Herziene Statenvertaling (HSV)
7

De rede van Stefanus

71En de hogepriester zei: Zijn deze dingen zo?

2En hij zei: Mannenbroeders en vaders, luister! De God der heerlijkheid verscheen aan onze vader Abraham, toen hij nog in Mesopotamië was, voordat hij in Haran woonde,

3en Hij zei tegen hem:

7:3
Gen. 12:1
Ga uit uw land en uit uw familie en kom naar een land dat Ik u wijzen zal.

4Toen ging hij uit het land van de Chaldeeën en ging in Haran wonen. En daarvandaan bracht Hij, nadat zijn vader gestorven was, hem over naar dit land, waar u nu in woont.

5Maar Hij gaf hem daarin geen erfdeel, zelfs geen voetstap;

7:5
Gen. 12:7
13:15
en Hij beloofde hem, toen hij nog geen kind had, dat Hij dat land aan hem en na hem aan zijn nageslacht in bezit geven zou.

6En zo sprak God uit

7:6
Gen. 15:13
dat zijn nageslacht bijwoner zou zijn in een vreemd land en dat ze hen tot slaven zouden maken en slecht zouden behandelen,
7:6
Gen. 15:16
Ex. 12:40
Gal. 3:17
vierhonderd jaar lang.

7En het volk dat zij zullen dienen, zal Ik oordelen, sprak God; en

7:7
Gen. 15:16
daarna zullen zij uittrekken
7:7
Ex. 3:12
en Mij dienen op deze plaats.

8En Hij gaf hem het verbond

7:8
Gen. 17:10
van de besnijdenis; en zo
7:8
Gen. 21:2
verwekte hij Izak en besneed hem op de achtste dag, en Izak verwekte en besneed
7:8
Gen. 25:24
Jakob, en Jakob
7:8
Gen. 29:32
30:5
35:23
de twaalf aartsvaders.

9En de aartsvaders,

7:9
Gen. 37:4
die jaloers waren,
7:9
Gen. 37:28
Ps. 105:17
verkochten Jozef zodat hij naar Egypte gebracht werd. Maar God was met hem

10en verloste hem uit al zijn verdrukkingen, en Hij gaf hem genade en wijsheid tegenover de farao, de koning van Egypte; en die

7:10
Gen. 41:40
stelde hem aan als bestuurder over Egypte en over heel zijn huis.

11

7:11
Gen. 41:54
Ps. 105:16
Er kwam echter een hongersnood over heel het land Egypte en Kanaän en grote benauwdheid; en onze vaderen vonden geen voedsel.

12

7:12
Gen. 42:1
Maar toen Jakob hoorde dat er in Egypte koren was, stuurde hij onze vaderen er de eerste keer opuit.

13

7:13
Gen. 45:4
En bij de tweede keer werd Jozef door zijn broers herkend; en de afkomst van Jozef werd bij de farao bekend.

14En Jozef stuurde hen terug en liet zijn vader Jakob halen en heel zijn familie, die uit vijfenzeventig zielen bestond.

15

7:15
Gen. 46:5
En Jakob kwam in Egypte en hij
7:15
Gen. 49:33
stierf, hijzelf en onze vaderen,

16

7:16
Gen. 50:13
Ex. 13:19
Joz. 24:32
en zij werden overgebracht naar Sichem en in het graf gelegd
7:16
Gen. 23:16
dat Abraham voor een geldbedrag van de zonen van Hemor, de vader van Sichem, gekocht had.

17Naarmate echter de tijd van de belofte die God aan Abraham gezworen had, naderbij kwam,

7:17
Ex. 1:7
Ps. 105:24
groeide het volk en nam in aantal toe in Egypte,

18totdat er een andere koning opstond, die Jozef niet gekend had.

19Die ging listig met ons geslacht om en behandelde onze vaderen slecht door hen hun jonge kinderen te vondeling te laten leggen, opdat zij zich niet zouden voortplanten.

