Herziene Statenvertaling (HSV)
7

71Omdat wij dan deze beloften hebben, geliefden, laten wij onszelf reinigen van alle bezoedeling van vlees en geest, en de heiliging volbrengen in het vrezen van God.

De troostrijke komst van Titus

2Geef ons plaats in uw hart. Wij hebben niemand onrecht aangedaan, wij hebben niemand te gronde gericht, wij hebben niemand uitgebuit.

3Ik zeg dit niet om u te veroordelen, want ik heb

7:3
2 Kor. 6:11,12,13
al eerder gezegd dat wij zo hartelijk met u verbonden zijn,7:3 dat wij … verbonden zijn - Letterlijk: dat u in onze harten bent. dat wij samen met u zouden willen sterven en leven.

4Ik heb veel vrijmoedigheid tegenover u, ik heb veel te roemen over u. Ik ben vol van vertroosting en

7:4
Matt. 5:12
Hand. 5:41
Filipp. 2:17
Kol. 1:24
word overstelpt met blijdschap in al onze verdrukking.

5Want ook toen wij in Macedonië gekomen waren, heeft ons vlees geen rust gehad,

7:5
Hand. 16:19,23
maar waren wij in alles verdrukt: vanbuiten waren er conflicten, vanbinnen vrees.

6

7:6
2 Kor. 1:4
Maar God, Die de nederigen troost, heeft ons getroost door de komst van Titus.

7En niet alleen door zijn komst, maar ook door de troost waarmee hij bij u getroost werd. Hij deed ons namelijk verslag van uw vurig verlangen, uw treuren en uw ijver voor mij, en zo werd ik des te meer verblijd.

Droefheid overeenkomstig de wil van God en droefheid van de wereld

8Want al heb ik u in de brief bedroefd, ik heb er geen berouw van. Hoewel ik er wel berouw van gehad heb, want ik zie dat die brief, ook al is het voor een korte tijd, u bedroefd heeft.

9Nu verblijd ik mij, niet omdat u bedroefd bent geweest, maar omdat u bedroefd bent geweest tot bekering. Want u bent bedroefd geweest overeenkomstig de wil van God, zodat u in geen enkel opzicht door ons schade hebt geleden.

10

7:10
2 Sam. 12:13
Matt. 26:75
Luk. 18:13
Want de droefheid die overeenkomstig de wil van God is, brengt een onberouwelijke bekering tot zaligheid teweeg, maar de droefheid van de wereld brengt de dood teweeg.

11Want zie, juist dit, dat u overeenkomstig de wil van God bedroefd bent geworden, wat een grote inzet heeft dat in u teweeggebracht! Ja, wat een verdediging, ja, wat een verontwaardiging, ja, wat een vrees, ja, wat een vurig verlangen, ja, wat een ijver, ja, wat een bestraffing! In alles hebt u bewezen zelf rein te zijn in deze zaak.

12Hoewel ik u dus geschreven heb, was dat niet om hem die onrecht had gedaan, en ook niet om hem die onrecht was aangedaan, maar opdat onze inzet voor u openbaar zou worden bij u, in de tegenwoordigheid van God.

13Daarom zijn wij getroost door uw vertroosting; en wij zijn des te meer verblijd over de blijdschap van Titus, omdat zijn geest door u allen is verkwikt.

14Want als ik in enig opzicht bij hem over u geroemd heb, dan ben ik niet beschaamd geworden. Integendeel, zoals wij alles in waarheid tot u gesproken hebben, zo is ook ons roemen tegenover Titus waarheid gebleken.

15En zijn innige gevoelens voor u zijn des te overvloediger, als hij zich de gehoorzaamheid van u allen herinnert, hoe u hem met vrees en beven hebt ontvangen.

16Ik verblijd mij dus, omdat ik in alles op u kan vertrouwen.

8

Oproep tot vrijgevigheid

81Verder maken wij u bekend, broeders, de genade van God die in de gemeenten van Macedonië gegeven is,

2namelijk dat, te midden van veel beproeving door verdrukking, de overvloed van hun blijdschap en hun buitengewoon diepe armoede in overvloedige mate geleid hebben tot de rijkdom van hun vrijgevigheid.

3Want, zo getuig ik, zij gaven naar vermogen, ja, boven vermogen, en uit eigen beweging;

4

8:4
Hand. 11:29
Rom. 15:26
1 Kor. 16:2
2 Kor. 9:1
en zij smeekten ons met veel aandrang dat wij hun genadegave en aandeel in het dienstbetoon aan de heiligen zouden aannemen.

5En zij deden niet alleen zoals wij gehoopt hadden, maar zij gaven zich eerst aan de Heere en daarna aan ons, door de wil van God.

6Zo hebben wij dan Titus aangespoord dat hij, zoals hij eerder begonnen was, nu ook de inzameling van deze genadegave bij u zou voltooien.

7Zo dan, zoals u in alles overvloedig bent, in geloof, en in woord, en in kennis, en met alle inzet, en in uw liefde tot ons, wees zo ook in deze genadegave overvloedig.

8Ik zeg dit niet als bevel, maar om door de inzet van anderen ook de oprechtheid van uw liefde te beproeven.

9Want u kent de genade van onze Heere Jezus Christus,

8:9
Luk. 9:58
dat Hij omwille van u arm is geworden, terwijl Hij rijk was, opdat u door Zijn armoede rijk zou worden.

10Ik geef hierin dan ook slechts mijn mening, want dat is nuttig voor u, die niet alleen met het doen, maar ook met het willen reeds een jaar geleden begonnen bent.

