Herziene Statenvertaling (HSV)
1

David ontvangt de tijding van de dood van Saul en Jonathan

11Het gebeurde na de dood van Saul, toen David teruggekeerd was van het verslaan van de

1:1
1 Sam. 30:17
Amalekieten en David twee dagen in Ziklag gebleven was,

2op de derde dag gebeurde het dat, zie, er een man uit het legerkamp kwam, bij Saul vandaan. Zijn kleren waren gescheurd en er was aarde op zijn hoofd. En het gebeurde, toen hij bij David kwam, dat hij zich ter aarde wierp en zich neerboog.

3David zei tegen hem: Waar komt u vandaan? En hij zei tegen hem: Ik ben ontkomen uit het kamp van Israël.

4Verder zei David tegen hem: Wat is er gebeurd? Vertel het mij toch. En hij zei dat het volk uit de strijd was weggevlucht, dat er ook velen van het volk waren gevallen en gestorven, en dat ook Saul en zijn zoon Jonathan dood waren.

5David zei tegen de jongeman die hem de boodschap bracht: Hoe weet u dat Saul dood is, en ook zijn zoon Jonathan?

6Toen zei de jongeman die hem de boodschap gebracht had: Ik kwam toevallig op het gebergte Gilboa, en zie, Saul leunde op zijn speer; en zie, de wagens en wagenmenners hielden dicht op hem aan.

7Hij keek achter zich, zag mij en riep mij. En ik zei: Zie, hier ben ik.

8Hij zei tegen mij: Wie bent u? En ik zei tegen hem: Ik ben een Amalekiet.

9Toen zei hij tegen mij: Kom toch bij mij staan en dood mij, want benauwdheid heeft mij bevangen, hoewel mijn leven nog helemaal in mij is.

10Toen ging ik bij hem staan en doodde hem, want ik wist dat hij na zijn val niet leven zou. Ik nam de diadeem die hij op zijn hoofd had en de armband die om zijn arm zat, en heb die hier bij mijn heer gebracht.

11

1:11
2 Sam. 3:31
13:31
Toen greep David zijn kleren en scheurde ze, en al de mannen die bij hem waren, deden dat ook.

12Zij bedreven rouw, huilden en vastten tot de avond over Saul en over Jonathan, zijn zoon, en over het volk van de HEERE en over het huis van Israël, omdat zij door het zwaard gevallen waren.

13Vervolgens zei David tegen de jongeman die hem de boodschap gebracht had: Waar komt u vandaan? Hij zei: Ik ben de zoon van een vreemdeling, van een Amalekiet.

14David zei tegen hem: Wat? Bent u niet bevreesd geweest uw hand uit te strekken om de gezalfde van de HEERE om te brengen?

15David riep een van de jongemannen en zei: Kom naar voren, steek hem dood. En deze stak hem neer, zodat hij stierf.

16En David zei tegen hem: Uw bloed rust op uw eigen hoofd, want uw mond heeft tegen u getuigd door te zeggen: Ík heb de gezalfde van de HEERE gedood.

Klaaglied van David over Saul en Jonathan

17David hief dit klaaglied aan over Saul en over Jonathan, diens zoon.

18Hij zei dat men de nakomelingen van Juda het Lied van de boog zou leren. Zie, het is geschreven in het Boek van de

1:18
Joz. 10:13
Oprechte.

19O sieraad van Israël, op Uw hoogten ligt hij, gesneuveld.

Hoe zijn de helden gevallen!

20

1:20
Micha 1:10
Maak het niet bekend in Gath,

breng de boodschap niet op de straten van Askelon,

anders verblijden de dochters van de Filistijnen zich,

anders springen de dochters van de onbesnedenen op van vreugde.

21Bergen van Gilboa, laat geen dauw of regen meer op u zijn,

op de hooggelegen velden;

want daar is het schild van de helden smadelijk weggeworpen,

het schild van Saul, niet meer gezalfd met olie.

22Zonder bloed van gesneuvelden, zonder vet van helden

week de boog van Jonathan niet terug;

ook het zwaard van Saul kwam niet leeg terug.

23Saul en Jonathan, bemind en geliefd in hun leven,

in hun dood niet gescheiden,

waren sneller dan arenden, sterker dan leeuwen.

24Dochters van Israël, ween over Saul,

die u kleedde met scharlaken, met weelde,

die u sieraad van goud deed dragen op uw kleding.

25Hoe zijn de helden gevallen in het midden van de strijd!

Jonathan ligt gesneuveld op uw hoogten!

26Ik ben benauwd om jou, mijn broeder Jonathan!

Je was mij zeer lief;

je liefde was mij wonderlijker dan de liefde van vrouwen.

27Hoe zijn de helden gevallen,

de strijdwapens verloren!

