Herziene Statenvertaling (HSV)
5

David koning in Jeruzalem

51Toen

5:1
1 Kron. 11:1
kwamen alle stammen van Israël naar David in Hebron en zeiden: Zie, wij zijn uw beenderen en uw vlees.

2Al eerder,5:2 Al eerder - Letterlijk: zowel gisteren als eergisteren. toen Saul koning over ons was, was ú het die Israël liet uitgaan en ingaan. Ook heeft de HEERE tegen u gezegd:

5:2
2 Sam. 7:7
Ps. 78:71
Ú zult Mijn volk Israël weiden en ú zult tot vorst zijn over Israël.

3Zo kwamen alle oudsten van Israël bij de koning in Hebron. En koning David sloot met hen in Hebron een verbond voor het aangezicht van de HEERE, en zij zalfden David tot koning over Israël.

4Dertig jaar oud was David toen hij koning werd; veertig jaar heeft hij geregeerd.

5

5:5
2 Sam. 2:11
1 Kon. 2:11
1 Kron. 3:4
Te Hebron regeerde hij zeven jaar en zes maanden over Juda, en in Jeruzalem regeerde hij drieëndertig jaar over heel Israël en Juda.

6De koning trok met zijn mannen op naar Jeruzalem, tegen de Jebusieten, die in dat land woonden. Zij zeiden tegen David: U komt hier niet binnen, want zelfs de blinden en de kreupelen zullen u terugdrijven. Dat wil zeggen: David komt hier niet binnen.

7David nam echter de vesting Sion, dat is de stad van David, in.

8David zei namelijk op die dag:

5:8
1 Kron. 11:6
Ieder die de Jebusieten wil verslaan, moet de watergang zien te bereiken. En wat die kreupelen en die blinden betreft, David haat ze met heel zijn ziel.5:8 David … ziel - Letterlijk: de gehatenen van de ziel van David. In de SV volgt een belofte, die evenwel niet in de grondtekst staat, maar ter verduidelijking vanuit 1 Kronieken 11:6 is toegevoegd. Daarom zegt men wel: Een blinde of kreupele zal niet in het huis komen.

9Zo ging David in de vesting wonen en hij noemde die: Stad van David. David bouwde rondom een muur, vanaf de Millo naar de binnenzijde.

10David nam gaandeweg toe in aanzien, want de HEERE, de God van de legermachten, was met hem.

De macht en het gezin van David

11

5:11
1 Kron. 14:1
Hiram, de koning van Tyrus, stuurde boden naar David, met cederhout, timmerlieden en metselaars; zij bouwden een huis voor David.

12David besefte dat de HEERE hem tot koning over Israël bevestigd had en dat Hij zijn koningschap verheven had ter wille van Zijn volk Israël.

13

5:13
1 Kron. 3:9
14:3
David nam nog meer bijvrouwen en vrouwen uit Jeruzalem, nadat hij uit Hebron gekomen was, en bij David werden nog meer zonen en dochters geboren.

14

5:14
1 Kron. 3:514:4
Dit zijn de namen van hen die bij hem in Jeruzalem geboren zijn: Sammua, Sobab, Nathan, Salomo,

15Jibchar, Elisua, Nefeg, Jafia,

16Elisama, Eljada en Elifelet.

David verslaat de Filistijnen

17

5:17
1 Kron. 14:8
Toen de Filistijnen hoorden dat zij David tot koning over Israël gezalfd hadden, trokken alle Filistijnen op om David te zoeken. Toen David dat hoorde, daalde hij af naar de vesting.

18De Filistijnen kwamen en verspreidden zich in het dal Refaïm.

19David vroeg de HEERE: Zal ik optrekken tegen de Filistijnen? Zult U hen in mijn hand geven? En de HEERE zei tegen David: Trek op, want Ik zal de Filistijnen zeker in uw hand geven.

20Toen kwam David in

5:20
Jes. 28:21
Baäl-Perazim.5:20 Baäl-Perazim betekent: bezitter van doorbraken. David versloeg hen daar en zei: De HEERE is voor mij uit door mijn vijanden heen gebroken als een doorbraak van water. Daarom gaf hij die plaats de naam Baäl-Perazim.