11Voltooi echter nu ook het doen, opdat, zoals de bereidwilligheid er was, zo ook de voltooiing er zal zijn, overeenkomstig wat u hebt.

12

8:12
Matt. 12:43
Luk. 21:3
Want als de bereidwilligheid aanwezig is,
8:12
Spr. 3:28
1 Petr. 4:10
dan is iemand welgevallig overeenkomstig wat hij heeft, niet overeenkomstig wat hij niet heeft.

13Het is namelijk niet de bedoeling dat anderen verlichting hebben, en u verdrukking;

14maar uit het oogpunt van gelijkheid is er op dit moment uw overvloed om wat hun ontbreekt aan te vullen, opdat ook hun overvloed er is om wat u ontbreekt aan te vullen, opdat er gelijkheid zal zijn,

15zoals geschreven staat:

8:15
Ex. 16:18
Wie veel had verzameld, had niet over; en wie weinig had verzameld, had niet te weinig.

Zending van Titus

16Maar God zij dank, Die dezelfde inzet voor u in het hart van Titus gegeven heeft.

17Hij heeft immers mijn aansporing ontvangen, maar is ook uit eigen beweging vol ijver naar u toe gereisd.

18En wij hebben ook de broeder met hem meegezonden die in alle gemeenten lof ontvangt om zijn dienst in het Evangelie;

19en dat niet alleen, maar hij is ook door de gemeenten gekozen als onze reisgenoot met deze genadegave, waar wij de zorg voor dragen tot heerlijkheid van de Heere Zelf, en om uw bereidwilligheid te laten zien.

20Wij proberen het immers te vermijden dat iemand ons verdacht zou maken vanwege dit grote bedrag waar wij zorg voor dragen,

21

8:21
Rom. 12:17
wij, die bedacht zijn op wat goed is, niet alleen voor de Heere, maar ook voor de mensen.

22Ook hebben wij onze broeder met hen meegestuurd, van wie wij in veel opzichten vaak onderkend hebben dat hij ijverig is, en nu is hij nog veel ijveriger door het grote vertrouwen dat hij in u heeft.

23Wat Titus betreft: hij is mijn metgezel en medearbeider bij u; wat onze broeders betreft: zij zijn gezanten van de gemeenten, tot eer van Christus.8:23 tot eer van Christus - Letterlijk: een eer van Christus.

24Toon hun dan het bewijs van uw liefde en van onze roem over u, ook ten overstaan van de gemeenten.

9

Collecte voor Jeruzalem

91Want het is voor mij niet nodig u te schrijven over

9:1
Hand. 11:29
Rom. 15:26
1 Kor. 16:2
2 Kor. 8:4
het dienstbetoon aan de heiligen.

2Want ik weet van uw bereidwilligheid, waarover ik u roem bij de Macedoniërs, namelijk dat Achaje al sinds een jaar gereed is. En uw ijver heeft velen aangestoken.

3Maar ik heb de broeders gestuurd, opdat onze roem over u in dit opzicht niet zonder inhoud zou blijken, opdat u – zoals ik zei – gereed bent;

4opdat niet misschien, als er Macedoniërs met mij meekomen en zij u niet gereed vinden, wij – om niet te zeggen: u – beschaamd worden in dit vertrouwen op onze roem over u.9:4 in dit … over u - Letterlijk: in deze vaste grond van roem.

5Ik achtte het dus nodig de broeders aan te sporen eerst naar u toe te gaan en de eerder door u beloofde zegen vóóraf in gereedheid te brengen, zodat deze gereedligt als een zegen en niet als een gift in gierigheid gegeven.

Gods onuitsprekelijke gave

6En dit zeg ik:

9:6
Spr. 11:24
Gal. 6:7
Wie karig zaait, zal ook karig oogsten; en wie zegenrijk9:6 zegenrijk - Letterlijk: in zegeningen. zaait, zal ook zegenrijk oogsten.

7Laat ieder doen zoals hij in zijn hart voorgenomen heeft,

9:7
Deut. 15:7
Rom. 12:8
niet met tegenzin of uit dwang,
9:7
Ex. 25:2
35:5
want God heeft een blijmoedige gever lief.

8En God is bij machte elke vorm van genade overvloedig te maken in u, zodat u, wanneer u in alles altijd al het nodige bezit, overvloedig kunt zijn in elk goed werk.

9Zoals geschreven staat:

9:9
Ps. 112:9
Hij heeft uitgestrooid, hij heeft aan de armen gegeven; zijn gerechtigheid blijft tot in eeuwigheid.

10Hij nu Die de zaaier zaad verschaft, moge ook brood tot voedsel schenken en uw zaaigoed doen toenemen en de vruchten van uw gerechtigheid vermeerderen.

11Zo zult u in alles rijk worden, in staat tot alle vrijgevigheid, die door middel van ons dankzegging aan God teweegbrengt.

12Want het betonen van deze dienst vult niet alleen de tekorten van de heiligen aan, maar is ook een overvloedige bron van vele dankzeggingen aan God,

13want door dit bewijs van dienstbetoon verheerlijken zij God vanwege de onderdanigheid aan het Evangelie van Christus, overeenkomstig uw belijdenis, en vanwege de gulle handreiking aan hen en aan allen.

14En in hun gebed voor u verlangen zij vurig naar u vanwege de allesovertreffende genade van God over u.

15Ja, God zij dank voor Zijn onuitsprekelijke gave!

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]