2

David koning in Hebron

21Daarna gebeurde het dat David de HEERE vroeg: Zal ik naar een van de steden van Juda optrekken? De HEERE zei tegen hem: Trek op. David zei: Waarheen zal ik optrekken? Hij zei: Naar Hebron.

2Zo trok David daarheen, en ook zijn twee vrouwen, Ahinoam uit Jizreël, en Abigaïl, de vrouw van Nabal, uit Karmel.

3En de mannen die bij hem waren, liet David mee optrekken, ieder met zijn gezin. Zij gingen in de steden van Hebron wonen.

4Toen kwamen de mannen van Juda en zalfden David daar tot koning over het huis van Juda. Men vertelde David: Het zijn de mannen van Jabes in Gilead die Saul begraven hebben.

5Toen stuurde David boden naar de mannen van Jabes in Gilead, en hij liet tegen hen zeggen: Wees gezegend door de HEERE, omdat u dit blijk van goedertierenheid aan uw heer, aan Saul, bewezen hebt en hem begraven hebt.

6Welnu dan, moge de HEERE aan u goedertierenheid en trouw bewijzen; en ook ik zal dit goede aan u terug doen, omdat u dit gedaan hebt.

7Welnu dan, grijp moed2:7 grijp moed - Letterlijk: laat uw handen sterk zijn. en wees dappere mannen, hoewel uw heer Saul gestorven is; en ook heeft het huis van Juda mij tot koning over zich gezalfd.

Isboseth koning over Israël

8Abner, de zoon van Ner, de legerbevelhebber die Saul gehad had, nam Isboseth, de zoon van Saul, bracht hem over de Jordaan naar Mahanaïm,

9en stelde hem aan tot koning over Gilead, over de Asjurieten, over Jizreël, over Efraïm en over Benjamin, over heel Israël.

10Isboseth, Sauls zoon, was veertig jaar oud toen hij koning werd over Israël, en hij regeerde twee jaar. Alleen het huis van Juda stond achter David.

11

2:11
2 Sam. 5:5
1 Kon. 2:11
De tijd2:11 De tijd - Letterlijk: Het aantal dagen.dat David koning geweest is in Hebron over het huis van Juda, was zeven jaar en zes maanden.

Abner doodt Asahel

12Toen trok Abner, de zoon van Ner, met de manschappen van Isboseth, de zoon van Saul, ten strijde, van Mahanaïm naar Gibeon.

13Joab, de zoon van Zeruja, en de manschappen van David trokken ook ten strijde. Zij ontmoetten elkaar bij de vijver van Gibeon. Daar bleven zij staan: de een aan deze kant van de vijver en de ander aan de andere kant van de vijver.

14Abner zei tegen Joab: Laten de jongemannen zich toch gereedmaken en voor onze ogen een tweekamp houden. En Joab zei: Laten zij zich gereedmaken.

15Toen maakten zij zich gereed en staken over, gelijk in aantal: twaalf van Benjamin, namelijk voor Isboseth, de zoon van Saul, en twaalf van Davids manschappen.

16De een greep de ander bij het hoofd en stak zijn zwaard in de zij van de ander, en zij vielen samen neer. Daarom noemde men die plaats, die bij Gibeon ligt, Veld van de zwaarden.

17Er was op die dag een buitengewoon harde strijd. Maar Abner en de mannen van Israël werden verslagen door de manschappen van David.

18Nu bevonden zich daar drie zonen van Zeruja: Joab, Abisaï en Asahel. Asahel was een snelle loper,2:18 een snelle loper - Letterlijk: licht op zijn voeten. als een van de gazellen die in het veld leven.

19En Asahel achtervolgde Abner; hij week niet van achter Abner vandaan, naar rechts of naar links.

20Toen keek Abner achter zich en zei: Bent u dat, Asahel? En hij zei: Ik ben het.

21Abner zei tegen hem: Buig u naar rechts of naar links, grijp een van de jongemannen, voor uzelf, en neem zijn uitrusting. Maar Asahel wilde niet achter hem vandaan gaan.

22Nogmaals zei Abner tegen Asahel: Ga achter mij vandaan! Waarom zou ik u ter aarde slaan? Hoe zou ik uw broer Joab dan recht in de ogen kunnen kijken?2:22 Hoe … kijken - Letterlijk: Hoe kan ik dan mijn gezicht opheffen naar uw broer Joab.

23Maar hij weigerde weg te gaan. Toen stak Abner hem met het achtereind van zijn speer in de buik, zodat de speer er vanachter bij hem uitkwam; hij viel en stierf ter plekke. En het gebeurde dat allen die bij de plaats kwamen waar Asahel gevallen en gestorven was, bleven staan.

24Joab en Abisaï bleven echter Abner achtervolgen. Toen de zon onderging, kwamen zij bij de heuvel Amma, die tegenover Giach ligt, op de weg naar de woestijn van Gibeon.