21Zij lieten daar hun afgoden achter,

5:21
1 Kron. 14:12
en David en zijn mannen namen ze mee.

22Daarna trokken de Filistijnen opnieuw op en verspreidden zich in het dal Refaïm.

23David vroeg de HEERE om raad. Die zei: U moet niet optrekken; maak een omtrekkende beweging tot achter hen, zodat u bij hen komt van de zijde van de moerbeibomen.

24En laat het gebeuren, wanneer u het geluid van voetstappen in de toppen van de moerbeibomen hoort, dat u zich dan haast; want dan is de HEERE vóór u uit gegaan om het leger van de Filistijnen te verslaan.

25David deed zo, zoals de HEERE hem geboden had, en hij versloeg de Filistijnen van Geba af tot waar u bij Gezer komt.

6

David brengt de ark naar Jeruzalem

61Daarna

6:1
1 Kron. 13:5
verzamelde David opnieuw de beste van alle mannen in Israël, dertigduizend.

2David stond op en ging op weg met al het volk dat bij hem was, vanuit Baälim-Juda, om vandaar de ark van God op te halen, de ark waarbij de Naam wordt aangeroepen: de Naam van de HEERE van de legermachten, Die daarop troont, tussen de cherubs.

3Zij vervoerden de ark van God op een

6:3
1 Sam. 6:7,8
nieuwe wagen. Ze haalden hem uit het
6:3
1 Sam. 7:1
huis van Abinadab, dat op de heuvel lag, en Uzza en Ahio, zonen van Abinadab, leidden de nieuwe wagen.

4Zij haalden de wagen uit het huis van Abinadab, dat op de heuvel lag, met de ark van God, en Ahio liep voor de ark uit.

5David en het hele huis van Israël huppelden voor het aangezicht van de HEERE, met allerlei muziekinstrumenten van cipressenhout, met harpen, met luiten, met tamboerijnen, met rinkelbellen en met cimbalen.

6

6:6
1 Kron. 13:9
Maar toen zij bij de dorsvloer van Nachon kwamen, strekte Uzza zijn hand uit naar de ark van God en greep die, omdat de runderen struikelden.

7Toen ontbrandde de toorn van de HEERE tegen Uzza, en God strafte hem daar om deze onbedachtzaamheid, en hij stierf daar bij de ark van God.

8David ontstak in woede, omdat de HEERE Uzza een zware slag had toegebracht,6:8 Uzza … toegebracht - Letterlijk: een bres in Uzza had geslagen; Perez-Uzza betekent: bres van Uzza. en hij noemde die plaats Perez-Uzza, tot op deze dag.

9David was op die dag bevreesd voor de HEERE en zei: Hoe moet de ark van de HEERE bij mij komen?

10David wilde de ark van de HEERE niet bij zich laten komen in de stad van David, maar David liet hem uitwijken naar het huis van Obed-Edom, de Gethiet.

11Zo bleef de ark van de HEERE in het huis van Obed-Edom, de Gethiet, drie maanden lang,

6:11
1 Kron. 13:14
en de HEERE zegende Obed-Edom en heel zijn huis.

12Koning David werd de boodschap gebracht: De HEERE heeft het gezin van Obed-Edom en al wat hij heeft, gezegend vanwege de ark van God. Toen ging David op weg en bracht de ark van God met blijdschap vanuit het huis van Obed-Edom over naar de stad van David.

13En het gebeurde, nadat de dragers van de ark van de HEERE zes stappen gedaan hadden, dat hij een rund en een gemest kalf offerde.

14David huppelde uit alle macht voor het aangezicht van de HEERE; en David was gekleed in een linnen priesterhemd.

15Zo brachten David en heel het huis van Israël de ark van de HEERE over, met gejuich en met bazuingeschal.

16En het gebeurde, toen de ark van de HEERE in de stad van David kwam, dat Michal, de dochter van Saul, door het venster naar beneden keek. Toen zij koning David zag springen en huppelen voor het aangezicht van de HEERE, verachtte zij hem in haar hart.

