Herziene Statenvertaling (HSV)
26

261En Agrippa zei tegen Paulus: Het is u toegestaan voor uzelf te spreken. Toen strekte Paulus de hand uit en verdedigde zich als volgt:

2Ik acht mijzelf gelukkig, koning Agrippa, dat ik mij heden tegenover u mag verdedigen tegen alles waarvan ik door de Joden beschuldigd word,

3vooral omdat ik weet dat u kennis hebt van alle gewoonten en geschilpunten die er onder de Joden zijn. Daarom vraag ik u geduldig naar mij te luisteren.

4Welnu, mijn leven van mijn jeugd af aan, zoals dat van het begin af aan onder mijn volk in Jeruzalem geweest is, is bij al de Joden bekend.

5Zij weten van mij vanuit het verleden – als zij het maar wilden getuigen! – dat ik geleefd heb volgens de meest nauwgezette richting binnen onze godsdienst, namelijk als Farizeeër.

6En nu sta ik hier en word geoordeeld over

26:6
Gen. 3:15
22:18
26:4
49:10
Deut. 18:15
2 Sam. 7:12
Ps. 132:11
Jes. 4:2
7:14
9:5
40:10
Jer. 23:5
33:14
Ezech. 34:23
37:24
Dan. 9:24
Micha 7:20
de hoop op de belofte die door God aan de vaderen gedaan is,

7die onze twaalf stammen hopen te bereiken door voortdurend, nacht en dag, God te dienen. Om deze hoop, koning Agrippa, word ik door de Joden beschuldigd.

8Waarom wordt het bij u allen ongeloofwaardig geacht dat God de doden opwekt?

9

26:9
Hand. 8:3
9:1
22:4
1 Kor. 15:9
Gal. 1:13
1 Tim. 1:13
Ik dacht echt bij mijzelf dat ik tegen de Naam van Jezus van Nazareth veel vijandige dingen moest doen,

10wat ik ook in Jeruzalem gedaan heb. Ik heb velen van de heiligen in de gevangenis opgesloten, nadat ik daartoe volmacht van de overpriesters gekregen had; en als zij gedood werden, stemde ik daarmee in.

11En in alle synagogen heb ik hen dikwijls gestraft en gedwongen te lasteren; en ik trad in razende woede tegen hen op en vervolgde hen zelfs tot in de buitenlandse steden.

12Toen ik daarvoor ook naar Damascus reisde, met volmacht en in opdracht van de overpriesters,

13zag ik, koning, midden op de dag, op de weg

26:13
Hand. 9:3
een licht, sterker dan de glans van de zon, dat mij en hen die met mij meereisden, vanuit de hemel omscheen.

14En nadat wij allen op de grond gevallen waren, hoorde ik een stem tot mij spreken en in de Hebreeuwse taal zeggen: Saul, Saul, waarom vervolgt u Mij? Het is hard voor u de hielen tegen de prikkels te slaan.

15En ik zei: Wie bent U, Heere? En Hij zei: Ik ben Jezus, Die u vervolgt.

16Maar richt u op en sta op uw voeten, want hiertoe ben Ik aan u verschenen: om u aan te stellen als dienaar en getuige zowel van de dingen die u gezien hebt als van die waarin Ik nog aan u verschijnen zal;

17en Ik zal u verlossen van dit volk en van de heidenen, naar wie Ik u nu zend,

18

26:18
Jes. 60:1
om hun ogen te openen en hen te bekeren van de duisternis tot het licht en van de macht van de satan tot God, opdat zij vergeving van de zonden ontvangen en een erfdeel onder de geheiligden door het geloof in Mij.

19Daarom, koning Agrippa, ben ik die hemelse verschijning niet ongehoorzaam geweest,

20

26:20
Hand. 9:19,28
22:17,21
maar heb ik eerst aan hen die in Damascus en in Jeruzalem en in heel het land van Judea woonden, en later aan de heidenen verkondigd dat zij tot inkeer moesten komen, zich tot God bekeren en werken doen die in overeenstemming zijn met de bekering.

21Hierom hebben de Joden mij

26:21
Hand. 21:30
in de tempel gegrepen en geprobeerd mij om te brengen,

22maar door de hulp die ik van God gekregen heb, sta ik tot op deze dag als een getuige tegenover klein en groot, en zeg ik niets anders dan wat de Profeten en Mozes gezegd hebben dat er gebeuren zou,

23namelijk dat de Christus moest lijden en dat Hij, als Eerste uit de opstanding van de doden, een licht zou aankondigen aan dit volk en de heidenen.

24En toen hij deze dingen ter verdediging sprak, zei Festus met luide stem: U bent buiten zinnen, Paulus! Uw grote geleerdheid brengt u buiten zinnen!

25Maar hij zei: Ik ben niet buiten zinnen, zeer machtige Festus, maar ik spreek woorden van waarheid en van gezond verstand.

26Want de koning heeft weet van deze dingen. Ik spreek daarom ook vrijmoedig tot hem, want ik ben ervan overtuigd dat niets van deze dingen hem ontgaan is;

26:26
Joh. 18:20
het is immers niet in een uithoek gebeurd.

27Gelooft u, koning Agrippa, de Profeten? Ik weet dat u ze gelooft.

28En Agrippa zei tegen Paulus: U overtuigt mij bijna om christen te worden!26:28 U overtuigt … te worden - Of: U wilt mij in korte tijd overtuigen een christen te worden.

29En Paulus zei:

26:29
1 Kor. 7:7
Ik zou van God wel wensen dat, én bijna én geheel, niet alleen u maar ook allen die vandaag naar mij luisteren, zouden worden zoals ik ben, uitgezonderd deze boeien.

30En nadat hij dit gezegd had, stond de koning op en de stadhouder, Bernice en zij die bij hen zaten,

31en zij gingen terzijde, spraken met elkaar en zeiden:

26:31
Hand. 23:9
25:25
Deze man doet niets wat dood of boeien verdient.

32En Agrippa zei tegen Festus: Deze man had losgelaten kunnen worden, als hij zich niet op de keizer had beroepen.