20

7:20
Ex. 2:2
6:19
Num. 26:59
1 Kron. 23:13
Hebr. 11:23
In die tijd werd Mozes geboren. Hij was bijzonder mooi.7:20 bijzonder mooi - Letterlijk: mooi voor God. Hij werd drie maanden opgevoed in het huis van zijn vader.

21En toen hij te vondeling gelegd was, nam de dochter van de farao hem op in haar huis en voedde hem voor zichzelf op als een zoon.

22En Mozes werd onderwezen in alle wijsheid van de Egyptenaren en was machtig in woorden en in daden.

23

7:23
Ex. 2:11
Toen hij nu de leeftijd van veertig jaar bereikt had, kwam het in zijn hart op zijn broeders, de Israëlieten, te bezoeken.

24

7:24
Ex. 2:11
En toen hij iemand zag die onrecht leed, nam hij hem in bescherming en wreekte degene die mishandeld werd: hij sloeg de Egyptenaar dood.

25En hij dacht dat zijn broeders begrijpen zouden dat God hun door zijn hand verlossing zou geven, maar zij begrepen het niet.

26

7:26
Ex. 2:13
En de volgende dag zagen zij hem,7:26 zagen zij hem - Letterlijk: werd hij door hen gezien. terwijl zij aan het vechten waren; en hij spoorde hen aan tot vrede door te zeggen: Mannen, u bent broeders; waarom doet u elkaar onrecht?

27Degene die zijn naaste onrecht deed, stootte hem echter van zich af en zei:

7:27
Vers 35;
Wie heeft u tot een leider en rechter over ons aangesteld?

28Wilt u mij ook om het leven brengen, op de wijze waarop u gisteren die Egyptenaar om het leven gebracht hebt?

29En Mozes vluchtte op dat woord en werd een vreemdeling in het land Midian, waar hij twee zonen verwekte.

30

7:30
Ex. 3:2
En toen er veertig jaar verstreken was, verscheen de Engel van de Heere aan hem in de woestijn van de berg Sinaï, in de vlam van een brandende doornstruik.

31Toen Mozes dat zag, verwonderde hij zich over wat hij zag; en toen hij ernaartoe ging om het te bekijken, kwam er een stem van de Heere tot hem:

32

7:32
Ex. 3:6
Matt. 22:32
Hebr. 11:16
Ik ben de God van uw vaderen, de God van Abraham, de God van Izak en de God van Jakob. En Mozes begon erg te beven en durfde het niet te bekijken.

33En de Heere zei tegen hem:

7:33
Joz. 5:15
Maak de sandalen aan uw voeten los, want de plaats waarop u staat, is heilige grond.

34Ik heb de mishandeling van Mijn volk, dat in Egypte is, heel goed gezien, en Ik heb hun zuchten gehoord en ben neergedaald om hen daaruit te verlossen; en nu, kom, Ik zal u naar Egypte zenden.

35Die Mozes, die zij afgewezen hadden toen zij zeiden: Wie heeft u tot een leider en rechter aangesteld? Hém heeft God als leider en verlosser gezonden door de hand van de Engel Die aan hem verschenen was in de doornstruik.

36

7:36
Ex. 7
8
9
10
11
13
14
Deze heeft hen uitgeleid, terwijl hij wonderen en tekenen deed in het land Egypte, in de Rode Zee
7:36
Ex. 16:1
Deut. 1:3
en in de woestijn, veertig jaar.

37Dit is de Mozes die tegen de Israëlieten gezegd heeft:

7:37
Deut. 18:15,18
Joh. 1:46
Hand. 3:22
De Heere, uw God, zal voor u een Profeet laten opstaan uit uw broeders, zoals ik;
7:37
Matt. 17:5
naar Hem moet u luisteren.

