Herziene Statenvertaling (HSV)
2

Profetie over Moab, Juda en Israël

21Zo zegt de HEERE:

Vanwege drie overtredingen van Moab,

ja, vanwege vier, zal Ik er niet op terugkomen,

omdat hij de beenderen van de koning van Edom

tot kalk verbrand heeft.

2Daarom zal Ik vuur werpen in Moab;

dat zal de paleizen van Kerioth verteren.

Moab zal sterven onder oorlogsgedruis,

krijgsgeschreeuw en bazuingeschal.

3Ik zal de rechter uit zijn midden uitroeien,

en Ik zal al zijn vorsten met hem doden,

zegt de HEERE.

4Zo zegt de HEERE:

Vanwege drie overtredingen van Juda,

ja, vanwege vier, zal Ik er niet op terugkomen,

omdat zij de wet van de HEERE verworpen hebben,

Zijn verordeningen niet in acht genomen hebben,

en hun leugengoden hen hebben misleid,

de goden die hun vaderen naliepen.

5Daarom zal Ik vuur werpen in Juda;

dat zal de paleizen van Jeruzalem verteren.

6Zo zegt de HEERE:

Vanwege drie overtredingen van Israël,

ja, vanwege vier, zal Ik er niet op terugkomen,

omdat zij de rechtvaardige voor

2:6
Amos 8:6
geld verkopen

en de arme voor een paar schoenen.

7Zij snakken ernaar dat het stof van de aarde op het hoofd van de geringen is,

zij duwen de zachtmoedigen van de weg.

Een man en zijn vader gaan naar hetzelfde meisje

om Mijn heilige Naam te ontheiligen.

8Zij strekken zich uit op kleren die zij in onderpand hebben,

naast elk altaar.

Zij drinken wijn die als boete was opgelegd,

in het huis van hun goden.

9Maar Ík heb de

2:9
Num. 21:24
Deut. 2:31
Joz. 24:8
Amorieten voor hun ogen weggevaagd,

die hoog waren als ceders

en sterk waren als eiken.

Ik heb zijn vrucht vanboven weggevaagd

en zijn wortels vanonder.

10Maar Ík heb u uit het land

2:10
Ex. 12:51
Egypte geleid,

en liet u veertig jaar door de woestijn gaan,

om het land van de Amorieten in bezit te nemen.

11Uit uw zonen deed Ik profeten opstaan,

uit uw jongemannen nazireeërs.

Is dit niet zo, Israëlieten?

spreekt de HEERE.

12Maar u laat de nazireeërs wijn drinken,

en u hebt de profeten

2:12
Amos 7:12,13
geboden: Profeteer niet!

13Zie, Ik ga het onder u laten kraken,

zoals een wagen kraakt,

vol graanschoven.

14Dan gaat voor de snelle de kans op ontvluchten verloren,

de sterke zal zijn kracht niet inzetten,

geen held zijn leven redden.

15Niemand die de boog hanteert, zal staande blijven,

geen hardloper2:15 hardloper - Letterlijk: licht op zijn voeten. zich redden,

geen ruiter te paard zijn leven redden.

16Zelfs de moedigste2:16 de moedigste - Letterlijk: sterk van zijn hart. onder de helden

zal op die dag naakt wegvluchten,

spreekt de HEERE.

3

Aankondiging van de straf over Israël en Juda

31Luister naar dit woord dat de HEERE tot u spreekt, Israëlieten, tot het hele geslacht dat Ik uit het land Egypte heb geleid:

2Alleen u heb Ik gekend

uit alle geslachten op de aarde.

Daarom zal Ik u vergelden

al uw ongerechtigheden.

3Gaan er twee samen

zonder elkaar ontmoet te hebben?

4Brult een leeuw in het woud

als hij geen prooi heeft?

Laat een jonge leeuw vanuit zijn hol zijn stem klinken

zonder dat hij iets gevangen heeft?

5Duikt een vogel in een strik op de aarde

als er geen val voor hem is?

Springt de strik van de grond op

als er niets gevangen is?

6Of wordt in een stad de bazuin geblazen

zonder dat het volk beeft?

Of komt er

3:6
Jes. 45:7
Klaagl. 3:37,38
kwaad in de stad voor

zonder dat de HEERE dat doet?

7Voorzeker, de Heere HEERE doet niets tenzij Hij Zijn geheimenis heeft geopenbaard aan Zijn dienaren, de profeten.

8De leeuw heeft gebruld.

Wie zou niet bevreesd zijn?

De Heere HEERE heeft gesproken.

Wie zou niet profeteren?

