Herziene Statenvertaling (HSV)
3

31Er was een langdurige strijd tussen het huis van Saul en het huis van David. David werd gaandeweg sterker, maar het huis van Saul werd gaandeweg zwakker.

De eerste zonen van David

2Bij David werden in Hebron

3:2
1 Kron. 3:1
zonen geboren. Zijn eerstgeborene was Amnon, van Ahinoam uit Jizreël;

3zijn tweede was Chileab, van Abigaïl, de vrouw van Nabal, uit Karmel; de derde Absalom, de zoon van Maächa, de dochter van Talmai, koning van Gesur;

4de vierde Adonia, de zoon van Haggith; de vijfde Sefatja, de zoon van Abital;

5en de zesde Jithream, van Egla, de vrouw van David. Dezen zijn in Hebron bij David geboren.

Het verbond van Abner met David

6Terwijl er strijd was tussen het huis van Saul en het huis van David gebeurde het dat Abner zijn positie verstevigde in het huis van Saul.

7Nu had Saul een bijvrouw gehad, van wie de naam

3:7
2 Sam. 21:8,10,11
Rizpa was, een dochter van Aja. Isboseth zei tegen Abner: Waarom bent u bij de bijvrouw van mijn vader gekomen?

8Toen ontstak Abner in woede over de woorden van Isboseth en zei: Ben ik dan een hondenkop die bij Juda hoort? Ik bewijs toch heden goedertierenheid aan het huis van uw vader Saul, aan zijn broeders en aan zijn vrienden, en heb u niet overgeleverd in de hand van David. Waarom verwijt u mij dan ongerechtigheid met die vrouw?

9God mag zó met Abner doen, ja, Hij mag nog veel erger met hem doen! Voorzeker, zoals de HEERE aan David gezworen heeft, voorzeker, zo zal ik voor hem doen,

10door het koningschap van het huis van Saul weg te nemen, en door de troon van David te vestigen over Israël en Juda, van Dan tot Berseba toe!

11En hij kon Abner niet één woord meer terugzeggen, omdat hij bevreesd voor hem was.

12Toen stuurde Abner boden namens zichzelf naar David, om te zeggen: Van wie is het land? En verder: Sluit uw verbond met mij, en zie, ik zal op uw hand zijn3:12 ik zal op uw hand zijn - Letterlijk: mijn hand zal met u zijn. om heel Israël te doen omkeren, naar u toe.

13En hij zei: Goed, ik zal een verbond met u sluiten. Eén ding vraag ik echter van u: u zult mij niet onder ogen komen, tenzij dat u eerst Michal brengt, de dochter van Saul, als u mij onder ogen wilt komen!3:13 als … komen - Letterlijk: als u komt om mijn aangezicht te zien.

14Ook stuurde David boden naar Isboseth, de zoon van Saul, om te zeggen: Geef mij mijn vrouw Michal, die ik

3:14
1 Sam. 18:25,27
voor mij als bruid verworven heb met honderd voorhuiden van de Filistijnen.

15Isboseth stuurde boodschappers en haalde haar weg bij haar man,

3:15
1 Sam. 25:44
Paltiël, de zoon van Laïs.

16Haar man ging met haar mee en kwam huilend achter haar aan gelopen, tot Bahurim toe. Toen zei Abner tegen hem: Ga weg, keer terug. En hij keerde terug.

17Nu had Abner overleg gehad met de oudsten van Israël en gezegd: U hebt David al veel eerder3:17 al veel eerder - Letterlijk: zowel gisteren als eergisteren. als koning over u verlangd.

18Doe het dan nu, want de HEERE heeft tot David gesproken: Door de hand van David, Mijn dienaar, zal Ik Mijn volk Israël verlossen uit de hand van de Filistijnen en uit de hand van al hun vijanden.

19Abner sprak ook ten aanhoren van afgevaardigden van Benjamin. Ook ging Abner naar Hebron om ten aanhoren van David te spreken over alles wat goed was in de ogen van Israël en in de ogen van heel het huis van Benjamin.

