Herziene Statenvertaling (HSV)
19

Hizkia stuurt dienaren naar Jesaja

191Zodra koning Hizkia dat hoorde,

19:1
Jes. 37:1
gebeurde het dat hij zijn kleren scheurde, zich in een rouwgewaad hulde en het huis van de HEERE binnenging.

2Verder stuurde hij Eljakim, het hoofd van de hofhouding, Sebna, de schrijver, en de oudsten van de priesters, gehuld in rouwgewaden, naar Jesaja, de profeet,

19:2
Jes. 1:1
de zoon van Amoz.

3Zij zeiden tegen hem: Dit zegt Hizkia: Deze dag is een dag van benauwdheid, bestraffing en belediging; ja, de kinderen staan op het punt geboren te worden, maar er is geen kracht om te baren.

4Misschien zal de HEERE, uw God, al de woorden horen van de commandant,19:4 de commandant - Hebreeuws: rab-sake; zie ook vers 8. die zijn heer, de koning van Assyrië, gestuurd heeft om de levende God te honen, en zal Hij hem straffen om de woorden die de HEERE, uw God, gehoord heeft. Wilt u dan een gebed opzenden voor het overblijfsel dat er nog te vinden is?

5Toen kwamen de dienaren van koning Hizkia bij Jesaja.

Profetie van Jesaja en tijdelijke terugtocht van de Assyrische commandant

6En Jesaja zei tegen hen: Dit moet u tegen uw heer zeggen: Zo zegt de HEERE: Wees niet bevreesd voor de woorden die u gehoord hebt, de woorden waarmee de knechten van de koning van Assyrië Mij gelasterd hebben.

7Zie, Ik geef een geest in hem, dat hij een gerucht zal horen en zal terugkeren naar zijn land. Dan zal Ik hem in zijn land door het zwaard neervellen.

8Toen keerde de commandant terug en trof de koning van Assyrië aan, in strijd gewikkeld met Libna. Hij had namelijk gehoord dat hij uit Lachis was vertrokken.

9Toen Sanherib over Tirhaka, de koning van Cusj, hoorde zeggen: Zie, hij is uitgetrokken om tegen u te strijden, stuurde hij opnieuw gezanten naar Hizkia om te zeggen:

10Dit moet u tegen Hizkia, de koning van Juda, zeggen: Laat uw God, op Wie u vertrouwt, u niet bedriegen door te zeggen: Jeruzalem zal niet in de hand van de koning van Assyrië gegeven worden.

11Zie, u hebt zelf gehoord wat de koningen van Assyrië met al de landen hebben gedaan door ze met de ban te slaan. En zou ú dan gered worden?

12Hebben de goden van de volken die mijn vaderen te gronde gericht hebben, hen gered: Gozan, Haran, Rezef en de zonen van Eden die in Telassar waren?

13Waar is de koning van Hamath, de koning van Arpad, de koning van de stad Sefarvaïm, van Hena en van Ivva?

Gebed van Hizkia

14Toen Hizkia de brieven uit de hand van de gezanten had ontvangen en die had gelezen, ging hij naar het huis van de HEERE. Vervolgens spreidde Hizkia die brieven uit voor het aangezicht van de HEERE,

15en Hizkia bad voor het aangezicht van de HEERE en zei: HEERE, God van Israël, Die tussen de cherubs troont, U bent het, U alleen bent de God van alle koninkrijken van de aarde, Ú hebt de hemel en de aarde gemaakt.

16Neig, HEERE, Uw oor en luister; open, HEERE, Uw ogen en zie. Hoor de woorden van Sanherib, die hij gestuurd heeft om de levende God te honen.

17Het is waar, HEERE, de koningen van Assyrië hebben die heidenvolken en hun land verwoest,

18en hun goden hebben zij prijsgegeven aan het vuur. Het waren immers geen goden, maar het was het werk van mensenhanden, hout en steen. Daarom hebben zij die vernield.

19Nu dan, HEERE, onze God, verlos ons toch uit zijn hand. Dan zullen alle koninkrijken van de aarde weten dat U, HEERE, alleen God bent.

Tweede profetie van Jesaja

20Toen stuurde Jesaja, de zoon van Amoz, deze boodschap naar Hizkia: Zo zegt de HEERE, de God van Israël: Wat u tot Mij gebeden hebt met betrekking tot Sanherib, de koning van Assyrië, heb Ik gehoord.

21Dit is het woord dat de HEERE over hem gesproken heeft:

De maagd, de dochter van Sion, veracht u, zij bespot u,

de dochter van Jeruzalem schudt het hoofd achter u.

