Herziene Statenvertaling (HSV)
5

Ananias en Saffira

51En een zekere man, van wie de naam Ananias was, verkocht samen met zijn vrouw Saffira een eigendom,

2en hield een deel van de opbrengst achter, ook met medeweten van zijn vrouw, en hij bracht een bepaald gedeelte en legde dat aan de voeten van de apostelen.

3En Petrus zei: Ananias, waarom heeft de satan uw hart vervuld, zodat u gelogen hebt tegen de Heilige Geest en een deel achtergehouden hebt van de opbrengst van het stuk grond?

4Als het onverkocht gebleven was, bleef het dan niet van u, en toen het verkocht was, bleef de opbrengst dan niet tot uw beschikking? Waarom toch hebt u deze daad in uw hart voorgenomen? U hebt niet tegen mensen gelogen, maar tegen God.

5Toen Ananias deze woorden hoorde, viel hij neer en gaf de geest. En er ontstond grote vrees bij allen die dit hoorden.

6En de jonge mannen stonden op, legden hem af, droegen hem naar buiten en begroeven hem.

7En het gebeurde na verloop van ongeveer drie uur dat ook zijn vrouw daar binnenkwam, zonder te weten wat er gebeurd was.

8En Petrus antwoordde haar: Zeg mij, hebt u beiden het land voor zoveel verkocht? En zij zei: Ja, voor zoveel.

9Petrus zei tegen haar: Waarom toch hebt u met elkaar afgesproken de Geest van de Heere te verzoeken? Zie, de voeten van hen die uw man begraven hebben, zijn voor de deur en zullen u ook uitdragen.

10En zij viel onmiddellijk voor zijn voeten neer en gaf de geest. En toen de jongemannen binnengekomen waren, troffen zij haar dood aan, en zij droegen haar naar buiten en begroeven haar bij haar man.

11En er kwam grote vrees over heel de gemeente en over allen die dit hoorden.

Wonderen door de apostelen

12

5:12
Mark. 16:17
Hand. 2:43
En er gebeurden door de handen van de apostelen veel tekenen en wonderen onder het volk; en zij waren allen eensgezind bijeen in de zuilengang van Salomo.

13En van de anderen durfde niemand zich daar bij hen aan te sluiten, maar het volk had grote achting voor hen.

14En er werden er steeds meer toegevoegd die in de Heere geloofden, menigten van zowel mannen als vrouwen,

15zodat zij de zieken naar buiten droegen op de straten en hen op bedden en ligmatten legden, opdat, wanneer Petrus voorbijkwam, ook maar zijn schaduw op iemand van hen zou kunnen vallen.

16En ook de menigte uit de steden in de omgeving kwam gezamenlijk naar Jeruzalem. Men bracht zieken

5:16
Mark. 16:17
Hand. 8:7
16:18
19:12
en hen die door onreine geesten gekweld werden, en zij werden allen genezen.

De apostelen uit de gevangenis verlost

17Maar de hogepriester stond op, en allen die bij hem waren (dit was de sekte van de Sadduceeën) en zij werden vervuld met afgunst.

18En zij sloegen hun handen aan de apostelen en zetten hen vast in de openbare gevangenis.

19

5:19
Hand. 12:7
16:26
Maar een engel van de Heere opende 's nachts de deuren van de gevangenis, bracht hen naar buiten en zei:

20Ga in de tempel staan en spreek tot het volk al de woorden van dit leven.

21Toen zij dit gehoord hadden, gingen zij tegen de ochtend de tempel in en gaven onderwijs. En de hogepriester en zij die bij hem waren, kwamen samen, riepen de Raad en al de oudsten van de Israëlieten bijeen en stuurden dienaars naar de gevangenis om hen te halen.

22Maar toen de dienaars daar kwamen, vonden zij hen niet in de gevangenis, dus keerden zij terug en berichtten:

23Wij stelden wel vast dat de gevangenis met alle zorgvuldigheid afgesloten was en dat de bewakers buiten voor de deuren stonden, maar toen wij die geopend hadden, troffen wij binnen niemand aan.

