Herziene Statenvertaling (HSV)
2

21Dus dit heb ik mij voorgenomen: dat ik niet opnieuw in droefheid naar u toe zou komen.

2Want als ik u bedroefd maak, wie is het dan die mij verblijden zal, behalve hij die door mij bedroefd is gemaakt?

3En dit heb ik u juist geschreven, opdat ik bij mijn komst geen droefheid zou ondervinden van hen over wie ik mij moest verblijden;

2:3
2 Kor. 8:22
Gal. 5:10
en ik vertrouwde van u allen dat mijn blijdschap die van u allen is.

4Want in veel verdrukking en benauwdheid van hart heb ik u geschreven, onder veel tranen, niet opdat u bedroefd zou worden, maar opdat u de liefde zou leren kennen die ik overvloedig voor u heb.

Vergeving voor de boetvaardige

5Maar als iemand droefheid veroorzaakt heeft, dan heeft hij niet mij bedroefd, maar in zekere zin – opdat ik het hem niet te zwaar maak – u allen.

6

2:6
1 Kor. 5:3
Voor zo iemand is die straf, die door velen is opgelegd, genoeg geweest.

7Zodat u hem daarentegen liever moet vergeven en bemoedigen, opdat zo iemand niet misschien door al te grote droefheid wordt verteerd.

8Daarom verzoek ik u dat u uw liefde voor hem weer bevestigt.

9Want met dit doel heb ik ook geschreven: dat ik uw beproefdheid te weten zou komen, of u in alles gehoorzaam bent.

10Degene wie u nu iets vergeeft, die vergeef ik ook; want ook ik heb, als ik al iets te vergeven heb, het hem vergeven omwille van u, voor het aangezicht van Christus, opdat de satan op ons geen voordeel zou behalen.

11Want zijn gedachten zijn ons niet onbekend.

Aard van Paulus' prediking

12

2:12
Hand. 16:8
Toen ik nu in Troas kwam om het Evangelie van Christus te prediken, en daar een deur voor mij geopend was in de Heere, had ik geen rust voor mijn geest, omdat ik Titus, mijn broeder, niet vond,

13maar ik nam afscheid van hen en vertrok naar Macedonië.

14En God zij dank, Die ons in Christus altijd doet triomferen

2:14
Kol. 1:27
en door ons de geur van Zijn kennis op iedere plaats openbaar maakt.

15Want wij zijn voor God een aangename geur van Christus, onder hen die zalig worden en onder hen die verloren gaan;

16

2:16
Luk. 2:34
voor de laatsten een doodsgeur, die leidt tot de dood, maar voor de eersten een levensgeur, die leidt tot het leven. Maar wie is tot deze dingen bekwaam?

17Want wij zijn niet als zovelen, die handeldrijven met het Woord van God, maar als in oprechtheid, maar als vanuit God, voor Gods aangezicht, spreken wij het in Christus.

3

Het oude en nieuwe verbond

31Beginnen

3:1
2 Kor. 5:12
10:8
wij onszelf weer aan te bevelen? Of hebben wij, zoals sommigen, aanbevelingsbrieven voor u nodig, of aanbevelingsbrieven van u?

2U bent onze brief, geschreven in onze harten, gekend en gelezen door alle mensen.

3Het is immers openbaar geworden dat u een brief van Christus bent, door onze bediening opgesteld, geschreven niet met inkt, maar door de Geest van de levende God, niet

3:3
Ex. 24:12
34:1
op stenen tafelen,
3:3
Jer. 31:33
Ezech. 11:19
36:26
Hebr. 8:10
maar op tafelen van vlees, van de harten.

4Zo'n vertrouwen nu hebben wij door Christus op God.

5Niet omdat wij van onszelf bekwaam zijn iets te denken, als was het uit onszelf, maar

3:5
Filipp. 2:13
onze bekwaamheid is uit God.

6Hij heeft ons namelijk bekwaam gemaakt om

3:6
2 Kor. 5:18
dienaars van
3:6
Hebr. 8:6,8
het nieuwe verbond te zijn, niet van de letter, maar van de Geest; want de letter doodt, maar de Geest maakt levend.

7Als nu de bediening van de dood, met letters

3:7
Ex. 24:12
34:1
Deut. 10:1
in stenen gegrift, in heerlijkheid was,
3:7
Ex. 34:30
zodat de Israëlieten hun ogen niet op het gezicht van Mozes gericht konden houden vanwege de heerlijkheid van zijn gezicht, hoewel die tenietgedaan zou worden,

8hoeveel te meer zal dan de bediening van de Geest in heerlijkheid zijn?

