Herziene Statenvertaling (HSV)
22

Paulus' verdediging

221Mannenbroeders en vaders, luister naar mijn verdediging, die ik nu voor u zal uitspreken.

2Toen zij hoorden dat hij hen in de Hebreeuwse taal toesprak, hielden zij zich nog stiller. En hij zei:

3

22:3
Hand. 9:11
21:39
2 Kor. 11:22
Ik ben een Joodse man, geboren te Tarsus in Cilicië, maar opgevoed in deze stad en aan de voeten van
22:3
Hand. 5:34
Gamaliël op de meest nauwgezette wijze onderwezen in de wet van de vaderen, een ijveraar voor God zoals u heden allemaal bent.

4

22:4
Hand. 8:3
9:1
26:9
1 Kor. 15:9
Gal. 1:13
1 Tim. 1:13
Ik heb deze Weg tot de dood toe vervolgd: ik heb zowel mannen als vrouwen gebonden en overgeleverd in de gevangenissen,

5zoals ook de hogepriester van mij kan getuigen, en heel de Raad van oudsten. Ik kreeg van hen zelfs brieven voor de broeders mee en ben daarmee naar Damascus gereisd om ook hen die daar waren, geboeid naar Jeruzalem te brengen, opdat ze gestraft zouden worden.

6

22:6
Hand. 9:3
Maar het overkwam mij, toen ik onderweg was en omstreeks de middag Damascus naderde, dat
22:6
1 Kor. 15:8
2 Kor. 12:2
plotseling vanuit de hemel een fel licht mij omstraalde.

7En ik viel op de grond en hoorde een stem tegen mij zeggen: Saul, Saul, waarom vervolgt u Mij?

8En ik antwoordde: Wie bent U, Heere? En Hij zei tegen mij: Ik ben Jezus de Nazarener, Die u vervolgt.

9En zij die bij mij waren, zagen wel het licht

22:9
Dan. 10:7
en werden zeer bevreesd, maar de stem van Hem Die tot mij sprak, hoorden zij niet.

10En ik zei: Heere, wat moet ik doen? En de Heere zei tegen mij: Sta op en ga naar Damascus, en daar zal met u gesproken worden over alles wat voor u vastgesteld is om te doen.

11En omdat ik door de glans van dat licht niets meer kon zien, werd ik bij de hand geleid door hen die bij mij waren, en zo kwam ik in Damascus.

12

22:12
Hand. 9:17
En een zekere Ananias, een godvrezend man, die leefde volgens de wet en met een goed getuigenis van alle Joden die daar woonden,

13kwam naar mij toe, ging bij mij staan en zei tegen mij: Saul, broeder, word weer ziende! En op hetzelfde moment werd ik ziende, en zag hem.

14En hij zei: De God van onze vaderen heeft u voorbestemd om Zijn wil te kennen en de Rechtvaardige te zien en de stem uit Zijn mond te horen,

15want u moet voor Hem bij alle mensen getuige zijn van wat u hebt gezien en gehoord.

16En nu, waarom aarzelt u? Sta op, laat u dopen en uw zonden afwassen onder aanroeping van de Naam van de Heere.

17

22:17
Hand. 9:28
En het overkwam mij, toen ik in Jeruzalem teruggekeerd was en in de tempel bad, dat ik in geestvervoering raakte,

18en dat ik Hem zag en Hij tegen mij zei:

22:18
Matt. 10:14
Haast u en ga met spoed uit Jeruzalem weg, want ze zullen uw getuigenis over Mij niet aannemen.

19En ik zei: Heere, ze weten

22:19
Vers
dat ik hen die in U geloofden, in de gevangenis wierp en in de synagogen liet geselen;

20

22:20
Hand. 7:58
8:1
en toen het bloed van Stefanus, Uw getuige, vergoten werd, stond ik daar ook bij en stemde van harte in met zijn dood, en paste op de kleren van hen die hem doodden.

21En Hij zei tegen mij: Ga,

22:21
Hand. 9:15
13:2
Gal. 1:15
2:8
Efez. 3:8
1 Tim. 2:7
2 Tim. 1:11
want Ik zal u ver weg zenden, naar de heidenen.

Paulus' burgerrecht

22Zij hoorden hem nu aan tot dit woord toe, maar daarna verhieven zij hun stem en zeiden:

22:22
Hand. 21:36
Weg van de aarde met zo iemand, want hij behoort niet te blijven leven.