25De Benjaminieten kwamen achter Abner bijeen en vormden één groep; zij stonden op de top van een heuvel.

26Toen riep Abner naar Joab en zei: Zal het zwaard voor eeuwig blijven verslinden? Weet u niet dat er uiteindelijk bitterheid overblijft? Hoelang zal het duren voordat u tegen het volk zegt dat zij de achtervolging van hun broeders opgeven?

27En Joab zei: Zo waar God leeft, had u maar eerder gesproken! Dan zou het volk vanmorgen al weggetrokken zijn; eenieder zou het achtervolgen van zijn broeder gestaakt hebben.

28Toen blies Joab op de bazuin en heel het volk bleef stilstaan. Zij achtervolgden Israël niet langer en streden niet verder.

29Abner en zijn mannen trokken die hele nacht door de Vlakte. Zij staken de Jordaan over, gingen heel de Bithronvallei door en kwamen in Mahanaïm.

30Joab was teruggekeerd van achter Abner aan en had het hele volk bijeengebracht. Van Davids manschappen werden negentien mannen én Asahel vermist.

31Maar Davids manschappen hadden bij Benjamin en onder de mannen van Abner veel mannen verslagen: driehonderdzestig man was gestorven.

32Ze namen Asahel op en begroeven hem in het graf van zijn vader, dat in Bethlehem lag. Joab en zijn mannen liepen de hele nacht door. Het werd licht voor hen toen zij in Hebron kwamen.

3

31Er was een langdurige strijd tussen het huis van Saul en het huis van David. David werd gaandeweg sterker, maar het huis van Saul werd gaandeweg zwakker.

De eerste zonen van David

2Bij David werden in Hebron

3:2
1 Kron. 3:1
zonen geboren. Zijn eerstgeborene was Amnon, van Ahinoam uit Jizreël;

3zijn tweede was Chileab, van Abigaïl, de vrouw van Nabal, uit Karmel; de derde Absalom, de zoon van Maächa, de dochter van Talmai, koning van Gesur;

4de vierde Adonia, de zoon van Haggith; de vijfde Sefatja, de zoon van Abital;

5en de zesde Jithream, van Egla, de vrouw van David. Dezen zijn in Hebron bij David geboren.

Het verbond van Abner met David

6Terwijl er strijd was tussen het huis van Saul en het huis van David gebeurde het dat Abner zijn positie verstevigde in het huis van Saul.

7Nu had Saul een bijvrouw gehad, van wie de naam

3:7
2 Sam. 21:8,10,11
Rizpa was, een dochter van Aja. Isboseth zei tegen Abner: Waarom bent u bij de bijvrouw van mijn vader gekomen?

8Toen ontstak Abner in woede over de woorden van Isboseth en zei: Ben ik dan een hondenkop die bij Juda hoort? Ik bewijs toch heden goedertierenheid aan het huis van uw vader Saul, aan zijn broeders en aan zijn vrienden, en heb u niet overgeleverd in de hand van David. Waarom verwijt u mij dan ongerechtigheid met die vrouw?

9God mag zó met Abner doen, ja, Hij mag nog veel erger met hem doen! Voorzeker, zoals de HEERE aan David gezworen heeft, voorzeker, zo zal ik voor hem doen,

10door het koningschap van het huis van Saul weg te nemen, en door de troon van David te vestigen over Israël en Juda, van Dan tot Berseba toe!

11En hij kon Abner niet één woord meer terugzeggen, omdat hij bevreesd voor hem was.

12Toen stuurde Abner boden namens zichzelf naar David, om te zeggen: Van wie is het land? En verder: Sluit uw verbond met mij, en zie, ik zal op uw hand zijn3:12 ik zal op uw hand zijn - Letterlijk: mijn hand zal met u zijn. om heel Israël te doen omkeren, naar u toe.

13En hij zei: Goed, ik zal een verbond met u sluiten. Eén ding vraag ik echter van u: u zult mij niet onder ogen komen, tenzij dat u eerst Michal brengt, de dochter van Saul, als u mij onder ogen wilt komen!3:13 als … komen - Letterlijk: als u komt om mijn aangezicht te zien.

14Ook stuurde David boden naar Isboseth, de zoon van Saul, om te zeggen: Geef mij mijn vrouw Michal, die ik

3:14
1 Sam. 18:25,27
voor mij als bruid verworven heb met honderd voorhuiden van de Filistijnen.

15Isboseth stuurde boodschappers en haalde haar weg bij haar man,

3:15
1 Sam. 25:44
Paltiël, de zoon van Laïs.

16Haar man ging met haar mee en kwam huilend achter haar aan gelopen, tot Bahurim toe. Toen zei Abner tegen hem: Ga weg, keer terug. En hij keerde terug.