Gamaliëls raad

24Toen de hogepriester, de bevelhebber van de tempelwacht en de overpriesters deze woorden hoorden, vroegen zij zich met betrekking tot hen vol onzekerheid af wat dit moest worden.

25En er kwam iemand die hun berichtte: Zie, de mannen die u in de gevangenis gezet hebt, staan in de tempel en onderwijzen het volk.

26Toen ging de bevelhebber er met de dienaars heen en bracht hen zonder geweld mee,

5:26
Matt. 21:26
Hand. 4:21
want zij waren bevreesd voor het volk dat ze anders gestenigd zouden worden.

27En toen zij hen er gebracht hadden, leidden zij hen voor de Raad. En de hogepriester vroeg hun:

28

5:28
Hand. 4:18
Hebben wij u niet ten strengste bevolen5:28 ten strengste bevolen - Letterlijk: met bevel bevolen. dat u in deze Naam niet zou onderwijzen? En zie, u hebt met deze leer van u Jeruzalem vervuld en u wilt het bloed van deze Mens over ons brengen.

29Maar Petrus en de apostelen antwoordden en zeiden:

5:29
Hand. 4:19
Men moet aan God meer gehoorzaam zijn dan aan mensen.

30

5:30
Hand. 3:15
De God van onze vaderen heeft Jezus opgewekt, Die u omgebracht hebt
5:30
Deut. 21:23
Hand. 10:39
13:29
1 Petr. 2:24
door Hem aan een kruishout te hangen.

31Deze Jezus heeft God door Zijn rechterhand

5:31
Hand. 2:33
3:15
Filipp. 2:9
verhoogd tot een Vorst en Zaligmaker, om Israël bekering te geven en vergeving van zonden.

32En wij zijn

5:32
Joh. 15:27
Zijn getuigen van deze dingen, en ook de Heilige Geest, Die God
5:32
Hand. 2:4
gegeven heeft aan hen die Hem gehoorzaam zijn.

33Toen zij dit hoorden, barstten zij van woede en maakten zij plannen om hen te doden.

34Maar er stond iemand op in de Raad, een Farizeeër van wie de naam Gamaliël was, een leraar van de wet, die in hoge achting stond bij heel het volk. Hij gaf opdracht dat men de apostelen even buiten zou doen staan.

35En hij zei tegen hen: Israëlitische mannen, wees op uw hoede en bedenk wat u met deze mensen wilt gaan doen.

36

5:36
Hand. 21:38
Want vóór deze dagen stond Theudas op, die zei dat hij wat was, en hij had een aanhang van ongeveer vierhonderd man; maar hij is omgebracht en allen die naar hem luisterden, zijn verstrooid en tot niets geworden.

37Na hem stond Judas de Galileeër op, in de dagen van de inschrijving, en hij maakte veel volk afvallig, dat hem volgde; en deze is ook omgekomen, en allen die naar hem luisterden, zijn uiteengedreven.

38En nu zeg ik u: Houd u ver van deze mensen en laat hen gaan,

5:38
Spr. 21:30
Jes. 8:10
Matt. 15:13
want als dit voornemen of dit werk van mensen afkomstig is, dan zal het afgebroken worden,

39maar als het van God afkomstig is, kunt u dat niet afbreken, opdat u niet misschien ook

5:39
Hand. 9:5
23:9
tegen God blijkt te strijden.

40En zij lieten zich door hem overtuigen; en toen zij de apostelen bij zich geroepen hadden, geselden zij hen en geboden hun dat zij niet zouden spreken in de Naam van Jezus, en zij lieten hen gaan.

41Zij dan gingen weg uit de tegenwoordigheid van de Raad

5:41
Matt. 5:12
en waren verblijd dat zij waardig geacht waren, omwille van Zijn Naam schandelijk behandeld te worden.