22Wie hebt u gehoond en gelasterd?

Tegen Wie hebt u de stem verheven

en uw ogen hoogmoedig opgeheven?

Tegen de Heilige van Israël!

23Door uw gezanten hebt u de Heere gehoond

en gezegd: Met mijn talrijke strijdwagens

heb ík de hoge bergen bestegen,

de flanken van de Libanon.

Ik hak zijn hoge ceders, zijn uitgelezen cipressen om.

Ik kom tot in zijn nachtkwartier, tot in zijn weelderig groeiend woud.

24Ík heb gegraven en van onbekende wateren gedronken;

ik heb met mijn voetzolen alle rivieren van de belegerde plaatsen19:24 de belegerde plaatsen - Of: Egypte. drooggelegd.

25Hebt u dan niet gehoord dat Ik, de Heere, dit lang tevoren gedaan heb,

en dat Ik dit van de dagen van weleer heb bewerkstelligd?

Nu heb Ik het doen komen:

u bent er om de versterkte steden tot puinhopen te verwoesten.

26Daarom waren hun inwoners machteloos,

waren zij ontsteld en beschaamd,

werden zij als gras op het veld

of groene grasscheutjes,

als gras op de daken, of koren

verzengd eer het overeind staat.

27Maar uw zitten,

uw uitgaan, uw thuiskomen ken Ik,

en uw tekeergaan tegen Mij.

28Omdat u tegen Mij tekeer bent gegaan,

en uw hoogmoed is opgeklommen tot in Mijn oren –

zal Ik Mijn haak in uw neus slaan

en Mijn bit tussen uw lippen,

en Ik zal u doen terugkeren

langs de weg waarover u bent gekomen.

29En dit zal voor u het teken zijn:

men zal dit jaar eten wat vanzelf gegroeid is,

in het tweede jaar wat daarvan weer opkomt;

in het derde jaar moet u zaaien en maaien,

en wijngaarden planten en de vruchten daarvan eten,

30want opnieuw zal wat ontkomen, wat overgebleven is van het huis van Juda,

wortel schieten naar beneden toe en vrucht dragen de hoogte in,

31want van Jeruzalem zal uitgaan wat overgebleven is,

en wat ontkomen is, van de berg Sion.

De na-ijver van de HEERE van de legermachten zal dit doen.

32Daarom, zo zegt de HEERE over de koning van Assyrië:

Hij zal deze stad niet binnenkomen,

daar geen pijl in schieten,

haar met geen schild tegemoetkomen,

en tegen haar geen belegeringsdam opwerpen.

33Langs de weg waarover hij gekomen is, zal hij terugkeren, maar deze stad zal hij niet binnenkomen, spreekt de HEERE.

34Want

19:34
2 Kon. 20:6
Ik zal deze stad beschermen door haar te verlossen, omwille van Mijzelf en omwille van David, Mijn dienaar.

Bevrijding van Jeruzalem

35

19:35
Jes. 37:36
Het gebeurde in diezelfde nacht dat de engel van de HEERE ten strijde trok en in het leger van Assyrië honderdvijfentachtigduizend man neersloeg. Toen men de volgende morgen vroeg opstond, zie, het waren allemaal dode lichamen.

36Daarop brak Sanherib, de koning van Assyrië, op. Hij trok weg en keerde naar zijn land terug; en hij bleef in Ninevé.

37Het gebeurde nu, toen hij zich in het huis van Nisroch, zijn god, neerboog,

19:37
2 Kron. 32:21
Jes. 37:38
dat Adrammelech en Sarezer, zijn zonen, hem met het zwaard doodden. Zij ontkwamen naar het land Ararat, en Esar-Haddon, zijn zoon, werd koning in zijn plaats.

20

Ziekte en genezing van Hizkia

201In die dagen

20:1
2 Kron. 32:24
Jes. 38:1
werd Hizkia ziek, tot stervens toe. Toen kwam de profeet Jesaja, de zoon van Amoz, bij hem en zei tegen hem: Zo zegt de HEERE: Regel de zaken van uw huis, want u zult sterven en niet leven.

2Daarop keerde hij zijn gezicht naar de muur en bad tot de HEERE:

3Och HEERE, bedenk toch dat ik in trouw en met een volkomen hart voor Uw aangezicht gewandeld heb en gedaan heb wat goed is in Uw ogen. En Hizkia huilde erg.20:3 huilde erg - Letterlijk: huilde een groot gehuil.

