Herziene Statenvertaling (HSV)
13

Barnabas en Paulus naar de heidenen gezonden

131En er waren

13:1
Hand. 14:26
in Antiochië, in de gemeente aldaar, enkele profeten en leraars, namelijk Barnabas, Simeon, die Niger genoemd werd, Lucius van Cyrene, Manahen, die met Herodes, de viervorst, opgegroeid was, en Saulus.

2En terwijl zij de Heere dienden en vastten, zei de Heilige Geest:

13:2
Hand. 9:15
22:21
Rom. 1:1
Gal. 1:15
2:8
Efez. 3:8
1 Tim. 2:7
2 Tim. 1:11
Zonder voor Mij zowel Barnabas als Saulus af voor het werk waartoe Ik hen
13:2
Matt. 9:38
Rom. 10:15
Hebr. 5:4
geroepen heb.

3

13:3
Hand. 6:6
8:15
19:6
Toen vastten en baden zij, en nadat zij hun
13:3
Hand. 14:26
de handen opgelegd hadden, lieten zij hen gaan.

Barnabas en Paulus op Cyprus

4Zij dan, uitgezonden door de Heilige Geest, vertrokken naar Seleucië en voeren vandaar naar Cyprus.

5En toen zij in Salamis gekomen waren, verkondigden zij het Woord van God in de synagogen van de Joden; en zij hadden bovendien

13:5
Hand. 12:25
Johannes als dienaar.

6En toen zij het eiland doorgegaan waren tot Pafos toe, troffen zij

13:6
Hand. 8:9
19:13
een zekere tovenaar aan, een valse profeet, een Jood van wie de naam Barjezus was.

7Hij hoorde bij de stadhouder Sergius Paulus, een verstandig man. Die riep Barnabas en Saulus bij zich en verlangde ernaar het Woord van God te horen.

8

13:8
Ex. 7:11
2 Tim. 3:8
Maar Elymas, de tovenaar (want zo wordt zijn naam vertaald), ging tegen hen in en probeerde de stadhouder van het geloof af te houden.

9Maar Saulus (die ook Paulus genoemd wordt), vervuld met de Heilige Geest, keek hem doordringend aan, en zei:

10O duivelskind, vol van alle bedrog en van alle sluwheid, vijand van alle gerechtigheid, zult u er niet mee ophouden de rechte wegen van de Heere te verdraaien?

11En nu, zie, de hand van de Heere is tegen u en u zult blind zijn en de zon voor een tijd niet zien. En onmiddellijk viel er donkerheid en duisternis op hem, en rondlopend zocht hij naar mensen om hem bij de hand te leiden.

12Toen de stadhouder zag wat er gebeurd was, geloofde hij, versteld over de leer van de Heere.

Paulus in Antiochië

13En Paulus en zij die bij hem waren, voeren van Pafos weg en kwamen in Perge aan, een stad in Pamfylië.

13:13
Hand. 15:38
Maar Johannes verliet hen en keerde terug naar Jeruzalem.

14En zij gingen vanuit Perge het land door en kwamen in Antiochië in Pisidië; en zij gingen op de dag van de sabbat de synagoge binnen en gingen daar zitten.

15En na het voorlezen van de Wet en van de Profeten lieten de hoofden van de synagoge tegen hen zeggen: Mannenbroeders, als er bij u een woord van bemoediging voor het volk is, spreek dan.

16Toen stond Paulus op,

13:16
Hand. 12:17
19:33
21:40
wenkte met de hand en zei: Israëlitische mannen en u die God vreest, luister:

17De God van dit volk Israël heeft onze vaderen

13:17
Ex. 1:1
uitverkoren en het volk verhoogd toen zij vreemdelingen waren in het land Egypte, en Hij heeft hen met een machtige arm daaruit geleid.

18

13:18
Ex. 16:35
Num. 14:34
Ps. 95:10
En Hij heeft gedurende de tijd van ongeveer veertig jaar hun doen en laten verdragen in de woestijn.

