Herziene Statenvertaling (HSV)
5

51Wij weten immers dat, wanneer ons

5:1
2 Kor. 4:7
aardse huis, deze tent, afgebroken wordt, wij een gebouw van God hebben, een huis niet met handen gemaakt, maar eeuwig in de hemelen.

2

5:2
Rom. 8:23
Want in deze tent zuchten wij ook, en verlangen wij er vurig naar met onze woning die uit de hemel is, overkleed te worden,

3

5:3
Openb. 3:18
16:15
als wij maar bekleed en niet naakt zullen bevonden worden.

4Want ook wij, die in deze tent zijn, zuchten terwijl we het zwaar te verduren hebben; wij willen immers niet ontkleed, maar overkleed worden,

5:4
Rom. 8:11
1 Kor. 15:53
zodat het sterfelijke door het leven wordt verslonden.

5Hij nu Die ons hiervoor heeft gereedgemaakt, is God,

5:5
Rom. 8:16
2 Kor. 1:22
Efez. 1:13
4:30
Die ons ook het onderpand van de Geest gegeven heeft.

6Wij hebben dus altijd goede moed en weten dat wij, zolang wij in het lichaam inwonen, uitwonend zijn van de Heere,

7

5:7
1 Kor. 13:12
2 Kor. 3:18
want wij wandelen door geloof, niet door aanschouwen.

8Maar wij hebben goede moed en wij hebben er meer behagen in om uit het lichaam uit te wonen en bij de Heere in te wonen.

9Daarom stellen wij er ook een eer in, hetzij inwonend, hetzij uitwonend, om Hem welbehaaglijk te zijn.

10

5:10
Matt. 25:32
Rom. 14:10
Want wij moeten allen voor de rechterstoel van Christus openbaar worden,
5:10
Ps. 62:13
Jer. 17:10
32:19
Matt. 16:27
Rom. 2:6
14:12
1 Kor. 3:8
Gal. 6:5
Openb. 2:23
22:12
opdat ieder vergelding ontvangt voor wat hij door middel van zijn lichaam gedaan heeft, hetzij goed, hetzij kwaad.

De bediening van de verzoening

11Nu wij dus deze vrees voor de Heere kennen, bewegen wij de mensen tot het geloof; en voor God zijn wij openbaar geworden, maar ik hoop ook voor uw gewetens openbaar te zijn.

12

5:12
2 Kor. 3:1
10:8
Want wij bevelen onszelf niet opnieuw bij u aan, maar wij geven u een aanleiding tot roem over ons, opdat u iets te zeggen zou hebben tegen hen die in het uiterlijke roemen en niet in wat er in het hart leeft.

13Want wanneer wij buiten onszelf zijn, dan is dat voor God; en wanneer wij bij ons verstand zijn, dan is dat voor u.

14Want de liefde van Christus dringt ons, die tot dit oordeel gekomen zijn: als Eén voor allen gestorven is, dan zijn zij allen gestorven.

15En Hij is voor allen gestorven,

5:15
Rom. 14:7
Gal. 2:20
1 Thess. 5:10
1 Petr. 4:2
opdat zij die leven, niet meer voor zichzelf zouden leven, maar voor Hem Die voor hen gestorven en opgewekt is.

16

5:16
Matt. 12:50
Joh. 15:14
Gal. 5:6
6:15
Kol. 3:11
Zo kennen wij vanaf nu niemand naar het vlees; en al hebben wij Christus naar het vlees gekend, dan kennen wij Hem nu zo niet meer.

17Daarom, als iemand in Christus is, is hij een nieuwe schepping:

5:17
Jes. 43:18
Openb. 21:5
het oude is voorbijgegaan, zie, alles is nieuw geworden.

18En dit alles is uit God,

5:18
Kol. 1:20
1 Joh. 2:2
4:10
Die ons met Zichzelf verzoend heeft door Jezus Christus, en ons de bediening van de verzoening gegeven heeft.

