Herziene Statenvertaling (HSV)
6

Strafprediking tegen de zorgeloze hoogmoed van Israël

61Wee de zorgelozen in Sion,

en de onbezorgden op de berg van Samaria,

de beroemdsten van de

6:1
Ex. 19:5
Jer. 2:3
voornaamste van de volken,

en tot wie het huis van Israël komt.

2Trek naar Kalne en kijk er rond;

ga vandaar naar het grote Hamath,

en daal af naar Gath van de Filistijnen.

Zijn ze beter dan deze koninkrijken?

Is hun gebied groter dan uw gebied?

3U, die de

6:3
Amos 5:18
onheilsdag
6:3
Ezech. 12:27
ver van u afhoudt,

maar de zetel van het geweld naderbij brengt;

4u, die op bedden van ivoor ligt,

die op uw rustbanken hangt,

die lammeren uit het kleinvee eet,

kalveren uit het midden van de stal;

5u, die vrolijk zingt onder het geklank van de

6:5
Jes. 5:12
luit

– zoals David hebben zij voor zichzelf muziekinstrumenten uitgedacht –

6u, die wijn uit sprengbekkens

6:6
Jes. 5:11
drinkt

en u zalft met de beste olie,

maar om de ondergang6:6 ondergang - Letterlijk: breuk. van Jozef

6:6
Jes. 5:12
bekommert u zich niet.

7Daarom zullen zij nu als eersten in

6:7
Jes. 5:13
ballingschap gaan;

dan is het feest voorbij voor hen die maar wat rondhangen.

8De Heere HEERE zweert bij Zichzelf

– spreekt de HEERE, de God van de legermachten:

Ik verafschuw de glorie van Jakob,

zijn paleizen haat Ik.

Ik zal de stad uitleveren met al wat zij bevat.

9En mocht het gebeuren dat er tien mannen in één huis overgebleven zijn, dan zullen die sterven.

10Als een familielid, of iemand die hem gaat verbranden, iemands lichaam opneemt om de beenderen het huis uit te dragen, zal hij tegen hem die nog binnen in huis is, zeggen: Is er nog iemand bij u? En die zal zeggen: Niemand. Daarop zal de eerste zeggen: Stil, want dit is niet iets om er de Naam van de HEERE bij te noemen!

11Want, zie, de HEERE gebiedt,

en het grote huis treft Hij met scheuren

en het kleine huis met spleten.

12Rennen paarden op een rots?

Ploegt men er met runderen?

Ja, u hebt recht in gal veranderd,

en de vrucht van de gerechtigheid in

6:12
Amos 5:7
alsem.

13U, die blij bent met Lodebar,6:13 Lodebar - De naam van de plaats (2 Sam. 9:4 e.a.) betekent: een ding van niets.

u, die zegt: Hebben wij niet door onze kracht

Karnaïm6:13 Karnaïm - De naam van de plaats betekent: hoorns. voor ons ingenomen?

14Want, zie, Ik doe een volk tegen u opstaan,

huis van Israël!

spreekt de HEERE, de God van de legermachten.

Dat zal u onderdrukken

van Lebo-Hamath

tot het beekdal van de Vlakte.

7

Het visioen van de sprinkhanen

71Dit heeft de Heere HEERE mij laten zien, en zie, Hij formeerde sprinkhanen toen het nagras begon op te komen; let wel, nagras, nadat er voor de koning gemaaid is.

2En het gebeurde, toen ze het opvreten van het gewas van het land voltooid hadden, dat ik zei: Heere HEERE, vergeef toch! Hoe zou Jakob staande kunnen blijven? Hij is immers klein!

3Toen kreeg de HEERE hier berouw over. Het zal niet gebeuren, zei de HEERE.

Het visioen van het allesverterende vuur

4Dit heeft de Heere HEERE mij laten zien, en zie, de Heere HEERE riep uit dat Hij een rechtszaak wilde voeren door middel van vuur. Het verslond de grote watervloed. Ook verslond het een stuk land.

5Toen zei ik: Heere HEERE, houd toch op! Hoe zou Jakob staande kunnen blijven? Hij is immers klein!

6Toen kreeg de HEERE hier berouw over. Ook dit zal niet gebeuren, zei de Heere HEERE.

Het visioen van het paslood

7Dit heeft Hij mij laten zien, en zie, de Heere stond op een loodrechte muur7:7 loodrechte muur - Hebreeuws onzeker; anders: tinnen muur. met een paslood7:7 een paslood - Hebreeuws onzeker; anders: tin. Ook in vers 8. in Zijn hand.

8Toen zei de HEERE tegen mij: Wat ziet u, Amos? Ik zei: Een paslood. Daarop zei de Heere: Zie, Ik ga een paslood plaatsen in het midden van Mijn volk Israël. Ik zal het niet langer voorbijgaan.