19En nadat Hij in het land Kanaän zeven volken uitgeroeid had,

13:19
Joz. 14:2
verdeelde Hij hun land onder hen door het lot.

20En daarna gaf Hij hun ongeveer vierhonderdvijftig jaar

13:20
Richt. 2:16
3:9
richters, tot aan de profeet Samuel.

21

13:21
1 Sam. 8:5
Hos. 13:11
En van toen af vroegen zij om een koning, en God gaf hun
13:21
1 Sam. 9:15
10:1
Saul, de zoon van Kis, een man uit de stam van Benjamin, gedurende veertig jaar.

22En nadat Hij hem had afgezet, verwekte Hij

13:22
1 Sam. 16:12
David voor hen tot koning; Hij gaf ook getuigenis van hem met de woorden:
13:22
1 Sam. 13:14
Ps. 89:21
Hand. 7:45
Ik heb David, de zoon van Isaï, gevonden, een man naar Mijn hart, die alles zal doen wat Ik wil.

23Uit zijn nageslacht heeft God voor Israël, volgens de belofte, de Zaligmaker Jezus doen voortkomen,

24

13:24
Matt. 3:1
Mark. 1:2
Luk. 3:2
Joh. 3:23
nadat Johannes, voorafgaand aan Zijn komst, eerst aan heel het volk Israël de doop van bekering gepredikt had.

25Maar toen Johannes zijn loop aan het volbrengen was, zei hij: Wie denkt u dat ik ben?

13:25
Joh. 1:20
Ik ben de Christus niet; maar zie, Hij komt na mij,
13:25
Matt. 3:11
bij Wie ik het niet waard ben de sandalen aan Zijn voeten los te maken.

26Mannenbroeders, kinderen van het geslacht van Abraham, en wie onder u God vrezen,

13:26
Vers 46;
tot u is het woord van deze zaligheid gezonden.

27Want de inwoners van Jeruzalem en hun leiders,

13:27
Joh. 16:3
Hand. 3:17
1 Kor. 2:8
1 Tim. 1:13
die Hem niet kenden, hebben door Hem te veroordelen de uitspraken van de profeten vervuld, die iedere sabbat voorgelezen worden.

28

13:28
Matt. 27:20
Mark. 15:11
Luk. 23:18
Joh. 19:6
En hoewel zij geen reden voor Zijn dood vonden, vroegen zij Pilatus Hem te laten doden.

29En toen zij alles volbracht hadden wat er over Hem geschreven was, namen zij Hem van het hout af en legden Hem in het graf.

30

13:30
Matt. 28:6
Mark. 16:6
Luk. 24:6
Maar God heeft Hem uit de doden opgewekt;

31

13:31
Mark. 16:14
Joh. 20:19
21:1
Hand. 1:3
1 Kor. 15:5
en Hij is gedurende vele dagen verschenen aan hen die met Hem opgegaan waren van Galilea naar Jeruzalem en die nu Zijn getuigen zijn bij het volk.

32En wij verkondigen u

13:32
Gen. 3:15
22:18
26:4
49:10
Deut. 18:15
2 Sam. 7:12
Ps. 132:11
Jes. 4:2
7:14
9:5
40:10
Jer. 23:5
33:14
Ezech. 34:23
37:24
Dan. 9:24,25
de belofte die aan de vaderen gedaan is, namelijk dat God die vervuld heeft aan ons, hun kinderen, door Jezus te verwekken,

33zoals ook in de tweede psalm geschreven staat: U bent Mijn Zoon, heden heb Ik U verwekt.

34En dat Hij Hem uit de doden heeft doen opstaan om niet meer tot ontbinding terug te keren, heeft Hij zó gezegd:

13:34
Jes. 55:3
Ik zal u de weldaden van David geven, die betrouwbaar zijn;

35daarom zegt hij ook in een andere psalm:

13:35
Ps. 16:10
Hand. 2:27
U zult Uw Heilige niet overgeven om ontbinding te zien.