19

5:19
Rom. 3:24,25
Kol. 1:20
God was het namelijk Die in Christus de wereld met Zichzelf verzoende, en aan hen hun overtredingen niet toerekende; en Hij heeft het woord van de verzoening in ons gelegd.

20Wij zijn dan

5:20
2 Kor. 3:6
gezanten namens Christus, alsof God Zelf door ons smeekt. Namens Christus smeken wij: laat u met God verzoenen.

21

5:21
Jes. 53:9
1 Petr. 2:22
1 Joh. 3:5
Want Hem Die geen zonde gekend heeft,
5:21
Jes. 53:12
Rom. 8:3
Gal. 3:13
heeft Hij voor ons tot zonde gemaakt, opdat wij zouden worden gerechtigheid van God in Hem.

6

Paulus' verdrukkingen

61En als

6:1
1 Kor. 3:9
medearbeiders van God roepen wij u er ook toe op
6:1
Hebr. 12:15
de genade van God niet tevergeefs ontvangen te hebben.

2

6:2
Jes. 49:8
Want Hij zegt: In de tijd van het welbehagen heb Ik U verhoord, en op de dag van het heil heb Ik U geholpen. Zie, nu is het de tijd van het welbehagen, zie, nu is het de dag van het heil!

3

6:3
Rom. 14:13
1 Kor. 10:32
Wij geven in geen enkel opzicht enige aanstoot, opdat de bediening niet gelasterd wordt.

4Maar in alles bewijzen wij onszelf

6:4
1 Kor. 4:1
als dienaars van God,
6:4
2 Kor. 11:23
in veel volharding: in verdrukkingen, in noden, in benauwdheden,

5in slagen, in gevangenissen, in oproer, in ingespannen arbeid, in nachten zonder slaap, in vasten,

6in reinheid, in kennis, in geduld, in vriendelijkheid, in de Heilige Geest, in ongeveinsde liefde,

7in het woord van de waarheid, in de kracht van God, door de wapens van de gerechtigheid aan de rechter- en aan de linkerzijde;

8door eer en oneer, door kwaad gerucht en goed gerucht; als misleiders en toch waarachtigen;

9als onbekenden en toch bekenden;

6:9
Ps. 118:18
Jes. 26:19
als stervenden, en zie, wij leven; als bestraft en toch niet gedood;

10als bedroefden, maar toch steeds blij; als armen, maar die toch velen rijk maken; als mensen die niets hebben en toch alles bezitten.

11Onze mond heeft zich vrijmoedig voor u geopend, Korinthiërs, ons hart staat wijd open.

12U neemt geen kleine plaats in ons hart in, maar zelf bent u enghartig.6:12 enghartig - Letterlijk: nauw in uw ingewanden.

13Zet dan ook van uw kant – ik spreek

6:13
1 Kor. 4:14
als tot mijn kinderen – uw hart wijd open.

Geen ongelijk span met ongelovigen

14

6:14
Deut. 7:2
1 Kor. 5:9
Vorm geen ongelijk span met ongelovigen,
6:14
1 Sam. 5:1,2
1 Kon. 8:21
1 Kor. 10:21
Efez. 5:11
want wat heeft gerechtigheid gemeenschappelijk met wetteloosheid, en welke gemeenschap is er tussen licht en duisternis?

15En welke overeenstemming is er tussen Christus en Belial? Of wat deelt een gelovige met een ongelovige?

16Of welk verband is er tussen de tempel van God

6:16
1 Kor. 10:7,14
en de afgoden?
6:16
1 Kor. 3:16
6:19
Efez. 2:21
Hebr. 3:6
1 Petr. 2:5
Want u bent de tempel van de levende God, zoals God gezegd heeft:
6:16
Ex. 29:45
Lev. 26:11
Ezech. 37:26
Ik zal in hun midden wonen en onder hen wandelen, en Ik zal hun God zijn en zij zullen Mijn volk zijn.