9Laat het horen in de paleizen in Asdod

en in de paleizen in het land Egypte, en zeg:

Verzamel u op de bergen van Samaria,

en zie de grote verwarring in het midden daarvan

en alle verdrukking daarbinnen.

10Want zij weten niet te doen wat recht is,

spreekt de HEERE,

zij die geweld en verwoesting in hun paleizen opslaan.

11Daarom, zo zegt de Heere HEERE:

De tegenstander, ja, aan alle kanten van het land!

Hij zal uw vesting van u neerhalen,

uw paleizen zullen leeggeplunderd worden.

12Zo zegt de HEERE:

Zoals een herder uit de muil van de leeuw

twee pootjes redt

of een stukje van het oor,

zo zullen de Israëlieten gered worden:

Zij die in Samaria zitten

op de hoek van een bed

en op het kussen van een rustbank.

13Luister en waarschuw het huis van Jakob,

spreekt de Heere HEERE, de God van de legermachten.

14Voorzeker, op de dag dat Ik

Israël zijn overtredingen zal vergelden,

zal Ik ook de altaren van Bethel vergelden.

Dan zullen de hoorns van het altaar afgehakt worden

en op de aarde vallen.

15Ik zal het winterverblijf treffen

samen met het zomerverblijf,

zodat de ivoren huizen verloren gaan

en vele huizen weggevaagd worden,

spreekt de HEERE.

4

Bedreiging tegen de vrouwen van Samaria

41Luister naar dit woord,

koeien van Basan die op de berg van Samaria zijn,

u, die de geringen onderdrukt,

die de armen mishandelt,

die tegen hun heren zeggen:

Breng ons iets, zodat wij kunnen drinken.

2De Heere HEERE heeft gezworen bij Zijn heiligheid

dat er, zie, dagen voor u komen

dat men u zal optrekken met haken

en wie na u overblijft, met vishaken.

3Door bressen zult u naar buiten gaan, de ene vrouw na de andere,

en weggeworpen worden naar Harmon, spreekt de HEERE.

4Kom naar Bethel en zondig,

naar

4:4
Hos. 12:12
Gilgal om veel te zondigen.

Breng 's morgens uw offers,

op elke derde dag uw tienden.

5Laat van het gezuurde brood een lofoffer

4:5
Lev. 2:1,15
7:13
in rook opgaan,

kondig luid vrijwillige gaven aan, laat het horen,

want zo wilt u het toch graag,

Israëlieten,

spreekt de Heere HEERE.

6Daarom heb Ík u ook

schone tanden gegeven in al uw steden,

gebrek aan brood in al uw woonplaatsen.

Toch hebt u zich niet tot Mij bekeerd,

spreekt de HEERE.

7En Ík heb zelfs de regen u onthouden,

nog wel drie maanden voor de oogsttijd.

Ik heb het laten regenen op de ene stad,

maar op de andere stad liet Ik het niet regenen.

Het ene stuk land werd beregend,

maar het stuk waarop geen regen viel, verdorde.

8Twee, drie steden wankelden

naar een andere stad om water te drinken,

maar zij werden niet verzadigd.

Toch hebt u zich niet tot Mij bekeerd,

spreekt de HEERE.

9Ik heb u geslagen met

4:9
Deut. 28:22
korenbrand en met meeldauw.

De

4:9
Joël 1:4
2:25
sprinkhanen vraten uw talrijke tuinen, wijngaarden,

vijgenbomen en olijfbomen op.

Toch hebt u zich niet tot Mij bekeerd,

spreekt de HEERE.

10Ik heb de pest naar u toegestuurd, zoals Ik eens bij Egypte deed.4:10 zoals Ik eens bij Egypte deed - Letterlijk: in de weg van Egypte.

Ik heb uw jongemannen met het zwaard gedood, terwijl uw paarden werden buitgemaakt.

Ik heb de stank van uw legerkampen in uw neus doen opstijgen.

Toch hebt u zich niet tot Mij bekeerd,

spreekt de HEERE.

11Ik heb u ondersteboven gekeerd,

zoals God

4:11
Gen. 19:24
Sodom en Gomorra ondersteboven keerde;

u werd als een stuk brandhout dat aan de vlammen ontrukt is,

maar u hebt zich niet tot Mij bekeerd,

spreekt de HEERE.

12Daarom zal Ik zó met u handelen, Israël,

dat Ik u dit zal aandoen.

Maak u gereed om uw God te ontmoeten, Israël!

13Want, zie, Hij Die de bergen vormt, Die de

4:13
Nahum 1:3
wind schept

en Die aan de mens bekendmaakt wat zijn gedachten zijn,

Die de dageraad tot duisternis maakt,

en Die op de hoogten van de aarde treedt;

HEERE, God van de legermachten, is Zijn Naam.