38

7:38
Ex. 19:3
Hij is het die in de woestijn tijdens de samenkomst van het volk
7:38
Gal. 3:19
bij de Engel was Die tot hem sprak op de berg Sinaï, en bij onze vaderen, en Hij was het die de levende woorden ontving om die aan ons door te geven.

39Onze vaderen wilden hem niet gehoorzamen, maar verwierpen hem en keerden in hun hart terug naar Egypte;

40en zij zeiden tegen Aäron:

7:40
Ex. 32:1
Maak voor ons goden die vóór ons uit zullen gaan, want wat die Mozes betreft, die ons uit het land Egypte geleid heeft, wij weten niet wat er met hem gebeurd is.

41En zij maakten in die dagen een kalf en brachten een offer aan die afgod, en zij waren verblijd over de werken van hun handen.

42En God keerde Zich af en gaf hen over om het hemelleger te dienen, zoals er geschreven is in het boek van de Profeten:

7:42
Amos 5:25
Hebt u de veertig jaar in de woestijn ook slachtoffers en offers aan Mij gebracht, huis van Israël?

43

7:43
Amos 5:26,27
Ja, u hebt de tent van Moloch meegedragen en de ster van uw god Remfan, de afbeeldingen die u gemaakt hebt om ze te aanbidden. Ik zal u daarom wegvoeren, verder dan Babylon.

44Bij onze vaderen in de woestijn was de tent van de getuigenis, zoals Hij Die tot Mozes sprak, hem had opgedragen deze te maken

7:44
Ex. 25:40
Hebr. 8:5
overeenkomstig de afbeelding die hij gezien had.

45

7:45
Joz. 3:14
Ook brachten onze vaderen die, nadat zij hem ontvangen hadden, met Jozua in het land dat de heidenen bezaten die God voor onze vaderen uit verdreven heeft. Zo bleef het tot de dagen van David toe,

46

7:46
1 Sam. 16:1
Ps. 89:21
Hand. 13:22
die genade vond in de ogen van God
7:46
2 Sam. 7:2
1 Kron. 17:1
Ps. 132:5
en verlangde een woonplaats te vinden voor de God van Jakob.

47

7:47
1 Kon. 6:1
1 Kron. 17:12
Maar Salomo bouwde voor Hem een huis.

48

7:48
1 Kon. 8:27
Hand. 17:24
De Allerhoogste woont echter niet in tempels die met handen gemaakt zijn, zoals de profeet zegt:

49

7:49
2 Kron. 6:33
Jes. 66:1
Matt. 5:34
23:22
De hemel is voor Mij een troon en de aarde een voetbank voor Mijn voeten. Wat voor huis zult u dan voor Mij bouwen, zegt de Heere, of wat is de plaats van Mijn rust?

50

7:50
Gen. 1:4
Heeft Mijn hand niet al deze dingen gemaakt?

51

7:51
Neh. 9:16,17
Jer. 6:10
Hardnekkigen en onbesnedenen van hart en oren, u verzet u altijd tegen de Heilige Geest; zoals uw vaderen deden, zo doet u ook.

52Wie van de profeten hebben uw vaderen niet vervolgd? Zelfs hebben zij hen gedood die de komst van de Rechtvaardige aankondigden, van Wie u nu verraders en moordenaars geworden bent.

53

7:53
Ex. 19:3
24:3
Joh. 7:19
Gal. 3:19
Hebr. 2:2
U, die de wet ontvangen hebt door de dienst van engelen, hebt die niet in acht genomen!

De dood van Stefanus

54Toen zij dit hoorden, barstten hun harten van woede en knarsten zij hun tanden tegen hem.

55Maar hij, vol van de Heilige Geest, hield zijn ogen naar de hemel gericht en zag de heerlijkheid van God, en Jezus, staande aan de rechterhand van God.

56En hij zei: Zie, ik zie de hemelen geopend en de Zoon des mensen, staande aan de rechterhand van God.