23En toen zij schreeuwden en de kleren van zich afsmeten en stof in de lucht gooiden,

24beval de overste hem in de kazerne te brengen, en hij zei dat men hem onder geseling moest verhoren, om aan de weet te komen waarom zij zo tegen hem tekeergingen.

25En terwijl zij hem met de riemen in gestrekte houding vastbonden, zei Paulus tegen de hoofdman over honderd die erbij stond: Is het u geoorloofd een Romein te geselen, en dat nog wel onveroordeeld?

26Toen de hoofdman over honderd dat gehoord had, ging hij naar de overste en berichtte het hem; hij zei: Pas op wat u gaat doen, want deze man is een Romein.

27En de overste ging naar hem toe en zei tegen hem: Zeg mij, bent u een Romein? En hij zei: Ja.

28En de overste antwoordde: Ik heb dit burgerrecht voor een groot bedrag verkregen. En Paulus zei: Maar ik ben zelfs zo geboren.

29Meteen lieten zij die hem zouden verhoren hem verder ongemoeid. En ook de overste werd bevreesd, toen hij merkte dat hij een Romein was en dat hij hem had vastgebonden.

Paulus voor de Raad

30En omdat hij met zekerheid wilde weten waarvan hij door de Joden beschuldigd werd, maakte hij de volgende dag zijn boeien los en gaf hij bevel dat de overpriesters en heel hun Raad bijeen zouden komen; en hij bracht Paulus naar beneden en leidde hem voor hen.

23

231En Paulus zei, terwijl hij de ogen op de Raad gevestigd hield: Mannenbroeders,

23:1
Hand. 24:16
ik heb voor God met een volkomen zuiver geweten gewandeld tot op deze dag.

2

23:2
1 Kon. 22:24
Jer. 20:2
Joh. 18:22
Maar de hogepriester Ananias beval hen die bij hem stonden hem op de mond te slaan.

3Toen zei Paulus tegen hem: God zal ú slaan, witgepleisterde wand!

23:3
Deut. 17:9
Zit u hier om een oordeel over mij uit te spreken overeenkomstig de wet, en geeft u bevel, tegen de wet in, mij te slaan?

4En zij die daarbij stonden, zeiden: Scheldt u de hogepriester van God uit?

5Toen zei Paulus: Ik wist niet, broeders, dat hij hogepriester is; want er staat geschreven:

23:5
Ex. 22:28
U mag geen kwaad spreken van de leider van uw volk.

6En Paulus, die wist dat het ene deel bestond uit Sadduceeën en het andere uit Farizeeën, riep in de Raad: Mannenbroeders,

23:6
Hand. 24:21
26:6
Filipp. 3:5
ik ben een Farizeeër en zoon van een Farizeeër. Ik word geoordeeld over de hoop en de opstanding van de doden.

7En toen hij dat gezegd had, ontstond er onenigheid tussen de Farizeeën en de Sadduceeën, en de menigte raakte verdeeld.

8

23:8
Matt. 22:23
Mark. 12:18
Luk. 20:27
De Sadduceeën zeggen namelijk dat er geen opstanding is en geen engel of geest, maar de Farizeeën belijden het beide.

9En er ontstond luid geschreeuw en de schriftgeleerden van de partij van de Farizeeën stonden op en betoogden fel:

23:9
Hand. 25:25
26:31
Wij vinden geen kwaad in deze man. En als er een geest tot hem gesproken heeft, of een engel, laten wij dan niet tegen God strijden.

10En toen er grote onenigheid ontstond, gaf de overste, die bevreesd was dat Paulus door hen verscheurd zou worden, bevel dat zijn soldaten naar beneden moesten gaan om Paulus uit hun midden weg te rukken en naar de kazerne te brengen.

11

23:11
Hand. 18:9
En de volgende nacht stond de Heere bij hem en zei: Heb goede moed, Paulus, want zoals u in Jeruzalem van Mijn zaak getuigd hebt, zo moet u ook in Rome getuigen.

De samenzwering van de Joden tegen Paulus

12

23:12
Vers 21,29,30
En toen het dag geworden was, smeedden enkele Joden een complot: zij vervloekten zichzelf en zeiden dat zij niet zouden eten en drinken voordat zij Paulus gedood zouden hebben.

13Het waren er meer dan veertig die deze samenzwering beraamden.