9Verwoest zullen worden de offerhoogten van Izak,

de heiligdommen van Israël zullen worden verwoest,

en tegen het huis van Jerobeam zal Ik opstaan met het zwaard.

Amos en de priester Amazia

10Toen stuurde Amazia, de priester van Bethel, een bode naar Jerobeam, de koning van Israël, om te zeggen: Amos heeft een samenzwering tegen u gesmeed in het midden van het huis van Israël. Het land zal aan al zijn woorden geen weerstand kunnen bieden.

11Want dit heeft Amos gezegd: Jerobeam zal sterven door het zwaard, Israël zal zeker in ballingschap worden gevoerd, weg uit zijn land.

12Daarop zei Amazia tegen Amos: Ziener, ga heen, vlucht naar het land van Juda! Eet daar uw brood en ga daar profeteren.

13In Bethel mag u niet langer profeteren, want dat is het heiligdom van de koning, dat is het huis van het koninkrijk.

14Toen antwoordde Amos en zei tegen Amazia: Ik ben geen profeet en ik ben geen profetenzoon, maar ik ben veehouder en moerbeikweker.

15De HEERE haalde mij echter achter de kudde vandaan en de HEERE zei tegen mij: Ga heen, profeteer tegen Mijn volk Israël!

16Nu dan, hoor het woord van de HEERE. U zegt: U mag niet profeteren tegen Israël, en: U mag uw woorden niet laten

7:16
Ezech. 21:2
stromen tegen het huis van Izak!

17Daarom, zo zegt de HEERE:

Uw vrouw zal in de stad hoererij bedrijven,

uw zonen en uw dochters zullen door het zwaard vallen,

en uw land zal met een meetsnoer verdeeld worden;

en ú zult sterven op onreine bodem,

en Israël zal zeker in ballingschap worden gevoerd,

weg uit zijn land.

8

Het visioen van de korf rijpe vruchten

81Dit heeft de Heere HEERE mij laten zien, en zie: een korf met zomervruchten.

2Toen zei Hij: Wat ziet u, Amos? Ik zei: Een korf met zomervruchten. Daarop zei de HEERE tegen mij:

Het einde8:2 einde - Het Hebreeuwse woord voor ‘einde’ klinkt als het woord voor ‘zomervruchten’. is gekomen voor Mijn volk Israël:

Ik zal het niet langer voorbijgaan.

3De tempelliederen zullen klagend klinken

op die dag, spreekt de Heere HEERE.

Talrijk zullen de dode lichamen zijn.

Op elke plaats

werpt men ze zwijgend weg.

Bedreigingen tegen Israël

4Hoor dit, u, die de armen vertrapt,8:4 vertrapt - Letterlijk: opslokt. en erop uit bent om de zachtmoedigen van het land weg te doen,

5door te zeggen: Wanneer is de nieuwemaansdag voorbij, zodat wij graan kunnen verkopen? En de sabbat, zodat wij de korenschuren kunnen openen? U maakt de efa8:5 Een efa is een korenmaat van vermoedelijk tussen de 20 en 45 liter. kleiner, de sikkel8:5 Een sikkel is 10 tot 13 gram. groter, en u bedriegt

8:5
Hos. 12:8
met valse weegschalen.

6U koopt de geringen voor

8:6
Amos 2:6
geld, en de armen voor een paar schoenen. En u zegt: Wij verkopen het kaf van het koren.

7De HEERE heeft gezworen bij de glorie van Jakob: Nooit zal Ik al hun daden vergeten!

8Zou hierom het land niet sidderen,

zodat elke inwoner rouw bedrijft,

omdat het in zijn geheel stijgt als de Nijl,

stijgt en wegzinkt als de rivier van Egypte?

9Op die dag zal het gebeuren,

spreekt de Heere HEERE,

dat Ik de zon midden op de dag zal laten ondergaan;

op klaarlichte dag zal Ik het land duister maken.

10Ik zal uw feesten in rouw veranderen,

al uw liederen in klaagzangen;

om alle heupen zal Ik een rouwgewaad aanbrengen,

elk hoofd zal kaal zijn,

omdat Ik het land in rouw dompel als over een enig kind,

en wat ervan overblijft zal zijn als een bittere dag.

11Zie, er komen dagen,

spreekt de Heere HEERE,

dat Ik honger in het land zal zenden;

geen honger naar brood,

geen dorst naar water,

maar om de woorden van de HEERE te horen.

12Dan dolen zij van zee tot zee,

van noord tot oost trekken zij rond,

om het woord van de HEERE te zoeken,

maar zij zullen het niet vinden.

13Op die dag zullen zij van dorst versmachten,

de mooie meisjes en de jonge mannen,

14zij die zweren bij de schuld van Samaria,

en zeggen: Zo waar uw god van Dan leeft,

en de pelgrimstocht naar

8:14
Amos 5:5
Berseba leeft!

Zij zullen vallen en niet meer opstaan.