Letterlijk: de hemel der hemelen. de

10:14
Gen. 14:19
Ps. 24:1
115:16
aarde en alles wat erop is.

15Maar alleen voor uw vaderen heeft de HEERE liefde opgevat om hen lief te hebben, en Hij heeft hun nageslacht na hen, u, uit al de volken verkozen, zoals het heden ten dage nog is.

16Besnijd dan de voorhuid

10:16
Jer. 4:4
van uw hart en wees niet langer
10:16
Ex. 32:9
33:3
34:9
Deut. 9:13
halsstarrig.10:16 wees niet … halsstarrig - Letterlijk: verhard de nek niet.

17Want de HEERE, uw God, is de God der goden en de

10:17
Openb. 17:14
Heere der heren; die grote, machtige en ontzagwekkende God, Die
10:17
2 Kron. 19:6,7
Job 34:19
Hand. 10:34
Rom. 2:11
Gal. 2:6
Efez. 6:9
Kol. 3:25
1 Petr. 1:17
niet partijdig is10:17 Die niet partijdig is - Letterlijk: Die geen aangezicht verheft. en geen geschenk in ontvangst neemt,

18Die recht verschaft aan de wees en de weduwe, Die de vreemdeling liefheeft door hem brood en kleding te geven.

19Daarom moet u de vreemdeling liefhebben, want u bent zelf vreemdelingen geweest in het land Egypte.

20De HEERE, uw God, moet u

10:20
Deut. 6:13
Matt. 4:10
Luk. 4:8
vrezen, Hem moet u dienen, aan Hem moet u
10:20
Deut. 13:4
zich vasthouden en bij Zijn Naam moet u zweren.

21Hij is uw lof en Hij is uw God, Die bij u deze grote en ontzagwekkende dingen gedaan heeft, die uw ogen gezien hebben.

22Met

10:22
Gen. 46:27
Ex. 1:5
Hand. 7:14
zeventig zielen trokken uw vaderen naar Egypte, en nu heeft de HEERE, uw God, u zo talrijk gemaakt
10:22
Gen. 15:5
als de sterren aan de hemel.

11

Mozes roept Israël opnieuw op zich aan Gods geboden te houden

111Daarom moet u de HEERE, uw God, liefhebben en Zijn voorschriften, Zijn verordeningen, Zijn bepalingen en Zijn geboden in acht nemen, alle dagen.

2U moet heden weten dat ik niet spreek tot uw kinderen, die het niet weten, en het onderwijs van de HEERE, uw God, niet gezien hebben – Zijn grootheid, Zijn sterke hand en Zijn uitgestrekte arm,

3Zijn tekenen en Zijn daden die Hij in het midden van Egypte verricht heeft, bij de farao, de koning van Egypte, en heel zijn land,

4en wat Hij gedaan heeft met het leger van de Egyptenaren, met hun paarden en strijdwagens: dat Hij het water van de Schelfzee over hen heen liet stromen, toen zij u achtervolgden; de HEERE heeft hen omgebracht, tot op deze dag.

5Ook wat Hij voor u gedaan heeft in de woestijn, totdat u op deze plaats gekomen bent,

6en wat Hij gedaan heeft

11:6
Num. 16:31
27:3
Ps. 106:17
met Dathan en Abiram, zonen van Eliab, de zoon van Ruben: dat de aarde haar mond opende en hen verzwolg, met hun gezinnen en hun tenten en alles wat bij hen hoorde, te midden van heel Israël.

7Want uw ogen hebben al deze grote daden van de HEERE, die Hij verricht heeft, gezien.

8Daarom moet u alle geboden die ik u heden gebied, in acht nemen. Dan zult u sterk zijn en het land waar u naartoe trekt om het in bezit te nemen, binnengaan en in bezit nemen,

9opdat u uw dagen zult verlengen in het land waarvan de HEERE uw vaderen gezworen heeft het hun en hun nageslacht te geven, een land dat overvloeit van melk en honing.

10Want het land waar u naartoe gaat om het in bezit te nemen, is niet zoals het land Egypte, waaruit u weggetrokken bent, dat u met uw zaad moest bezaaien en al lopend11:10 al lopend - Letterlijk: met uw voet. water moest geven, zoals een groentetuin.