57Maar zij riepen met luide stem, stopten hun oren dicht en stormden eensgezind op hem af.

58

7:58
1 Kon. 21:13
Luk. 4:29
En zij wierpen hem de stad uit en stenigden hem,
7:58
Hand. 22:20
en de getuigen legden hun kleren af aan de voeten van een jongeman, die Saulus heette.

59En zij stenigden Stefanus, terwijl deze Jezus aanriep en zei:

7:59
Ps. 31:6
Luk. 23:46
Heere Jezus, ontvang mijn geest.

60En terwijl hij op de knieën viel, riep hij met luide stem:

7:60
Matt. 5:44
Luk. 23:34
1 Kor. 4:12
Heere, reken hun deze zonde niet toe! En toen hij dat gezegd had, ontsliep hij.

8

Het Evangelie in Samaria

81En

8:1
Hand. 22:20
Saulus stemde van harte in met zijn dood. En er ontstond op die dag een grote vervolging tegen de gemeente die in Jeruzalem was;
8:1
Hand. 11:19
en zij werden allen verspreid over de landstreken van Judea en Samaria, behalve de apostelen.

2En godvrezende mannen droegen Stefanus samen naar het graf

8:2
Gen. 23:2
50:10
2 Sam. 3:31
en bedreven grote rouw over hem.

3En

8:3
Hand. 9:1
22:4
26:9
1 Kor. 15:9
Gal. 1:13
1 Tim. 1:13
Saulus begon de gemeente te verwoesten: hij ging de huizen binnen, sleepte mannen en vrouwen mee en leverde hen over in de gevangenis.

4Zij dan die overal verspreid waren,

8:4
Matt. 10:23
Hand. 11:19
trokken het land door en verkondigden het Woord.

5En Filippus daalde af naar de stad van Samaria en predikte hun Christus.

6En de menigten hielden zich eensgezind aan wat door Filippus gezegd werd, omdat zij luisterden en de tekenen zagen die hij deed.

7

8:7
Mark. 16:17
Hand. 5:16
16:18
19:11
Want bij velen die onreine geesten hadden, gingen die er onder luid schreeuwen uit; en veel verlamden en kreupelen werden genezen.

8En er ontstond grote blijdschap in die stad.

Simon de tovenaar

9En een zeker man, van wie de naam Simon was, bedreef reeds hiervoor in de stad

8:9
Hand. 13:6
toverij en deed het volk van Samaria versteld staan, terwijl hij van zichzelf zei dat hij een groot man was.

10Allen, van klein tot groot, hingen hem aan en zeiden: Deze man is de grote kracht van God.

11En zij hingen hem aan, omdat hij hen lange tijd met toverijen versteld had doen staan.

12Maar toen zij Filippus geloofden, die het Evangelie van het Koninkrijk van God en van de Naam van Jezus Christus verkondigde, werden zij gedoopt, zowel mannen als vrouwen.

13En Simon geloofde zelf ook en nadat hij gedoopt was, bleef hij voortdurend bij Filippus; en toen hij de tekenen en grote krachten zag die er gebeurden, stond hij versteld.

14Toen de apostelen die in Jeruzalem waren, hoorden dat Samaria het Woord van God aangenomen had, stuurden zij Petrus en Johannes naar hen toe,

15en toen die aangekomen waren, baden zij voor hen dat zij de Heilige Geest mochten ontvangen.

16(Want Hij was nog op niemand van hen gevallen, maar zij waren alleen gedoopt in de Naam van de Heere Jezus.)

17

8:17
Hand. 6:6
13:3
19:6
1 Tim. 4:14
5:22
2 Tim. 1:6
Toen legden zij hun de handen op en zij ontvingen de Heilige Geest.

18En toen Simon zag dat de Heilige Geest gegeven werd door middel van de handoplegging van de apostelen, bood hij hun geld aan,

19en zei: Geef ook mij deze macht, opdat eenieder wie ik de handen opleg, de Heilige Geest ontvangt.