17Toen zij de ark van de HEERE de stad binnenbrachten, zetten zij die op zijn

6:17
1 Kron. 15:1
16:1
plaats, midden in de tent die David ervoor gespannen had. En David bracht brandoffers voor het aangezicht van de HEERE, en dankoffers.

18Toen David klaar was met het brengen van het brandoffer en de dankoffers,

6:18
1 Kron. 16:2
zegende hij het volk in de Naam van de HEERE van de legermachten.

19Hij deelde aan heel het volk, aan heel de menigte van Israël, van de man tot de vrouw toe, aan ieder één broodkoek, één klomp dadels en één rozijnenkoek uit. Toen ging al het volk zijns weegs, ieder naar zijn huis.

20Toen David terugkwam om zijn gezin te zegenen, kwam Michal, de dochter van Saul, naar buiten, David tegemoet en zei: Wat zal de koning van Israël vandaag geëerd zijn, die zich vandaag voor de ogen van de slavinnen van zijn dienaren heeft uitgekleed, zoals een leegloper zich schaamteloos uitkleedt!

21Maar David zei tegen Michal: Voor het aangezicht van de HEERE, Die mij uitgekozen heeft boven jouw vader en boven heel zijn huis door mij aan te stellen als een vorst over het volk van de HEERE, over Israël, ja, voor het aangezicht van de HEERE heb ik gehuppeld!

22En ik zal mij nog geringer gedragen dan dit en nederig zijn in eigen oog, maar met de slavinnen over wie je sprak, met hen zal ik geëerd worden.

23Michal nu, de dochter van Saul, kreeg geen kind tot op de dag van haar dood.

7

Het erfelijk koningschap aan David toegezegd

71En

7:1
1 Kron. 17
het gebeurde, toen de koning in zijn huis zat, en de HEERE hem rust gegeven had van al zijn vijanden van rondom,

2dat de koning tegen de profeet Nathan zei: Zie toch, ik verblijf in een huis van cederhout, terwijl de ark van God te midden van tentdoek verblijft.

3Nathan zei tegen de koning: Ga uw gang, doe al wat in uw hart is, want de HEERE is met u.

4Maar in die nacht gebeurde het dat het woord van de HEERE tot Nathan kwam:

5Ga en zeg tegen Mijn dienaar, tegen David: Zo zegt de HEERE: Zou ú voor Mij een huis bouwen, voor Mij om in te wonen?

6Ik heb immers niet in een huis gewoond,

7:6
1 Kon. 8:16
van de dag af dat Ik de Israëlieten uit Egypte deed optrekken tot deze dag toe, maar Ik ben in een tent, in een tabernakel rondgetrokken.

7Heb Ik ooit, overal waar Ik met al de Israëlieten rondtrok, een woord gesproken tot een van de stammen van Israël, die Ik bevolen had Mijn volk Israël te weiden: Waarom bouwt u voor Mij geen huis van cederhout?

8Nu dan, dit moet u tegen Mijn dienaar zeggen, tegen David: Zo zegt de HEERE van de legermachten:

7:8
1 Sam. 16:11,12
Ps. 78:70
Ik heb u van de schaapskooi vandaan gehaald, van achter het kleinvee, om een leider over Mijn volk te zijn, over Israël.

9Ik was met u

7:9
2 Sam. 8:6,14
overal waar u heen ging, en heb al uw vijanden voor uw ogen uitgeroeid. Ik heb een grote naam voor u gemaakt, zoals de naam van de groten die op aarde zijn.

10Ik heb aan Mijn volk, aan Israël, een plaats toegewezen en het daar geplant, zodat het in zijn eigen gebied woont en niet meer heen en weer gedreven wordt. En onrechtvaardige mensen zullen het niet meer verdrukken zoals vroeger,

11en sinds de dag waarop Ik richters aangesteld heb over Mijn volk Israël. Maar Ik heb u rust gegeven van al uw vijanden. Ook maakt de HEERE u bekend dat de HEERE voor ú een huis zal maken.