17

6:17
Jes. 52:11
Openb. 18:4
Ga daarom uit hun midden weg en zonder u af, zegt de Heere, en raak het onreine niet aan, en Ik zal u aannemen,

18

6:18
Jer. 31:1
en Ik zal u tot een Vader zijn, en u zult Mij tot zonen en dochters zijn, zegt de Heere, de Almachtige.

7

71Omdat wij dan deze beloften hebben, geliefden, laten wij onszelf reinigen van alle bezoedeling van vlees en geest, en de heiliging volbrengen in het vrezen van God.

De troostrijke komst van Titus

2Geef ons plaats in uw hart. Wij hebben niemand onrecht aangedaan, wij hebben niemand te gronde gericht, wij hebben niemand uitgebuit.

3Ik zeg dit niet om u te veroordelen, want ik heb

7:3
2 Kor. 6:11,12,13
al eerder gezegd dat wij zo hartelijk met u verbonden zijn,7:3 dat wij … verbonden zijn - Letterlijk: dat u in onze harten bent. dat wij samen met u zouden willen sterven en leven.

4Ik heb veel vrijmoedigheid tegenover u, ik heb veel te roemen over u. Ik ben vol van vertroosting en

7:4
Matt. 5:12
Hand. 5:41
Filipp. 2:17
Kol. 1:24
word overstelpt met blijdschap in al onze verdrukking.

5Want ook toen wij in Macedonië gekomen waren, heeft ons vlees geen rust gehad,

7:5
Hand. 16:19,23
maar waren wij in alles verdrukt: vanbuiten waren er conflicten, vanbinnen vrees.

6

7:6
2 Kor. 1:4
Maar God, Die de nederigen troost, heeft ons getroost door de komst van Titus.

7En niet alleen door zijn komst, maar ook door de troost waarmee hij bij u getroost werd. Hij deed ons namelijk verslag van uw vurig verlangen, uw treuren en uw ijver voor mij, en zo werd ik des te meer verblijd.

Droefheid overeenkomstig de wil van God en droefheid van de wereld

8Want al heb ik u in de brief bedroefd, ik heb er geen berouw van. Hoewel ik er wel berouw van gehad heb, want ik zie dat die brief, ook al is het voor een korte tijd, u bedroefd heeft.

9Nu verblijd ik mij, niet omdat u bedroefd bent geweest, maar omdat u bedroefd bent geweest tot bekering. Want u bent bedroefd geweest overeenkomstig de wil van God, zodat u in geen enkel opzicht door ons schade hebt geleden.

10

7:10
2 Sam. 12:13
Matt. 26:75
Luk. 18:13
Want de droefheid die overeenkomstig de wil van God is, brengt een onberouwelijke bekering tot zaligheid teweeg, maar de droefheid van de wereld brengt de dood teweeg.

11Want zie, juist dit, dat u overeenkomstig de wil van God bedroefd bent geworden, wat een grote inzet heeft dat in u teweeggebracht! Ja, wat een verdediging, ja, wat een verontwaardiging, ja, wat een vrees, ja, wat een vurig verlangen, ja, wat een ijver, ja, wat een bestraffing! In alles hebt u bewezen zelf rein te zijn in deze zaak.

12Hoewel ik u dus geschreven heb, was dat niet om hem die onrecht had gedaan, en ook niet om hem die onrecht was aangedaan, maar opdat onze inzet voor u openbaar zou worden bij u, in de tegenwoordigheid van God.

13Daarom zijn wij getroost door uw vertroosting; en wij zijn des te meer verblijd over de blijdschap van Titus, omdat zijn geest door u allen is verkwikt.

14Want als ik in enig opzicht bij hem over u geroemd heb, dan ben ik niet beschaamd geworden. Integendeel, zoals wij alles in waarheid tot u gesproken hebben, zo is ook ons roemen tegenover Titus waarheid gebleken.

15En zijn innige gevoelens voor u zijn des te overvloediger, als hij zich de gehoorzaamheid van u allen herinnert, hoe u hem met vrees en beven hebt ontvangen.

16Ik verblijd mij dus, omdat ik in alles op u kan vertrouwen.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]