14Zij gingen naar de overpriesters en de oudsten en zeiden: Wij hebben onszelf vervloekt met een vervloeking dat wij niets zullen nuttigen voordat wij Paulus gedood hebben.

15U dan nu, laat de overste evenals de Raad weten dat hij hem morgen naar u toe moet brengen, onder het voorwendsel dat u zijn zaak nauwkeuriger wilt onderzoeken; wij staan klaar om hem te doden nog voor hij bij u komt.

16Maar toen de zoon van Paulus' zuster van deze hinderlaag hoorde, ging hij naar de kazerne toe; hij ging naar binnen en berichtte het aan Paulus.

17En Paulus riep een van de hoofdmannen over honderd bij zich en zei: Leid deze jongeman naar de overste, want hij heeft hem iets te berichten.

18Die nam hem dus mee, bracht hem bij de overste en zei: De gevangene Paulus heeft mij bij zich geroepen en mij gevraagd deze jongeman bij u te brengen. Hij heeft u iets te vertellen.

19De overste nu nam hem bij de hand en nadat hij hem apart genomen had, vroeg hij: Wat is het dat je mij te berichten hebt?

20En hij zei: De Joden hebben

23:20
Vers
afgesproken om u te vragen of u Paulus morgen naar de Raad wilt brengen, onder het voorwendsel dat zij iets met betrekking tot hem nauwkeuriger zouden willen onderzoeken.

21Maar laat u niet door hen overtuigen, want meer dan veertig mannen uit hun midden leggen een hinderlaag voor hem. Zij hebben zich met een vervloeking verplicht niet te eten of te drinken voordat zij hem gedood zullen hebben. Zij staan nu klaar en wachten op uw toezegging.

22Toen liet de overste de jongeman gaan en gebood hem: Zeg verder tegen niemand dat je mij dit hebt laten weten.

Paulus naar Caesarea overgebracht

23En toen hij twee van de hoofdmannen over honderd bij zich geroepen had, zei hij: Maak tweehonderd soldaten gereed om vanaf het derde uur van de nacht naar Caesarea te gaan, met zeventig ruiters en tweehonderd boogschutters.

24En laten zij ook voor rijdieren zorgen om Paulus daarop te zetten en behouden naar Felix, de stadhouder, te brengen.

25En hij schreef een brief met deze inhoud:

26Claudius Lysias aan de zeer machtige stadhouder Felix: Gegroet!

27

23:27
Hand. 21:33
Toen deze man door de Joden gegrepen was en door hen omgebracht zou worden, ben ik er met mijn soldaten op afgegaan en heb hem ontzet, omdat ik vernomen had dat hij een Romein was.

28En omdat ik de reden wilde weten waarom zij hem beschuldigden, bracht ik hem naar hun Raad.

29Het bleek mij dat hij beschuldigd werd in verband met geschilpunten inzake hun wet, maar dat er geen beschuldiging tegen hem was die de dood of gevangenschap verdiende.

30En toen mij te kennen gegeven was, dat er door de Joden een hinderlaag voor deze man gelegd zou worden, heb ik hem ogenblikkelijk naar u toe gestuurd en ook de aanklagers geboden in uw tegenwoordigheid te vertellen wat zij tegen hem hadden. Vaarwel.

31Dus namen de soldaten Paulus mee en brachten hem 's nachts naar Antipatris, zoals hun bevolen was.

32En de volgende dag lieten zij de ruiters met hem verdergaan en keerden zelf naar de kazerne terug.

33Deze overhandigden, toen zij in Caesarea gekomen waren, de brief aan de stadhouder en droegen Paulus aan hem over.

34En de stadhouder vroeg, nadat hij de brief gelezen had, uit welke provincie hij kwam; en toen hij vernomen had dat hij uit Cilicië kwam,

35zei hij: Ik zal u verhoren als ook uw aanklagers hier gekomen zijn. En hij gaf bevel hem in het gerechtsgebouw van Herodes in bewaring te stellen.

24

Paulus voor Felix

241En vijf dagen daarna kwam

24:1
Hand. 23:2
de hogepriester Ananias daar met de oudsten en een zekere advocaat, Tertullus. Die verschenen voor de stadhouder met een aanklacht tegen Paulus.

2En toen deze geroepen was, begon Tertullus hem als volgt te beschuldigen:

3Dat wij door uw toedoen grote vrede gekregen hebben en dat er veel prijzenswaardige diensten aan dit volk bewezen worden door uw wijs beleid, zeer machtige Felix, erkennen wij ten volle en overal met alle dankbaarheid.