36

13:36
1 Kon. 2:10
Hand. 2:29
Immers, David is ontslapen nadat hij in zijn tijd het raadsbesluit van God uitgediend had, en hij is bij zijn vaderen gelegd en heeft wel ontbinding gezien;

37maar Hij Die God opgewekt heeft, heeft geen ontbinding gezien.

38Laat het u dan bekend zijn, mannenbroeders,

13:38
Luk. 24:47
1 Joh. 2:12
dat door Hem aan u vergeving van de zonden verkondigd wordt

39

13:39
Rom. 3:28
8:3
Gal. 2:16
Hebr. 7:19
en dat
13:39
Rom. 10:4
ieder die gelooft, door Hem gerechtvaardigd wordt van alles waarvan u door de wet van Mozes niet gerechtvaardigd kon worden.

40Pas dan op dat u niet overkomt wat er gezegd is in de profeten:

41

13:41
Jes. 28:14
Hab. 1:5
Zie, verachters, verwonder u en verdwijn, want Ik verricht een werk in uw dagen, een werk dat u niet zult geloven als iemand het u vertelt.

42En toen de Joden weggegaan waren uit de synagoge, drongen de heidenen erop aan dat op de volgende sabbat dezelfde woorden tot hen gesproken zouden worden.

43En toen de synagoge uitgegaan was, volgden velen van de Joden en van de godvrezende proselieten Paulus en Barnabas. Die spraken tot hen

13:43
Hand. 11:23
14:22
en spoorden hen aan om bij de genade van God te blijven.

44En op de volgende sabbat kwam bijna heel de stad samen om het Woord van God te horen.

45Maar toen de Joden de menigten zagen, werden zij met afgunst vervuld en spraken tegen wat er door Paulus gezegd werd; zij spraken niet alleen tegen, maar lasterden ook.

46Maar Paulus en Barnabas zeiden vrijmoedig:

13:46
Vers
Het was nodig dat het Woord van God eerst tot u gesproken zou worden,
13:46
Ex. 32:10
Jes. 55:5
Matt. 8:12
21:43
Rom. 10:19
maar aangezien u het verwerpt en uzelf het eeuwige leven niet waard oordeelt, zie, wij wenden ons tot de heidenen.

47Zo immers heeft de Heere ons geboden:

13:47
Jes. 42:6
49:6
Luk. 2:32
Ik heb u tot een licht voor de heidenen gesteld, opdat u tot zaligheid zou zijn tot aan het uiterste van de aarde.

Paulus en Barnabas naar Ikonium

48Toen nu de heidenen dit hoorden, verblijdden zij zich en prezen het Woord van de Heere, en er geloofden er zovelen als er bestemd waren voor het eeuwige leven.

49En het Woord van de Heere verbreidde zich door heel het land.

50Maar de Joden stookten de godvrezende en aanzienlijke vrouwen en de voornaamsten van de stad op

13:50
2 Tim. 3:11
en ontketenden een vervolging tegen Paulus en Barnabas, en zij verdreven hen uit hun gebied.

51Maar zij schudden tegen hen het stof van hun voeten af en gingen naar Ikonium.

52En de discipelen werden vervuld met blijdschap en met de Heilige Geest.

14

141En het gebeurde in Ikonium dat zij samen de synagoge van de Joden binnengingen en zo spraken dat een grote menigte, zowel van Joden als van Grieken, geloofde.

2Maar de Joden die ongehoorzaam waren, wekten in de zielen van de heidenen onrust en verbittering tegen de broeders.

3Zij verbleven daar dan lange tijd en spraken vrijmoedig, in vertrouwen op de Heere,

14:3
Mark. 16:20
Hand. 19:11
Hebr. 2:4
Die getuigenis gaf aan het Woord van Zijn genade en tekenen en wonderen door hun hand liet gebeuren.