20Abner kwam bij David in Hebron, en twintig mannen met hem. En David richtte een maaltijd aan voor Abner en de mannen die bij hem waren.

21Toen zei Abner tegen David: Ik zal mij gereedmaken en op weg gaan om heel Israël bijeen te brengen bij mijn heer de koning, zodat zij een verbond met u sluiten en u zult regeren over alles wat uw ziel verlangt. Zo liet David Abner gaan en hij ging in vrede.

Joab doodt Abner

22En zie, de manschappen van David en Joab kwamen terug van een rooftocht en brachten een grote buit met zich mee. Abner was niet meer bij David in Hebron, want deze had hem laten gaan en hij was in vrede weggegaan.

23Toen Joab en heel het leger dat bij hem was, aankwamen, vertelde men aan Joab: Abner, de zoon van Ner, is bij de koning gekomen; die heeft hem laten gaan en hij is in vrede weggegaan.

24Toen ging Joab naar de koning en zei: Wat hebt u gedaan? Zie, Abner is bij u gekomen; waarom hebt u hem toch laten gaan, zodat hij ongehinderd weg kon gaan?

25U kent Abner, de zoon van Ner, dat hij gekomen is om u te misleiden en om uw uitgaan en uw ingaan te weten te komen, ja, om te weten te komen alles wat u doet.

26Joab ging weg bij David en stuurde Abner boden achterna, die hem terughaalden van bij de put van Sira. David echter wist het niet.

27Toen Abner weer in Hebron kwam,

3:27
1 Kon. 2:5
nam Joab hem binnen de poort terzijde om in stilte met hem te kunnen spreken. Daar stak hij hem in zijn buik, zodat hij stierf,
3:27
2 Sam. 2:23
vanwege het bloed van zijn broer Asahel.

28Toen David dit naderhand hoorde, zei hij: Ik en mijn koninkrijk zijn tegenover de HEERE tot in eeuwigheid onschuldig aan het bloed van Abner, de zoon van Ner.

29Laat de bloedschuld op het hoofd van Joab blijven en op heel zijn familie, en laat er in het huis van Joab nooit iemand ontbreken die een vloeiing heeft, melaats is, die op een stok leunt, door het zwaard valt of gebrek aan brood heeft.

30Zo brachten Joab en zijn broer Abisaï Abner ter dood, omdat hij hun broer Asahel in Gibeon in de strijd gedood had.

31David zei tegen Joab en tegen al het volk dat bij hem was: Scheur uw kleren, trek rouwgewaden aan en bedrijf rouw voor Abner uit. En koning David volgde de baar.

32Toen zij Abner in Hebron begroeven, begon de koning luid te huilen3:32 begon … luid te huilen - Letterlijk: verhief … zijn stem en huilde. bij het graf van Abner, en ook heel het volk huilde.

33De koning hief een rouwklacht aan over Abner en zei:

Is Abner dan gestorven

zoals een dwaas sterft?

34Uw handen waren niet gebonden,

en uw voeten niet in bronzen boeien geslagen,

maar u bent gevallen

zoals men valt door onrechtvaardige mensen.

Toen huilde het hele volk nog meer over hem.

35Daarna kwam al het volk om David brood te doen eten, terwijl het nog dag was. Maar David zwoer: God mag zó en nog veel erger met mij doen, als ik vóór het ondergaan van de zon brood proef of wat dan ook!

36Toen heel het volk dit opmerkte, was het goed in hun ogen, zoals alles wat de koning gedaan had, goed was in de ogen van heel het volk.

37Heel het volk en heel Israël wisten die dag dat het niet van de koning uitgegaan was dat men Abner, de zoon van Ner, gedood had.

38Verder zei de koning tegen zijn dienaren: Weet u wel dat deze dag een vorst, ja, een groot man in Israël gevallen is?

39Maar ik ben heden zwak, hoewel gezalfd tot koning. Deze mannen, de zonen van Zeruja, zijn echter harder dan ik. Moge de HEERE de kwaaddoener vergelden naar zijn kwaad!