20Maar Petrus zei tegen hem: Laat uw geld met u naar het verderf gaan,

8:20
Matt. 10:8
omdat u dacht dat Gods gave door geld verkregen wordt!

21U hebt part noch deel aan deze zaak, want uw hart is niet oprecht voor God.

22Bekeer u dan van deze slechtheid van u en bid God of deze gedachte van uw hart u misschien vergeven wordt.

23Want ik zie dat u zo bitter als gal bent8:23 dat u zo bitter als gal bent - Letterlijk: dat u in een bittere gal bent. en een kluwen ongerechtigheid.

24Maar Simon antwoordde en zei tegen hen:

8:24
Num. 21:7
Bidt u voor mij tot de Heere, opdat mij niets overkomt van wat u gezegd hebt.

25Toen zij dan getuigd hadden van het Woord van de Heere en het gesproken hadden, keerden zij terug naar Jeruzalem en verkondigden het Evangelie in veel dorpen van de Samaritanen.

Filippus en de kamerheer

26En een engel van de Heere sprak tot Filippus en zei: Sta op en ga naar het zuiden, de weg op die van Jeruzalem afdaalt naar Gaza, die eenzaam is.

27En hij stond op en ging op weg; en zie, een Ethiopiër, een kamerheer en een machtig heer van de kandakè, de koningin van de Ethiopiërs, die heel haar schatkist beheerde

8:27
Joh. 12:20
en gekomen was om in Jeruzalem te aanbidden,

28keerde terug, en hij zat op zijn wagen en las de profeet Jesaja.

29En de Geest zei tegen Filippus: Ga ernaartoe en voeg u bij deze wagen.

30En Filippus snelde ernaartoe, hoorde hem de profeet Jesaja lezen en zei: Begrijpt u ook wat u leest?

31Maar hij zei: Hoe zou ik dat kunnen, als niemand mij de weg wijst? En hij verzocht Filippus op de wagen te klimmen en bij hem te komen zitten.

32

8:32
Jes. 53:7
En het schriftgedeelte dat hij las, was dit: Hij is als een schaap naar de slachting geleid en zoals een lam stemmeloos is bij de scheerder, zo doet Hij Zijn mond niet open.

33In Zijn vernedering is Zijn oordeel weggenomen en wie zal over Zijn geslacht vertellen? Want Zijn leven wordt van de aarde weggenomen.

34En de kamerheer antwoordde Filippus en zei: Ik vraag u, over wie zegt de profeet dit? Over zichzelf of over iemand anders?

35En Filippus deed zijn mond open en, uitgaande van dat Schriftwoord,

8:35
Luk. 24:45
verkondigde hij hem Jezus.

36En terwijl zij onderweg waren, kwamen zij bij een water. En de kamerheer zei: Kijk, daar is water;

8:36
Hand. 10:47
wat verhindert mij gedoopt te worden?

37En Filippus zei: Als u met heel uw hart gelooft, is het geoorloofd. En hij antwoordde en zei: Ik geloof dat Jezus Christus de Zoon van God is.

38En hij liet de wagen stilhouden, en zij daalden beiden af in het water, zowel Filippus als de kamerheer, en hij doopte hem.

39En toen zij uit het water opgekomen waren, nam de Geest van de Heere Filippus weg; en de kamerheer zag hem niet meer, want hij vervolgde zijn weg met blijdschap.

40Maar Filippus werd aangetroffen in Asdod; en terwijl hij het land doorging, verkondigde hij het Evangelie in alle steden, totdat hij in Caesarea kwam.

9

De bekering van Saulus

91

9:1
Hand. 8:3
22:4
26:9
1 Kor. 15:9
Gal. 1:13
1 Tim. 1:13
Saulus nu, die tegen de discipelen van de Heere nog steeds brieste van dreiging en moord, ging naar de hogepriester toe

2en vroeg van hem brieven voor Damascus, gericht aan de synagogen, opdat, als hij er enigen zou vinden die van die Weg waren, zowel mannen als vrouwen, hij die geboeid naar Jeruzalem zou brengen.