4En de bevolking van de stad raakte verdeeld. Sommigen waren voor de Joden, anderen voor de apostelen.

Paulus en Barnabas naar Lystre en Derbe

5En toen er een oploop ontstond, zowel van heidenen als van Joden, met hun leiders, om hen smadelijk te behandelen en te stenigen,

6

14:6
Matt. 10:23
Hand. 8:1
vluchtten zij, toen dit tot hen doorgedrongen was, naar de steden van Lycaonië, namelijk Lystre en Derbe, en de omgeving ervan.

7En zij verkondigden daar het Evangelie.

8En er zat in Lystre een man

14:8
Hand. 3:2
die geen macht had over zijn voeten: hij was kreupel van de moederschoot af en had nooit kunnen lopen.

9Deze hoorde Paulus spreken. Die keek hem doordringend aan en toen hij zag dat hij geloof had om gezond te worden,

10zei hij met luide stem: Sta recht op uw voeten!

14:10
Jes. 35:6
En hij sprong op en liep rond.

11En de menigten, die zagen wat Paulus gedaan had, verhieven hun stem en zeiden in het Lycaonisch:

14:11
Hand. 28:6
De goden zijn aan mensen gelijk geworden en naar ons afgedaald.

12En zij noemden Barnabas Zeus en Paulus Hermes, omdat hij het woord voerde.

13En de priester van Zeus, wiens tempel vóór hun stad lag, bracht ossen en kransen bij de poorten en wilde samen met de menigten offeren.

14Maar toen de apostelen Barnabas en Paulus dat hoorden, scheurden zij hun kleren, stortten zich in de menigte en riepen:

15Mannen,

14:15
Hand. 10:26
Openb. 19:10
22:9
waarom doet u dit? Ook wij zijn mensen net zoals u, en wij verkondigen u juist dat u zich van deze zinloze dingen moet bekeren tot de levende God,
14:15
Gen. 1:1
Ps. 33:6
124:8
146:6
Openb. 14:7
Die de hemel, de aarde, de zee en alles wat erin is, gemaakt heeft.

16

14:16
Ps. 81:13
Hij heeft in de tijden die achter ons liggen al de heidenen hun eigen wegen laten gaan,

17

14:17
Rom. 1:19
hoewel Hij Zichzelf toch niet onbetuigd liet door goed te doen: Hij gaf ons vanuit de hemel regen en vruchtbare tijden en verzadigde ons hart met voedsel en vreugde.

18En door dit te zeggen, konden zij de menigten er maar nauwelijks van weerhouden, aan hen te offeren.

De terugkeer naar Antiochië

19Maar er kwamen Joden uit Antiochië en Ikonium, die de menigten overtuigden; en zij

14:19
2 Kor. 11:25
stenigden Paulus en sleepten hem de stad uit, omdat zij dachten dat hij dood was.

20Maar toen de discipelen hem omringd hadden, stond hij op en ging de stad in, en de volgende dag vertrok hij met Barnabas naar Derbe.

21En nadat zij aan die stad het Evangelie verkondigd hadden en veel discipelen gemaakt hadden, keerden zij terug naar Lystre, Ikonium en Antiochië,

22en zij versterkten de zielen van de discipelen,

14:22
Hand. 11:23
13:43
spoorden hen aan in het geloof te blijven en zeiden
14:22
Matt. 10:38
16:24
Luk. 24:26
2 Tim. 3:12
dat wij door veel verdrukkingen in het Koninkrijk van God moeten ingaan.

23En toen zij in elke gemeente door het opsteken van de handen voor hen ouderlingen gekozen hadden en onder vasten gebeden hadden, droegen zij hen op aan de Heere, in Wie zij nu geloofden.

24En na Pisidië doorgereisd te hebben, kwamen zij in Pamfylië.

25En toen zij in Perge het Woord gesproken hadden, kwamen zij naar Attalia.

26En daarvandaan voeren zij

14:26
Hand. 13:1
naar Antiochië, waar zij aan de genade van God opgedragen waren voor het werk dat zij volbracht hadden.