12

7:12
1 Kon. 8:20
Wanneer uw dagen voorbij zijn en u met uw vaderen ontslapen bent, zal Ik uw nakomeling na u, die uit uw lichaam voortkomt, doen opstaan en Ik zal zijn koningschap bevestigen.

13

7:13
1 Kon. 5:5
6:12
1 Kron. 22:10
Die zal voor Mijn Naam een huis bouwen, en Ik zal de troon van zijn koningschap voor eeuwig bevestigen.

14

7:14
Ps. 89:27
Hebr. 1:5
Ík zal hem tot een Vader zijn, en híj zal Mij tot een zoon zijn, wat wil zeggen:
7:14
Ps. 89:31
als hij zich misdraagt, zal Ik hem terechtwijzen met een stok als van mensen en met slagen als van mensenkinderen.

15Maar Mijn goedertierenheid zal van hem niet wijken, zoals Ik die deed wijken van Saul, die Ik voor uw ogen weggenomen heb.

16Uw huis en uw koningschap zullen voor uw ogen voor eeuwig vaststaan, uw troon zal voor eeuwig zeker zijn.

17Overeenkomstig al deze woorden en heel dit visioen, zo sprak Nathan tot David.

Dankgebed van David

18Toen ging koning David de heilige tent binnen en nam plaats voor het aangezicht van de HEERE. Hij zei: Wie ben ik, Heere HEERE, en wat is mijn huis dat U mij tot hiertoe gebracht hebt?

19En dit was in Uw ogen nog gering, Heere HEERE, en U hebt ook nog over het huis van Uw dienaar gesproken tot in verre tijden; en dit overeenkomstig de wet van de mensen, Heere HEERE!

20En wat zal David nog meer tot U spreken? Ú kent Uw dienaar immers, Heere HEERE.

21Omwille van Uw woord en naar Uw hart hebt U al deze grote dingen gedaan, en aan Uw dienaar bekendgemaakt.

22Daarom bent U groot, Heere God,

7:22
Deut. 3:24
4:35
32:39
1 Sam. 2:2
Ps. 86:8
Jes. 45:5,18,22
Mark. 12:29,32
want er is niemand zoals U, en er is geen God dan U alleen, zoals blijkt uit alles wat wij met onze eigen oren gehoord hebben.

23

7:23
Deut. 4:7
33:29
Ps. 147:20
En wie is als Uw volk, als Israël, het enige volk op de aarde dat God is gaan verlossen om voor Hem een volk te zijn, om Zich een Naam te maken en voor u, Israël, deze grote en ontzagwekkende dingen te doen: voor Uw land, voor de ogen van Uw volk, dat U voor Uzelf uit Egypte verlost hebt van heidenvolken en hun goden.

24U hebt Uw volk Israël voor eeuwig voor Uzelf bevestigd als Uw volk, en Ú, HEERE, bent hun tot een God geworden.

25Nu dan, HEERE God, laat dit woord dat U over Uw dienaar en over zijn huis gesproken hebt, voor eeuwig bestaan, en doe zoals U gesproken hebt.

26En laat Uw Naam tot in eeuwigheid grootgemaakt worden door te zeggen: De HEERE van de legermachten is God over Israël, en het huis van Uw dienaar David zal zeker zijn voor Uw aangezicht.

27Want U, HEERE van de legermachten, God van Israël, U hebt voor het oor van Uw dienaar onthuld: Ik zal voor u een huis bouwen. Daarom heeft Uw dienaar vrijmoedigheid7:27 vrijmoedigheid - Letterlijk: zijn hart. gevonden dit gebed tot U te bidden.

28Nu dan, Heere HEERE, U bent die God en

7:28
Joh. 17:17
Uw woorden zijn waarheid, en U hebt dit goede tot Uw dienaar gesproken.

29Moge het U dan nu behagen het huis van Uw dienaar te zegenen, dat het voor eeuwig voor Uw aangezicht zal zijn; want U, Heere HEERE, hebt het gesproken, en met Uw zegen zal het huis van Uw dienaar voor eeuwig gezegend worden.