3

9:3
Hand. 22:6
En terwijl hij onderweg was, gebeurde het dat hij dicht bij Damascus kwam.
9:3
1 Kor. 15:8
2 Kor. 12:2
En plotseling
9:3
Hand. 26:13
omscheen hem een licht vanuit de hemel,

4en toen hij op de grond gevallen was, hoorde hij een stem die tegen hem zei: Saul, Saul, waarom vervolgt u Mij?

5En hij zei: Wie bent U, Heere? En de Heere zei: Ik ben Jezus, Die u vervolgt.

9:5
Hand. 5:39
Het is hard voor u, met de hielen tegen de prikkels te slaan.

6En hij zei, bevend en verbaasd: Heere,

9:6
Luk. 3:10
Hand. 2:37
16:30
wat wilt U dat ik doen zal? En de Heere zei tegen hem: Sta op en ga de stad in en daar zal u gezegd worden wat u moet doen.

7

9:7
Dan. 10:7
En de mannen die met hem meereisden, stonden sprakeloos, want zij hoorden wel de stem, maar zagen niemand.

8En Saulus stond op van de grond; en toen hij zijn ogen opendeed, zag hij niemand. En zij leidden hem bij de hand en brachten hem naar Damascus.

9En gedurende drie dagen kon hij niet zien, en at en dronk hij niet.

Paulus en Ananias in Damascus

10En er was een zekere discipel in Damascus van wie de naam Ananias was; en de Heere zei tegen hem in een visioen: Ananias! En hij zei: Zie, hier ben ik, Heere.

11En de Heere zei tegen hem: Sta op en ga naar de straat die de Rechte genoemd wordt, en vraag in het huis van Judas naar iemand van wie de naam Saulus is,

9:11
Hand. 21:39
22:3
uit Tarsus, want zie, hij bidt,

12en hij heeft in een visioen gezien dat een man van wie de naam Ananias was, binnenkwam en hem de hand oplegde, opdat hij weer ziende zou worden.

13Ananias antwoordde echter: Heere, ik heb van velen over deze man gehoord

9:13
Vers
hoeveel kwaad hij Uw heiligen in Jeruzalem gedaan heeft;

14en hij heeft hier volmacht van de overpriesters om allen gevangen te nemen die Uw Naam aanroepen.

15Maar de Heere zei tegen hem: Ga,

9:15
Hand. 13:2
22:21
Rom. 1:1
Gal. 1:15
2:8
Efez. 3:8
1 Tim. 2:7
2 Tim. 1:11
want deze is voor Mij een uitverkoren instrument om Mijn Naam te brengen naar de heidenen en de koningen en de Israëlieten.

16

9:16
Hand. 21:11
2 Kor. 11:23
Want Ik zal hem laten zien hoeveel hij moet lijden voor Mijn Naam.

17

9:17
Hand. 22:12
En Ananias ging heen en ging het huis binnen; en na hem de handen opgelegd te hebben, zei hij: Saul, broeder, de Heere heeft mij gezonden, namelijk Jezus, Die u verschenen is op de weg waarlangs u gekomen bent, opdat u weer ziende zou worden en met de Heilige Geest vervuld zou worden.

18En meteen vielen hem als het ware schellen van de ogen, en onmiddellijk werd hij weer ziende, en hij stond op en werd gedoopt.

19En toen hij voedsel genomen had, sterkte hij aan. En Saulus verbleef enige dagen bij de discipelen in Damascus.

Paulus in Damascus

20En meteen predikte hij Christus in de synagogen, dat Hij de Zoon van God is.

21En allen die het hoorden, waren buiten zichzelf en zeiden: Is dit niet degene die in Jeruzalem hen die deze Naam aanriepen, uitroeide, en die daarom hier gekomen is om hen geboeid naar de overpriesters te brengen?