27Toen zij daar aangekomen waren, riepen zij de gemeente bijeen en deden er verslag van wat voor grote dingen God met hen gedaan had, en dat Hij voor de heidenen de deur van het geloof geopend had.

28En zij verbleven daar geen korte tijd met de discipelen.

15

De vergadering in Jeruzalem

151En enigen die uit Judea gekomen waren, leerden de broeders:

15:1
Gal. 5:2
Als u niet besneden wordt
15:1
Gen. 17:10
Lev. 12:3
volgens het gebruik van Mozes, kunt u niet zalig worden.

2Toen er dan van de kant van Paulus en Barnabas een niet geringe tegenstand en woordenstrijd tegen hen ontstond, bepaalden zij

15:2
Gal. 2:1
dat Paulus en Barnabas en enkele anderen uit hen in verband met dit geschilpunt naar de apostelen en ouderlingen in Jeruzalem zouden gaan.

3Nadat zij dan door de gemeente uitgeleide gedaan waren, reisden zij door Fenicië en Samaria en vertelden over de bekering van de heidenen, en zij bezorgden al de broeders grote blijdschap.

4Toen zij in Jeruzalem gekomen waren, werden zij ontvangen door de gemeente en de apostelen en de ouderlingen; en zij deden verslag van alles wat God door hen gedaan had.

5Maar, zeiden zij, er zijn er enigen opgestaan onder de aanhangers van de sekte van de Farizeeën die gelovig zijn geworden, die zeggen dat men hen moet besnijden en moet gebieden de wet van Mozes in acht te nemen.

6En de apostelen en de ouderlingen kwamen bijeen om deze zaak te bezien.

7En toen daarover een heftige woordenstrijd ontstond, stond Petrus op en zei tegen hen:

15:7
Hand. 10:20
11:12
Mannenbroeders, u weet dat God lang geleden15:7 lang geleden - Letterlijk: van oude dagen. onder ons mij uitgekozen heeft, zodat de heidenen uit mijn mond het woord van het Evangelie zouden horen, en zouden geloven.

8En God,

15:8
1 Kron. 28:9
29:17
Ps. 7:10
Jer. 11:20
17:10
20:12
de Kenner van de harten, heeft getuigenis aan hen gegeven door hun de Heilige Geest te geven, evenals aan ons;

9

15:9
Hand. 10:43,44
en Hij heeft geen onderscheid gemaakt tussen ons en hen, en heeft hun hart door het geloof gereinigd.

10Welnu dan, waarom verzoekt u God

15:10
Matt. 23:4
door een juk op de hals van de discipelen te leggen dat onze vaderen en ook wij niet hebben kunnen dragen?

11

15:11
Efez. 2:8
Tit. 3:4
Maar wij geloven door de genade van de Heere Jezus Christus op dezelfde wijze zalig te worden als ook zij.

12En heel de menigte zweeg, en zij hoorden Barnabas en Paulus vertellen wat voor grote tekenen en wonderen God door hen onder de heidenen gedaan had.

13En toen zij zwegen, antwoordde Jakobus: Mannenbroeders, luister naar mij.

14Simeon heeft verteld hoe God voorheen naar de heidenen omgezien heeft om voor Zijn Naam uit hen een volk aan te nemen.

15En hiermee stemmen de woorden van de profeten overeen, zoals geschreven staat:

16

15:16
Amos 9:11,12
Hierna zal Ik terugkeren en de vervallen hut van David weer opbouwen, en wat daarvan is afgebroken, weer opbouwen en Ik zal hem weer oprichten,

17opdat de mensen die overgebleven zijn, de Heere zouden zoeken, en alle heidenen over wie Mijn Naam uitgeroepen is, spreekt de Heere, Die dit alles doet.

18Aan God zijn al Zijn werken van eeuwigheid bekend.