42En zij hielden niet op iedere dag in de tempel en bij de huizen onderwijs te geven en Jezus Christus te verkondigen.

6

De verkiezing van zeven diakenen

61In die dagen, toen het aantal discipelen steeds toenam, ontstond er gemor van de Griekssprekenden tegen de Hebreeën, omdat hun weduwen bij het dagelijkse dienstbetoon over het hoofd gezien werden.

2En de twaalf riepen de menigte van de discipelen bij zich en zeiden:

6:2
Ex. 18:17
Het is niet behoorlijk dat wij nalaten het Woord van God te verkondigen om de tafels te dienen.

3

6:3
Deut. 1:13
Hand. 1:21
16:2
1 Tim. 3:7
Zie daarom uit, broeders, naar zeven mannen uit uw midden, van wie men een goed getuigenis geeft, vol van de Heilige Geest en van wijsheid, die wij voor deze noodzakelijke taak zullen aanstellen.

4Wij echter zullen volharden in het gebed en in de bediening van het Woord.

5En dit woord behaagde heel de menigte; en zij kozen Stefanus, een man

6:5
Hand. 11:24
vol van geloof en van de Heilige Geest,
6:5
Hand. 21:8
Filippus, Prochorus, Nicanor, Timon, Parmenas en Nicolaüs, een proseliet uit Antiochië.

6Zij leidden hen

6:6
Hand. 1:23
vóór de apostelen, en die
6:6
Hand. 8:17
13:3
1 Tim. 4:14
5:22
2 Tim. 1:6
legden hun, nadat zij gebeden hadden, de handen op.

7

6:7
Hand. 19:20
En het Woord van God verbreidde zich en het aantal discipelen in Jeruzalem nam sterk toe; en een grote menigte priesters werd aan het geloof gehoorzaam.

Stefanus gevangengenomen

8En Stefanus, vol geloof en kracht, deed wonderen en grote tekenen onder het volk.

9En enigen van hen die behoorden tot de zogenoemde synagoge van de Libertijnen, van de Cyreneeërs, en van de Alexandrijnen en van hen die uit Cilicië en Asia afkomstig waren, stonden op en redetwistten met Stefanus.

10

6:10
Ex. 4:12
Jes. 54:17
Luk. 21:15
Zij waren echter niet in staat de wijsheid en de Geest, door Wie hij sprak, te weerstaan.

11

6:11
Matt. 26:59
Toen zetten zij mannen aan om te zeggen: Wij hebben hem lasterlijke woorden tegen Mozes en God horen spreken.

12En zij brachten het volk, de oudsten en de schriftgeleerden in opschudding; en zij kwamen op hem af, grepen hem en brachten hem voor de Raad.

13En zij lieten valse getuigen optreden, die zeiden: Deze man houdt niet op lasterlijke woorden te spreken tegen deze heilige plaats en tegen de wet,

14want wij hebben hem horen zeggen dat die Jezus de Nazarener deze plaats zal afbreken en de gebruiken zal veranderen die Mozes ons overgeleverd heeft.

15En allen die in de Raad zaten, hielden hun ogen op hem gericht en zagen zijn gezicht als het gezicht van een engel.

7

De rede van Stefanus

71En de hogepriester zei: Zijn deze dingen zo?

2En hij zei: Mannenbroeders en vaders, luister! De God der heerlijkheid verscheen aan onze vader Abraham, toen hij nog in Mesopotamië was, voordat hij in Haran woonde,

3en Hij zei tegen hem:

7:3
Gen. 12:1
Ga uit uw land en uit uw familie en kom naar een land dat Ik u wijzen zal.

4Toen ging hij uit het land van de Chaldeeën en ging in Haran wonen. En daarvandaan bracht Hij, nadat zijn vader gestorven was, hem over naar dit land, waar u nu in woont.