4Het gebeurde nu, toen Jesaja nog niet uit de middelste voorhof gegaan was, dat het woord van de HEERE tot hem kwam:

5Keer terug en zeg tegen Hizkia, de vorst van Mijn volk: Dit zegt de HEERE, de God van uw vader David: Ik heb uw gebed gehoord, Ik heb uw tranen gezien. Zie, Ik ga u gezond maken; op de derde dag zult u naar het huis van de HEERE gaan.

6En Ik zal vijftien jaar aan uw levensdagen toevoegen, en zal u uit de hand van de koning van Assyrië redden, evenals deze stad; Ik zal deze stad beschermen omwille van Mij en omwille van Mijn dienaar David.

7Daarna zei Jesaja: Neem een klomp vijgen. Zij namen die en legden die op de zweer; en hij werd genezen.

8Hizkia nu had tegen Jesaja gezegd: Wat is het teken dat de HEERE mij gezond zal maken en dat ik op de derde dag naar het huis van de HEERE zal gaan?

9Jesaja zei: Dit zal voor u een teken van de HEERE zijn dat de HEERE het woord dat Hij gesproken heeft, doen zal: Moet de schaduw tien treden verdergaan of tien treden teruggaan?

10Toen zei Hizkia: Het is voor de schaduw gemakkelijk om tien treden verder te gaan. Nee, laat de schaduw tien treden teruggaan.

11En Jesaja, de profeet, riep de HEERE aan, en Hij deed de schaduw tien treden teruggaan van de treden die zij op de treden van Achaz' zonnewijzer naar beneden was gegaan.

Het gezantschap uit Babel

12In die tijd stuurde Berodach-Baladan, de zoon van Baladan, de koning van Babel, gezanten met brieven en een geschenk naar Hizkia, want hij had gehoord dat Hizkia ziek geweest was.

13Hizkia luisterde naar hen en liet hun zijn hele schathuis zien: het zilver, het goud, de specerijen, de kostbare olie, zijn wapenhuis en alles wat in zijn schatkamers te vinden was. Er was niets in zijn huis en in heel zijn koninkrijk dat Hizkia hun niet liet zien.

14Toen kwam de profeet Jesaja bij koning Hizkia. Hij zei tegen hem: Wat hebben die mannen gezegd en waarvandaan zijn zij naar u toe gekomen? Hizkia zei: Zij zijn uit een ver land gekomen, uit Babel.

15Hij zei: Wat hebben zij in uw huis gezien? Hizkia zei: Zij hebben alles gezien wat er in mijn huis is. Er is niets in mijn schatkamers dat ik hun niet heb laten zien.

16Toen zei Jesaja tegen Hizkia: Hoor het woord van de HEERE.

17Zie, er komen dagen dat alles wat er in uw huis is en wat uw vaderen tot op deze dag hebben opgeslagen, naar Babel zal worden weggevoerd. Er zal niets overblijven, zegt de HEERE.

18Bovendien zullen zij een aantal van uw zonen meenemen, die uit u zullen voortkomen, die u verwekken zult; zij zullen hovelingen worden in het paleis van de koning van Babel.

19Hizkia zei tegen Jesaja: Het woord van de HEERE dat u gesproken hebt, is goed. Hij zei ook: Is het niet zo, dat er dan duurzame vrede20:19 duurzame vrede - Letterlijk: vrede en trouw. in mijn dagen zal zijn?

20Het overige nu van de geschiedenis van Hizkia, en al zijn macht, en hoe hij de vijver en de waterloop gemaakt heeft en water in de stad gebracht heeft, is dat niet beschreven in het boek van de kronieken van de koningen van Juda?

21Hizkia ging te ruste bij zijn vaderen en zijn zoon Manasse werd koning in zijn plaats.

21

Manasse koning van Juda

211Manasse

21:1
2 Kron. 33:1
was twaalf jaar oud toen hij koning werd, en hij regeerde vijfenvijftig jaar in Jeruzalem. De naam van zijn moeder was Hefziba.

2Hij deed wat slecht was in de ogen van de HEERE, overeenkomstig de gruweldaden van de heidenvolken die de HEERE van voor de ogen van de Israëlieten verdreven had.

3Hij herbouwde de offerhoogten

21:3
2 Kon. 18:4
die Hizkia, zijn vader, vernield had; hij richtte altaren op voor de Baäl, maakte een gewijde paal
21:3
1 Kon. 16:31,32,33
zoals Achab, de koning van Israël, gemaakt had, en boog zich neer voor heel het leger aan de hemel en diende het.

4Verder

21:4
Jer. 32:34
bouwde hij altaren in het huis van de HEERE, waarvan de HEERE gezegd had:
21:4
Deut. 12:5,11
2 Sam. 7:13
1 Kon. 8:29
9:3
2 Kron. 7:12
Ps. 132:13,14
Jer. 32:34
In Jeruzalem zal Ik Mijn Naam vestigen.