4Maar, om u niet lang op te houden, verzoek ik u dat u ons, met de welwillendheid die u eigen is, een ogenblik aanhoort.

5Ons is namelijk gebleken dat deze man een pest is en iemand die oproer verwekt onder al de Joden in heel de wereld, en een vooraanstaand persoon is binnen de sekte van de Nazarenen.

6

24:6
Hand. 21:28
Hij heeft ook geprobeerd de tempel te ontheiligen. Wij hebben hem dan ook gevangengenomen om naar onze wet een oordeel over hem te vellen,

7maar Lysias, de overste, kwam daarop af, trok hem met veel geweld uit onze handen en voerde hem weg

8en gaf zijn aanklagers bevel naar u toe te gaan. Als u hem ondervraagt, zult u zelf van hem alles kunnen te weten komen waarvan wij hem beschuldigen.

9En ook de Joden bevestigden het en beweerden dat het zo was.

10Maar Paulus antwoordde, nadat de stadhouder hem een wenk had gegeven dat hij kon spreken: Omdat ik weet dat u al vele jaren rechter over dit volk bent, verdedig ik mijn zaak met des te meer vertrouwen.

11U kunt immers weten dat het niet meer dan twaalf dagen geleden is sinds ik naar Jeruzalem ging om te aanbidden.

12

24:12
Hand. 25:8
28:17
En zij hebben mij niet aangetroffen in de tempel, in gesprek met iemand of bezig met het veroorzaken van een samenscholing, niet in de synagogen en ook niet in de stad,

13en zij kunnen ook niets bewijzen van datgene waarvan zij mij nu beschuldigen.

14Maar dit erken ik voor u: dat ik volgens die Weg die zij sekte noemen, op die manier de God van de vaderen dien, en dat ik alles geloof wat er in de Wet en in de Profeten geschreven staat.

15Ik heb hoop op God – zij zelf verwachten het ook – dat er een opstanding van de doden zal zijn van zowel rechtvaardigen als onrechtvaardigen.

16

24:16
Hand. 23:1
En daarom oefen ik mijzelf om altijd een zuiver geweten te hebben voor God en de mensen.

17En na verscheidene jaren kwam ik

24:17
Hand. 11:29
Rom. 15:25
om liefdegaven aan mijn volk te brengen en om te offeren.

18

24:18
Hand. 21:27
Terwijl ik dat deed, troffen enige Joden uit Asia mij, nadat ik gereinigd was, in de tempel aan, niet met een menigte en ook niet met opschudding.

19Die hadden hier voor u moeten verschijnen en mij moeten beschuldigen als zij iets tegen mij zouden hebben.

20Of laten deze mannen hier zelf zeggen of zij enige ongerechtigheid in mij vonden, toen ik voor de Raad stond,

21of het moest zijn met betrekking tot dit ene woord dat ik uitriep toen ik in hun midden stond:

24:21
Hand. 23:6
28:20
Over de opstanding van de doden word ik heden door u geoordeeld!

22Toen Felix, die vrij nauwkeurig op de hoogte was van de Weg, dit gehoord had, verdaagde hij hun zaak, en zei: Als Lysias, de overste, gekomen is, zal ik een onderzoek instellen naar uw zaak.

23En hij gaf de hoofdman over honderd opdracht Paulus in hechtenis te houden, maar onder betere omstandigheden,24:23 onder betere omstandigheden - Letterlijk: verlichting hebben.

24:23
Hand. 27:3
28:16
en niemand van de zijnen te verhinderen hem van dienst te zijn of naar hem toe te komen.

24En na enige dagen kwam Felix daar met zijn vrouw Drusilla, die een Jodin was. En hij ontbood Paulus en hoorde hem over het geloof in Christus.

25En toen hij sprak over rechtvaardigheid, zelfbeheersing en over het toekomstige oordeel, werd Felix zeer bevreesd en antwoordde: Nu kunt u gaan; wanneer ik gelegenheid heb, zal ik u weer laten halen.

26En tegelijkertijd hoopte hij ook dat Paulus hem geld zou geven om losgelaten te worden. Daarom ontbood hij hem ook dikwijls en sprak hij met hem.

27Maar toen er twee jaar verstreken was, kreeg Felix Porcius Festus als opvolger; en Felix,

24:27
Hand. 25:14
die de Joden een gunst wilde bewijzen, liet Paulus gevangen achter.