5Maar Hij gaf hem daarin geen erfdeel, zelfs geen voetstap;

7:5
Gen. 12:7
13:15
en Hij beloofde hem, toen hij nog geen kind had, dat Hij dat land aan hem en na hem aan zijn nageslacht in bezit geven zou.

6En zo sprak God uit

7:6
Gen. 15:13
dat zijn nageslacht bijwoner zou zijn in een vreemd land en dat ze hen tot slaven zouden maken en slecht zouden behandelen,
7:6
Gen. 15:16
Ex. 12:40
Gal. 3:17
vierhonderd jaar lang.

7En het volk dat zij zullen dienen, zal Ik oordelen, sprak God; en

7:7
Gen. 15:16
daarna zullen zij uittrekken
7:7
Ex. 3:12
en Mij dienen op deze plaats.

8En Hij gaf hem het verbond

7:8
Gen. 17:10
van de besnijdenis; en zo
7:8
Gen. 21:2
verwekte hij Izak en besneed hem op de achtste dag, en Izak verwekte en besneed
7:8
Gen. 25:24
Jakob, en Jakob
7:8
Gen. 29:32
30:5
35:23
de twaalf aartsvaders.

9En de aartsvaders,

7:9
Gen. 37:4
die jaloers waren,
7:9
Gen. 37:28
Ps. 105:17
verkochten Jozef zodat hij naar Egypte gebracht werd. Maar God was met hem

10en verloste hem uit al zijn verdrukkingen, en Hij gaf hem genade en wijsheid tegenover de farao, de koning van Egypte; en die

7:10
Gen. 41:40
stelde hem aan als bestuurder over Egypte en over heel zijn huis.

11

7:11
Gen. 41:54
Ps. 105:16
Er kwam echter een hongersnood over heel het land Egypte en Kanaän en grote benauwdheid; en onze vaderen vonden geen voedsel.

12

7:12
Gen. 42:1
Maar toen Jakob hoorde dat er in Egypte koren was, stuurde hij onze vaderen er de eerste keer opuit.

13

7:13
Gen. 45:4
En bij de tweede keer werd Jozef door zijn broers herkend; en de afkomst van Jozef werd bij de farao bekend.

14En Jozef stuurde hen terug en liet zijn vader Jakob halen en heel zijn familie, die uit vijfenzeventig zielen bestond.

15

7:15
Gen. 46:5
En Jakob kwam in Egypte en hij
7:15
Gen. 49:33
stierf, hijzelf en onze vaderen,

16

7:16
Gen. 50:13
Ex. 13:19
Joz. 24:32
en zij werden overgebracht naar Sichem en in het graf gelegd
7:16
Gen. 23:16
dat Abraham voor een geldbedrag van de zonen van Hemor, de vader van Sichem, gekocht had.

17Naarmate echter de tijd van de belofte die God aan Abraham gezworen had, naderbij kwam,

7:17
Ex. 1:7
Ps. 105:24
groeide het volk en nam in aantal toe in Egypte,

18totdat er een andere koning opstond, die Jozef niet gekend had.

19Die ging listig met ons geslacht om en behandelde onze vaderen slecht door hen hun jonge kinderen te vondeling te laten leggen, opdat zij zich niet zouden voortplanten.

20

7:20
Ex. 2:2
6:19
Num. 26:59
1 Kron. 23:13
Hebr. 11:23
In die tijd werd Mozes geboren. Hij was bijzonder mooi.7:20 bijzonder mooi - Letterlijk: mooi voor God. Hij werd drie maanden opgevoed in het huis van zijn vader.

21En toen hij te vondeling gelegd was, nam de dochter van de farao hem op in haar huis en voedde hem voor zichzelf op als een zoon.

22En Mozes werd onderwezen in alle wijsheid van de Egyptenaren en was machtig in woorden en in daden.

23

7:23
Ex. 2:11
Toen hij nu de leeftijd van veertig jaar bereikt had, kwam het in zijn hart op zijn broeders, de Israëlieten, te bezoeken.