19Daarom ben ik van oordeel dat men het hun die zich uit de heidenen tot God bekeren, niet lastig moet maken,

20maar aan hen moet schrijven dat zij zich dienen te onthouden

15:20
Ex. 20:3
1 Kor. 8:1
10:20
van de dingen die door de afgoden besmet zijn,
15:20
1 Thess. 4:3
van ontucht, van het verstikte en
15:20
Gen. 9:4
van bloed.

21Want Mozes heeft van oude tijden af in elke stad mensen die hem prediken, want hij wordt elke sabbat in de synagogen voorgelezen.

22Toen dacht het de apostelen en de ouderlingen met heel de gemeente goed, enige mannen uit hun midden te kiezen en met Paulus en Barnabas mee te sturen naar Antiochië: Judas, ook Barsabas geheten, en Silas, leidinggevende mannen onder de broeders.

23En zij schreven door hun dienst15:23 door hun dienst - Letterlijk: door hun handen. het volgende: De apostelen, de ouderlingen en de broeders groeten de broeders uit de heidenen die in Antiochië, Syrië en Cilicië zijn.

24Wij hebben gehoord

15:24
Gal. 2:4
dat sommigen die bij ons vandaan zijn gekomen, u met woorden in verwarring hebben gebracht en uw zielen hebben verontrust door te zeggen dat u besneden moet worden en de wet moet onderhouden. Wij hadden hun daar geen opdracht toe gegeven.

25Daarom heeft het ons, nadat wij het eens geworden waren, goedgedacht enige mannen te kiezen en naar u toe te sturen met onze geliefden, Barnabas en Paulus,

26mensen

15:26
Hand. 13:50
14:19
die hun leven overhebben voor de Naam van onze Heere Jezus Christus.

27Daarom hebben wij Judas en Silas gestuurd, die hetzelfde ook mondeling15:27 mondeling - Letterlijk: met het woord. zullen meedelen.

28Want het heeft de Heilige Geest en ons goedgedacht u verder geen last op te leggen dan deze noodzakelijke dingen:

29

15:29
Ex. 20:3
1 Kor. 8:1
dat u zich onthoudt van afgodenoffers,
15:29
Gen. 9:4
Lev. 17:14
van bloed, van het verstikte en van
15:29
1 Thess. 4:3
hoererij. Als u zich ver van deze dingen houdt, zult u juist handelen. Vaarwel.

30Toen men afscheid van hen genomen had, gingen zij naar Antiochië; en na de menigte bijeengeroepen te hebben, overhandigden zij de brief.

31En toen ze die gelezen hadden, verblijdden zij zich over de bemoediging.

32Judas nu en Silas, die ook zelf profeten waren, bemoedigden de broeders met veel woorden en sterkten hen.

33En nadat zij daar een tijd gebleven waren, lieten de broeders hen met vrede teruggaan naar de apostelen.

34Maar het dacht Silas goed daar te blijven.

Paulus en Barnabas scheiden

35En Paulus en Barnabas verbleven in Antiochië en zij onderwezen en verkondigden, met nog veel anderen, het Woord van de Heere.

36En na enkele dagen zei Paulus tegen Barnabas: Laten wij nu terugkeren en onze broeders bezoeken in elke stad waar wij het Woord van de Heere verkondigd hebben, en zien hoe het met hen gaat.

37Nu wilde Barnabas Johannes, die ook

15:37
Hand. 12:12,25
Kol. 4:10
2 Tim. 4:11
Markus heet, meenemen.

38Paulus achtte het echter juist om hem, die hen van Pamfylië af verlaten had en niet met hen meegegaan was naar het werk, niet mee te nemen.

39Er ontstond daarom verbittering, zodat zij uit elkaar gingen en Barnabas Markus meenam en per schip naar Cyprus vertrok;

40maar Paulus koos Silas en vertrok, nadat hij door de broeders aan de genade van God opgedragen was.

41En hij reisde door Syrië en Cilicië en sterkte de gemeenten.