4

Isboseth vermoord

41Toen de zoon van Saul hoorde dat Abner in Hebron gestorven was, verloor hij de moed4:1 verloor hij de moed - Letterlijk: verslapten zijn handen. en heel Israël werd door schrik overmand.

2De zoon van Saul had twee mannen in dienst, oversten van benden: de naam van de een was Baëna en de naam van de ander was Rechab, zonen van Rimmon, uit Beëroth, van de Benjaminieten – want ook Beëroth werd tot Benjamin gerekend.

3De Beërothieten waren naar Gitthaïm gevlucht. Zij verblijven daar als vreemdelingen tot op deze dag.

4

4:4
2 Sam. 9:3
Jonathan, de zoon van Saul, had een zoon die aan beide voeten verlamd was. Hij was vijf jaar oud toen het bericht over Saul en Jonathan uit Jizreël kwam. Zijn voedster had hem opgepakt en was gevlucht, maar toen zij haastig op de vlucht sloeg, gebeurde het dat hij viel en kreupel werd. Zijn naam was Mefiboseth.

5De zonen van Rimmon, uit Beëroth, Rechab en Baëna, gingen op weg en kwamen in het huis van Isboseth, toen de dag heet geworden was. Hij lag die middag op bed.

6Zij kwamen tot midden in het huis alsof ze tarwe kwamen halen, en staken hem in de buik. Vervolgens ontkwamen Rechab en zijn broer Baëna.

7Zij kwamen dus in huis toen hij in zijn slaapkamer op zijn bed lag, staken hem dood en hakten zijn hoofd af. Zij namen zijn hoofd mee en liepen de hele nacht door over de weg door de Vlakte.

8Zij brachten het hoofd van Isboseth naar David in Hebron en zeiden tegen de koning: Zie, hier is het hoofd van Isboseth, de zoon van Saul, uw vijand, die u naar het leven stond. Zo heeft de HEERE mijn heer de koning op deze dag gewroken op Saul en op zijn nageslacht.

9Maar David antwoordde Rechab en zijn broer Baëna, de zonen van Rimmon, uit Beëroth en zei tegen hen: Zo waar de HEERE leeft, Die mijn leven uit alle nood verlost heeft,

10

4:10
2 Sam. 1:15
voorwaar, hij die mij vertelde: Zie, Saul is dood, hem heb ik gegrepen en in Ziklag gedood, hoewel hij in eigen oog iemand was die een goede boodschap bracht, en dacht dat ik hem een bodeloon zou geven.

11Hoeveel te meer nu goddeloze mannen een rechtvaardig man in zijn huis op zijn slaapplaats hebben gedood! Nu dan, zou ik zijn bloed niet van uw handen afeisen en u van de aarde wegdoen?

12Toen gaf David zijn knechten bevel en zij doodden hen. Zij hakten hun handen en hun voeten af en hingen hen op bij de vijver in Hebron. Het hoofd van Isboseth namen zij echter mee en begroeven het in het

4:12
2 Sam. 3:32
graf van Abner in Hebron.

5

David koning in Jeruzalem

51Toen

5:1
1 Kron. 11:1
kwamen alle stammen van Israël naar David in Hebron en zeiden: Zie, wij zijn uw beenderen en uw vlees.

2Al eerder,5:2 Al eerder - Letterlijk: zowel gisteren als eergisteren. toen Saul koning over ons was, was ú het die Israël liet uitgaan en ingaan. Ook heeft de HEERE tegen u gezegd:

5:2
2 Sam. 7:7
Ps. 78:71
Ú zult Mijn volk Israël weiden en ú zult tot vorst zijn over Israël.

3Zo kwamen alle oudsten van Israël bij de koning in Hebron. En koning David sloot met hen in Hebron een verbond voor het aangezicht van de HEERE, en zij zalfden David tot koning over Israël.

4Dertig jaar oud was David toen hij koning werd; veertig jaar heeft hij geregeerd.