24

7:24
Ex. 2:11
En toen hij iemand zag die onrecht leed, nam hij hem in bescherming en wreekte degene die mishandeld werd: hij sloeg de Egyptenaar dood.

25En hij dacht dat zijn broeders begrijpen zouden dat God hun door zijn hand verlossing zou geven, maar zij begrepen het niet.

26

7:26
Ex. 2:13
En de volgende dag zagen zij hem,7:26 zagen zij hem - Letterlijk: werd hij door hen gezien. terwijl zij aan het vechten waren; en hij spoorde hen aan tot vrede door te zeggen: Mannen, u bent broeders; waarom doet u elkaar onrecht?

27Degene die zijn naaste onrecht deed, stootte hem echter van zich af en zei:

7:27
Vers 35;
Wie heeft u tot een leider en rechter over ons aangesteld?

28Wilt u mij ook om het leven brengen, op de wijze waarop u gisteren die Egyptenaar om het leven gebracht hebt?

29En Mozes vluchtte op dat woord en werd een vreemdeling in het land Midian, waar hij twee zonen verwekte.

30

7:30
Ex. 3:2
En toen er veertig jaar verstreken was, verscheen de Engel van de Heere aan hem in de woestijn van de berg Sinaï, in de vlam van een brandende doornstruik.

31Toen Mozes dat zag, verwonderde hij zich over wat hij zag; en toen hij ernaartoe ging om het te bekijken, kwam er een stem van de Heere tot hem:

32

7:32
Ex. 3:6
Matt. 22:32
Hebr. 11:16
Ik ben de God van uw vaderen, de God van Abraham, de God van Izak en de God van Jakob. En Mozes begon erg te beven en durfde het niet te bekijken.

33En de Heere zei tegen hem:

7:33
Joz. 5:15
Maak de sandalen aan uw voeten los, want de plaats waarop u staat, is heilige grond.

34Ik heb de mishandeling van Mijn volk, dat in Egypte is, heel goed gezien, en Ik heb hun zuchten gehoord en ben neergedaald om hen daaruit te verlossen; en nu, kom, Ik zal u naar Egypte zenden.

35Die Mozes, die zij afgewezen hadden toen zij zeiden: Wie heeft u tot een leider en rechter aangesteld? Hém heeft God als leider en verlosser gezonden door de hand van de Engel Die aan hem verschenen was in de doornstruik.

36

7:36
Ex. 7
8
9
10
11
13
14
Deze heeft hen uitgeleid, terwijl hij wonderen en tekenen deed in het land Egypte, in de Rode Zee
7:36
Ex. 16:1
Deut. 1:3
en in de woestijn, veertig jaar.

37Dit is de Mozes die tegen de Israëlieten gezegd heeft:

7:37
Deut. 18:15,18
Joh. 1:46
Hand. 3:22
De Heere, uw God, zal voor u een Profeet laten opstaan uit uw broeders, zoals ik;
7:37
Matt. 17:5
naar Hem moet u luisteren.

38

7:38
Ex. 19:3
Hij is het die in de woestijn tijdens de samenkomst van het volk
7:38
Gal. 3:19
bij de Engel was Die tot hem sprak op de berg Sinaï, en bij onze vaderen, en Hij was het die de levende woorden ontving om die aan ons door te geven.

39Onze vaderen wilden hem niet gehoorzamen, maar verwierpen hem en keerden in hun hart terug naar Egypte;

40en zij zeiden tegen Aäron:

7:40
Ex. 32:1
Maak voor ons goden die vóór ons uit zullen gaan, want wat die Mozes betreft, die ons uit het land Egypte geleid heeft, wij weten niet wat er met hem gebeurd is.

41En zij maakten in die dagen een kalf en brachten een offer aan die afgod, en zij waren verblijd over de werken van hun handen.