5Verder bouwde hij altaren voor heel het leger aan de hemel in beide voorhoven van het huis van de HEERE.

6Hij liet zijn zoon door het vuur gaan, duidde wolken en deed aan wichelarij. Ook stelde hij dodenbezweerders en waarzeggers aan. Hij deed zeer veel kwaad in de ogen van de HEERE, om Hem tot toorn te verwekken.

7Hij zette ook een beeld van Asjera dat hij gemaakt had, in het huis waarvan de HEERE gezegd had tegen David en zijn zoon Salomo:

21:7
2 Sam. 7:10
1 Kon. 8:16,29
9:3
2 Kon. 23:27
In dit huis en in Jeruzalem, dat Ik uit alle stammen van Israël verkozen heb, zal Ik voor eeuwig Mijn Naam vestigen.

8Ik zal de voet van Israël nooit meer doen wijken uit dit land, dat Ik hun vaderen gegeven heb, alleen als zij nauwlettend doen overeenkomstig alles wat Ik hun geboden heb en overeenkomstig de hele wet die Mijn dienaar Mozes hun geboden heeft.

9Maar zij luisterden niet, want Manasse deed hen dwalen, zodat zij erger deden dan de heidenvolken die de HEERE van voor de ogen van de Israëlieten weggevaagd had.

10Toen sprak de HEERE door de dienst van Zijn dienaren, de profeten:

11Omdat

21:11
Jer. 15:4
Manasse, de koning van Juda, deze gruweldaden gedaan heeft, erger dan al wat de Amorieten gedaan hebben, die er vóór hem geweest zijn, ja, ook Juda door zijn stinkgoden heeft doen zondigen –

12daarom, zo zegt de HEERE, de God van Israël: Zie, Ik ga onheil over Jeruzalem en Juda brengen, zodat bij ieder die het hoort, zijn beide oren zullen tuiten.

13Ik zal over Jeruzalem het meetlint van Samaria uitstrekken en het paslood van het huis van Achab. Ik zal Jeruzalem schoonvegen zoals men een schotel schoonveegt: men veegt hem schoon en keert hem ondersteboven.21:13 ondersteboven - Letterlijk: op zijn gezicht.

14Ik zal het overblijfsel van Mijn eigendom verlaten en hen in de hand van hun vijanden geven. Zij zullen tot plundering en tot buit worden voor al hun vijanden,

15omdat zij gedaan hebben wat slecht was in Mijn ogen en Mij tot toorn verwekt hebben, vanaf de dag dat hun vaderen uit Egypte gegaan zijn, tot op deze dag.

16Bovendien vergoot Manasse heel veel onschuldig bloed, totdat hij Jeruzalem daarmee vervuld had, van het ene einde tot het andere einde,21:16 van … einde - Letterlijk: mond aan mond. afgezien van zijn andere zonde, waarmee hij Juda deed zondigen, door te doen wat slecht was in de ogen van de HEERE.

17Het overige nu van de geschiedenis van Manasse, alles wat hij gedaan heeft, en zijn zonde, die hij begaan heeft, is dat niet beschreven in het boek van de kronieken van de koningen van Juda?

18

21:18
2 Kron. 33:20
Manasse ging te ruste bij zijn vaderen en werd begraven in de tuin van zijn huis, in de tuin van Uzza, en zijn zoon Amon werd koning in zijn plaats.

Amon koning van Juda

19Amon was tweeëntwintig jaar oud toen hij koning werd, en hij regeerde twee jaar in Jeruzalem. De naam van zijn moeder was Mesullemet, de dochter van Haruz, van Jotba.

20Hij deed wat slecht was in de ogen van de HEERE, zoals zijn vader Manasse gedaan had.

21Hij ging in al de wegen die zijn vader gegaan was, hij diende de stinkgoden die zijn vader gediend had, en boog zich voor die neer.

22Hij verliet de HEERE, de God van zijn vaderen, en ging niet in de weg van de HEERE.

23De dienaren van Amon spanden tegen hem samen en doodden de koning in zijn huis.

24De bevolking van het land doodde echter allen die tegen koning Amon samengespannen hadden, en de bevolking van het land maakte zijn zoon Josia koning in zijn plaats.

25Het overige nu van de geschiedenis van Amon, wat hij gedaan heeft, is dat niet beschreven in het boek van de kronieken van de koningen van Juda?

26Men begroef hem in zijn graf, in de tuin van Uzza, en

21:26
Matt. 1:10
zijn zoon Josia werd koning in zijn plaats.