11Maar het land waar u naartoe trekt om het in bezit te nemen, is een land met bergen en dalen; het drinkt water door de regen uit de hemel.

12Het is een land waar de HEERE, uw God, voor zorgt: voortdurend rusten de ogen van de HEERE, uw God, daarop, van het begin van het jaar tot het einde van het jaar.

13En het zal gebeuren, wanneer u nauwgezet luistert naar mijn geboden die ik u heden gebied, door de HEERE, uw God, lief te hebben en Hem te dienen met heel uw hart en met heel uw ziel,

14dat Ik regen voor uw land zal geven op zijn tijd, vroege regen en late regen, zodat u uw koren, uw nieuwe wijn en uw olie kunt inzamelen.

15Ook zal Ik gewas op uw veld geven voor uw dieren; en u zult eten en verzadigd worden.

16Wees op uw hoede dat uw hart niet verleid wordt, zodat u

11:16
Deut. 8:19
afwijkt, andere goden dient en u voor hen neerbuigt.

17Anders zal de toorn van de HEERE tegen u ontbranden en zal Hij de hemel sluiten, zodat er geen regen meer zal zijn, de aardbodem zijn opbrengst niet meer zal geven en u spoedig verdwenen zult zijn uit het goede land dat de HEERE u geeft.

18

11:18
Deut. 6:6,8
Daarom moet u deze woorden van mij in uw hart en in uw ziel prenten.11:18 in … prenten - Letterlijk: op uw hart en op uw ziel leggen. Bind ze als een teken op uw hand, en ze moeten als een voorhoofdsband tussen uw ogen zijn.

19En

11:19
Deut. 4:9
6:7
leer ze aan uw kinderen door erover te spreken als u in uw huis zit en als u over de weg gaat, als u neerligt en als u opstaat;

20en schrijf ze op de deurposten van uw huis en op uw poorten,

21opdat uw dagen en de dagen van uw kinderen in het land waarvan de HEERE uw vaderen gezworen heeft het hun te geven, zo talrijk worden als de dagen dat de hemel boven de aarde staat.

22Want als u al deze geboden die ik u gebied, nauwlettend in acht neemt door ze te houden, door de HEERE, uw God, lief te hebben, door in al Zijn wegen te gaan en u aan Hem vast te houden,

23dan zal de HEERE al deze volken van voor uw ogen uit hun bezit verdrijven, en zult u het land van volken die groter en machtiger zijn dan u, in bezit nemen.

24Elke plaats

11:24
Joz. 1:3
14:9
die uw voetzool betreedt, zal van u zijn; vanaf de woestijn en de Libanon, vanaf de rivier, de rivier de Eufraat, tot aan de zee in het westen11:24 de zee in het westen - Letterlijk: de achterste zee. zal uw gebied zich uitstrekken.

25Niemand zal tegenover u standhouden; de HEERE, uw God, zal over heel het land dat u zult betreden, angst en vrees voor u geven,

11:25
Ex. 23:27
zoals Hij tot u gesproken heeft.

26Zie, ik houd u heden zegen en vloek voor:

27de zegen, als u luistert naar de geboden van de HEERE, uw God, die ik u heden gebied;

28de vloek, als u niet luistert naar de geboden van de HEERE, uw God, en van de weg afwijkt die ik u heden gebied, om achter andere goden aan te gaan, die u niet gekend hebt.

29Het zal gebeuren, wanneer de HEERE, uw God, u gebracht heeft in het land waar u naartoe gaat om het in bezit te nemen,

11:29
Deut. 27:12
Joz. 8:33
dat u de zegen uit zult spreken op de berg Gerizim en
11:29
Deut. 27:13
de vloek op de berg Ebal.

30Die liggen immers aan de overzijde van de Jordaan, achter de weg naar de zonsondergang, in het land van de Kanaänieten die in de Vlakte wonen, tegenover Gilgal, bij de eiken van More.

31Want u zult de Jordaan oversteken om het land dat de HEERE, uw God, u geeft, in te gaan en het in bezit te nemen; u zult het in bezit nemen en erin wonen.

32Neem dan alle verordeningen en bepalingen die ik u heden voorhoud, nauwlettend in acht.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]