42En God keerde Zich af en gaf hen over om het hemelleger te dienen, zoals er geschreven is in het boek van de Profeten:

7:42
Amos 5:25
Hebt u de veertig jaar in de woestijn ook slachtoffers en offers aan Mij gebracht, huis van Israël?

43

7:43
Amos 5:26,27
Ja, u hebt de tent van Moloch meegedragen en de ster van uw god Remfan, de afbeeldingen die u gemaakt hebt om ze te aanbidden. Ik zal u daarom wegvoeren, verder dan Babylon.

44Bij onze vaderen in de woestijn was de tent van de getuigenis, zoals Hij Die tot Mozes sprak, hem had opgedragen deze te maken

7:44
Ex. 25:40
Hebr. 8:5
overeenkomstig de afbeelding die hij gezien had.

45

7:45
Joz. 3:14
Ook brachten onze vaderen die, nadat zij hem ontvangen hadden, met Jozua in het land dat de heidenen bezaten die God voor onze vaderen uit verdreven heeft. Zo bleef het tot de dagen van David toe,

46

7:46
1 Sam. 16:1
Ps. 89:21
Hand. 13:22
die genade vond in de ogen van God
7:46
2 Sam. 7:2
1 Kron. 17:1
Ps. 132:5
en verlangde een woonplaats te vinden voor de God van Jakob.

47

7:47
1 Kon. 6:1
1 Kron. 17:12
Maar Salomo bouwde voor Hem een huis.

48

7:48
1 Kon. 8:27
Hand. 17:24
De Allerhoogste woont echter niet in tempels die met handen gemaakt zijn, zoals de profeet zegt:

49

7:49
2 Kron. 6:33
Jes. 66:1
Matt. 5:34
23:22
De hemel is voor Mij een troon en de aarde een voetbank voor Mijn voeten. Wat voor huis zult u dan voor Mij bouwen, zegt de Heere, of wat is de plaats van Mijn rust?

50

7:50
Gen. 1:4
Heeft Mijn hand niet al deze dingen gemaakt?

51

7:51
Neh. 9:16,17
Jer. 6:10
Hardnekkigen en onbesnedenen van hart en oren, u verzet u altijd tegen de Heilige Geest; zoals uw vaderen deden, zo doet u ook.

52Wie van de profeten hebben uw vaderen niet vervolgd? Zelfs hebben zij hen gedood die de komst van de Rechtvaardige aankondigden, van Wie u nu verraders en moordenaars geworden bent.

53

7:53
Ex. 19:3
24:3
Joh. 7:19
Gal. 3:19
Hebr. 2:2
U, die de wet ontvangen hebt door de dienst van engelen, hebt die niet in acht genomen!

De dood van Stefanus

54Toen zij dit hoorden, barstten hun harten van woede en knarsten zij hun tanden tegen hem.

55Maar hij, vol van de Heilige Geest, hield zijn ogen naar de hemel gericht en zag de heerlijkheid van God, en Jezus, staande aan de rechterhand van God.

56En hij zei: Zie, ik zie de hemelen geopend en de Zoon des mensen, staande aan de rechterhand van God.

57Maar zij riepen met luide stem, stopten hun oren dicht en stormden eensgezind op hem af.

58

7:58
1 Kon. 21:13
Luk. 4:29
En zij wierpen hem de stad uit en stenigden hem,
7:58
Hand. 22:20
en de getuigen legden hun kleren af aan de voeten van een jongeman, die Saulus heette.

59En zij stenigden Stefanus, terwijl deze Jezus aanriep en zei:

7:59
Ps. 31:6
Luk. 23:46
Heere Jezus, ontvang mijn geest.

60En terwijl hij op de knieën viel, riep hij met luide stem:

7:60
Matt. 5:44
Luk. 23:34
1 Kor. 4:12
Heere, reken hun deze zonde niet toe! En toen hij dat gezegd had, ontsliep hij.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]