5

5:5
2 Sam. 2:11
1 Kon. 2:11
1 Kron. 3:4
Te Hebron regeerde hij zeven jaar en zes maanden over Juda, en in Jeruzalem regeerde hij drieëndertig jaar over heel Israël en Juda.

6De koning trok met zijn mannen op naar Jeruzalem, tegen de Jebusieten, die in dat land woonden. Zij zeiden tegen David: U komt hier niet binnen, want zelfs de blinden en de kreupelen zullen u terugdrijven. Dat wil zeggen: David komt hier niet binnen.

7David nam echter de vesting Sion, dat is de stad van David, in.

8David zei namelijk op die dag:

5:8
1 Kron. 11:6
Ieder die de Jebusieten wil verslaan, moet de watergang zien te bereiken. En wat die kreupelen en die blinden betreft, David haat ze met heel zijn ziel.5:8 David … ziel - Letterlijk: de gehatenen van de ziel van David. In de SV volgt een belofte, die evenwel niet in de grondtekst staat, maar ter verduidelijking vanuit 1 Kronieken 11:6 is toegevoegd. Daarom zegt men wel: Een blinde of kreupele zal niet in het huis komen.

9Zo ging David in de vesting wonen en hij noemde die: Stad van David. David bouwde rondom een muur, vanaf de Millo naar de binnenzijde.

10David nam gaandeweg toe in aanzien, want de HEERE, de God van de legermachten, was met hem.

De macht en het gezin van David

11

5:11
1 Kron. 14:1
Hiram, de koning van Tyrus, stuurde boden naar David, met cederhout, timmerlieden en metselaars; zij bouwden een huis voor David.

12David besefte dat de HEERE hem tot koning over Israël bevestigd had en dat Hij zijn koningschap verheven had ter wille van Zijn volk Israël.

13

5:13
1 Kron. 3:9
14:3
David nam nog meer bijvrouwen en vrouwen uit Jeruzalem, nadat hij uit Hebron gekomen was, en bij David werden nog meer zonen en dochters geboren.

14

5:14
1 Kron. 3:514:4
Dit zijn de namen van hen die bij hem in Jeruzalem geboren zijn: Sammua, Sobab, Nathan, Salomo,

15Jibchar, Elisua, Nefeg, Jafia,

16Elisama, Eljada en Elifelet.

David verslaat de Filistijnen

17

5:17
1 Kron. 14:8
Toen de Filistijnen hoorden dat zij David tot koning over Israël gezalfd hadden, trokken alle Filistijnen op om David te zoeken. Toen David dat hoorde, daalde hij af naar de vesting.

18De Filistijnen kwamen en verspreidden zich in het dal Refaïm.

19David vroeg de HEERE: Zal ik optrekken tegen de Filistijnen? Zult U hen in mijn hand geven? En de HEERE zei tegen David: Trek op, want Ik zal de Filistijnen zeker in uw hand geven.

20Toen kwam David in

5:20
Jes. 28:21
Baäl-Perazim.5:20 Baäl-Perazim betekent: bezitter van doorbraken. David versloeg hen daar en zei: De HEERE is voor mij uit door mijn vijanden heen gebroken als een doorbraak van water. Daarom gaf hij die plaats de naam Baäl-Perazim.

21Zij lieten daar hun afgoden achter,

5:21
1 Kron. 14:12
en David en zijn mannen namen ze mee.

22Daarna trokken de Filistijnen opnieuw op en verspreidden zich in het dal Refaïm.

23David vroeg de HEERE om raad. Die zei: U moet niet optrekken; maak een omtrekkende beweging tot achter hen, zodat u bij hen komt van de zijde van de moerbeibomen.

24En laat het gebeuren, wanneer u het geluid van voetstappen in de toppen van de moerbeibomen hoort, dat u zich dan haast; want dan is de HEERE vóór u uit gegaan om het leger van de Filistijnen te verslaan.

25David deed zo, zoals de HEERE hem geboden had, en hij versloeg de Filistijnen van Geba af tot waar u bij Gezer komt.