17Nu had Abner overleg gehad met de oudsten van Israël en gezegd: U hebt David al veel eerder3:17 al veel eerder - Letterlijk: zowel gisteren als eergisteren. als koning over u verlangd.

18Doe het dan nu, want de HEERE heeft tot David gesproken: Door de hand van David, Mijn dienaar, zal Ik Mijn volk Israël verlossen uit de hand van de Filistijnen en uit de hand van al hun vijanden.

19Abner sprak ook ten aanhoren van afgevaardigden van Benjamin. Ook ging Abner naar Hebron om ten aanhoren van David te spreken over alles wat goed was in de ogen van Israël en in de ogen van heel het huis van Benjamin.

20Abner kwam bij David in Hebron, en twintig mannen met hem. En David richtte een maaltijd aan voor Abner en de mannen die bij hem waren.

21Toen zei Abner tegen David: Ik zal mij gereedmaken en op weg gaan om heel Israël bijeen te brengen bij mijn heer de koning, zodat zij een verbond met u sluiten en u zult regeren over alles wat uw ziel verlangt. Zo liet David Abner gaan en hij ging in vrede.

Joab doodt Abner

22En zie, de manschappen van David en Joab kwamen terug van een rooftocht en brachten een grote buit met zich mee. Abner was niet meer bij David in Hebron, want deze had hem laten gaan en hij was in vrede weggegaan.

23Toen Joab en heel het leger dat bij hem was, aankwamen, vertelde men aan Joab: Abner, de zoon van Ner, is bij de koning gekomen; die heeft hem laten gaan en hij is in vrede weggegaan.

24Toen ging Joab naar de koning en zei: Wat hebt u gedaan? Zie, Abner is bij u gekomen; waarom hebt u hem toch laten gaan, zodat hij ongehinderd weg kon gaan?

25U kent Abner, de zoon van Ner, dat hij gekomen is om u te misleiden en om uw uitgaan en uw ingaan te weten te komen, ja, om te weten te komen alles wat u doet.

26Joab ging weg bij David en stuurde Abner boden achterna, die hem terughaalden van bij de put van Sira. David echter wist het niet.

27Toen Abner weer in Hebron kwam,

3:27
1 Kon. 2:5
nam Joab hem binnen de poort terzijde om in stilte met hem te kunnen spreken. Daar stak hij hem in zijn buik, zodat hij stierf,
3:27
2 Sam. 2:23
vanwege het bloed van zijn broer Asahel.

28Toen David dit naderhand hoorde, zei hij: Ik en mijn koninkrijk zijn tegenover de HEERE tot in eeuwigheid onschuldig aan het bloed van Abner, de zoon van Ner.

29Laat de bloedschuld op het hoofd van Joab blijven en op heel zijn familie, en laat er in het huis van Joab nooit iemand ontbreken die een vloeiing heeft, melaats is, die op een stok leunt, door het zwaard valt of gebrek aan brood heeft.

30Zo brachten Joab en zijn broer Abisaï Abner ter dood, omdat hij hun broer Asahel in Gibeon in de strijd gedood had.

31David zei tegen Joab en tegen al het volk dat bij hem was: Scheur uw kleren, trek rouwgewaden aan en bedrijf rouw voor Abner uit. En koning David volgde de baar.

32Toen zij Abner in Hebron begroeven, begon de koning luid te huilen3:32 begon … luid te huilen - Letterlijk: verhief … zijn stem en huilde. bij het graf van Abner, en ook heel het volk huilde.

33De koning hief een rouwklacht aan over Abner en zei:

Is Abner dan gestorven

zoals een dwaas sterft?

34Uw handen waren niet gebonden,

en uw voeten niet in bronzen boeien geslagen,

maar u bent gevallen

zoals men valt door onrechtvaardige mensen.

Toen huilde het hele volk nog meer over hem.

35Daarna kwam al het volk om David brood te doen eten, terwijl het nog dag was. Maar David zwoer: God mag zó en nog veel erger met mij doen, als ik vóór het ondergaan van de zon brood proef of wat dan ook!

36Toen heel het volk dit opmerkte, was het goed in hun ogen, zoals alles wat de koning gedaan had, goed was in de ogen van heel het volk.

37Heel het volk en heel Israël wisten die dag dat het niet van de koning uitgegaan was dat men Abner, de zoon van Ner, gedood had.

38Verder zei de koning tegen zijn dienaren: Weet u wel dat deze dag een vorst, ja, een groot man in Israël gevallen is?

39Maar ik ben heden zwak, hoewel gezalfd tot koning. Deze mannen, de zonen van Zeruja, zijn echter harder dan ik. Moge de HEERE de kwaaddoener vergelden naar zijn kwaad!