22Maar Saulus werd meer en meer gesterkt en hij bracht de Joden die in Damascus woonden, in verwarring door aan te tonen dat Jezus de Christus is.

Paulus' vlucht uit Damascus

23En toen er veel dagen verlopen waren, beraadslaagden de Joden om hem te doden,

24maar hun samenzwering werd aan Saulus bekend.

9:24
2 Kor. 11:32
En zij bewaakten de poorten, zowel overdag als 's nachts, om hem te kunnen doden.

25Maar de discipelen namen hem 's nachts mee

9:25
Joz. 2:15
1 Sam. 19:12
en lieten hem door een opening in de muur neer, door hem in een mand te laten zakken.

26

9:26
Hand. 22:17
Toen Saulus nu in Jeruzalem gekomen was, probeerde hij zich bij de discipelen aan te sluiten, maar zij waren allen bevreesd voor hem, want zij geloofden niet dat hij een discipel was.

27

9:27
Hand. 11:25
Maar Barnabas nam hem onder zijn hoede, bracht hem naar de apostelen en vertelde hun hoe hij onderweg de Heere gezien had, dat Hij tot hem gesproken had en hoe hij in Damascus vrijmoedig gesproken had in de Naam van Jezus.

28En hij ging in Jeruzalem met hen in en uit.

29En hij sprak vrijmoedig in de Naam van de Heere Jezus; ook sprak en redetwistte hij met de Griekssprekenden, maar die probeerden hem te doden.

30Maar toen de broeders dit te weten kwamen, brachten zij hem naar Caesarea en stuurden hem vandaar weg naar Tarsus.

31De gemeenten dan in heel Judea, Galilea en Samaria hadden vrede en werden opgebouwd; en zij wandelden in de vreze des Heeren en de vertroosting door de Heilige Geest en namen in aantal toe.

Petrus en Eneas

32En het gebeurde dat Petrus, toen hij overal rondreisde, ook bij de heiligen kwam die in Lydda woonden.

33En daar vond hij een man van wie de naam Eneas was, die al acht jaar op bed lag en verlamd was.

34En Petrus zei tegen hem: Eneas, Jezus Christus maakt u gezond; sta op en maak voor uzelf uw bed op! En hij stond meteen op.

35En allen die in Lydda en Sarona woonden, zagen hem en bekeerden zich tot de Heere.

Petrus en Dorkas

36En er was in Joppe een zekere discipelin van wie de naam Tabitha was, wat vertaald Dorkas betekent. Deze was overvloedig in goede werken, en in liefdegaven die zij schonk.

37En het gebeurde in die dagen dat zij ziek werd en stierf; en toen men haar gewassen had, legde men haar in de bovenzaal.

38En omdat Lydda vlak bij Joppe lag, stuurden de discipelen, toen zij hoorden dat Petrus daar was, twee mannen naar hem toe, die smeekten dat hij zonder uitstel naar hen toe zou komen.

39En Petrus stond op en ging met hen mee; en toen hij daar gekomen was, brachten zij hem in de bovenzaal. En alle weduwen stonden bij hem, terwijl zij huilden en de onder- en bovenkleding toonden die Dorkas gemaakt had toen zij nog bij hen was.

40Maar nadat Petrus allen naar buiten had gestuurd, knielde hij neer en bad; en hij keerde zich naar het lichaam en zei: Tabitha, sta op! En zij deed haar ogen open en zodra zij Petrus zag, ging zij overeind zitten.

41En hij gaf haar de hand en hielp haar opstaan. Hij riep de heiligen en de weduwen en plaatste haar levend voor hen.

42En dit werd bekend in heel Joppe, en velen geloofden in de Heere.

43En het gebeurde dat hij veel dagen in Joppe bleef, bij een zekere Simon, een leerlooier.