9Want als de bediening van de verdoemenis al heerlijkheid geweest is, veel meer is de bediening van de gerechtigheid overvloedig in heerlijkheid.

10Immers, zelfs dat wat verheerlijkt was, is in dit opzicht niet heerlijk geweest, vergeleken met de allesovertreffende heerlijkheid.

11Want als wat tenietgedaan wordt in heerlijkheid was, veel meer is wat blijft in heerlijkheid.

12Omdat wij dan een dergelijke hoop bezitten, gaan wij met veel vrijmoedigheid te werk,

13en doen wij niet zoals

3:13
Ex. 34:35
Mozes, die een bedekking op zijn gezicht legde, opdat de Israëlieten hun ogen niet gericht zouden houden
3:13
Rom. 10:4
op het einddoel van wat tenietgedaan wordt.

14

3:14
Jes. 6:10
Ezech. 12:2
Matt. 13:11
Hand. 28:26
Rom. 11:8
Maar hun gedachten werden verhard, want tot op heden blijft diezelfde bedekking bij het lezen van het Oude Testament, zonder te worden weggenomen. Die bedekking wordt tenietgedaan in Christus.

15Ja, tot op heden ligt er, wanneer Mozes gelezen wordt, een bedekking op hun hart.

16

3:16
Matt. 13:11
Rom. 11:23
1 Kor. 2:10
Maar wanneer het zich tot de Heere bekeert, wordt de bedekking weggenomen.

17

3:17
Joh. 4:24
De Heere nu is de Geest; en waar de Geest van de Heere is, daar is vrijheid.

18

3:18
1 Kor. 13:12
2 Kor. 5:7
Wij allen nu, die met onbedekt gezicht de heerlijkheid van de Heere als in een spiegel aanschouwen, worden van gedaante veranderd naar hetzelfde beeld, van heerlijkheid tot heerlijkheid, zoals dit door de Geest van de Heere bewerkt wordt.

4

De apostolische bediening

41Daarom, aangezien wij deze bediening hebben naar de barmhartigheid die ons bewezen is, verliezen wij de moed niet.

2Integendeel, wij hebben de schandelijke, verborgen praktijken verworpen;

4:2
2 Kor. 2:17
wij wandelen niet in bedrog en vervalsen ook niet het Woord van God, maar door het openbaar maken van de waarheid
4:2
2 Kor. 6:4
bevelen wij onszelf aan bij elk menselijk geweten, in de tegenwoordigheid van God.

3Maar in het geval dat ons Evangelie nog bedekt is, dan is het bedekt in hen

4:3
2 Kor. 2:15
2 Thess. 2:10
die verloren gaan.

4Van hen, de ongelovigen, geldt dat de god van deze eeuw

4:4
Jes. 6:10
Joh. 12:40
hun gedachten heeft verblind, opdat de verlichting met het Evangelie van de heerlijkheid van Christus,
4:4
Joh. 14:9
Filipp. 2:6
Kol. 1:15
Hebr. 1:3
Die het beeld van God is, hen niet zou bestralen.

5Want wij prediken niet onszelf, maar Christus Jezus als Heere, en onszelf als uw dienstknechten om Jezus' wil.

6Want God,

4:6
Gen. 1:3
Die gezegd heeft dat het licht uit de duisternis zou schijnen, is ook Degene
4:6
2 Petr. 1:19
Die in onze harten geschenen heeft tot verlichting met de kennis van de heerlijkheid van God in het aangezicht van Jezus Christus.

De schat in aarden kruiken

7Maar wij hebben deze schat

4:7
2 Kor. 5:1
in aarden kruiken, opdat de allesovertreffende kracht van
4:7
1 Kor. 2:5
God zou zijn en niet uit ons.

8Wij worden in alles verdrukt, maar niet in het nauw gebracht; wij zijn in twijfel, maar niet vertwijfeld;

9wij worden vervolgd, maar niet verlaten; neergeworpen, maar niet te gronde gericht.

10

4:10
Rom. 8:17
Gal. 6:17
Filipp. 3:10
2 Tim. 2:11,12
1 Petr. 4:13
Wij dragen altijd het sterven van de Heere Jezus in het lichaam mee, opdat ook het leven van Jezus in ons lichaam openbaar wordt.

11

4:11
Ps. 44:23
Matt. 5:11
Rom. 8:36
1 Kor. 4:9
Want wij die leven, worden voortdurend aan de dood overgegeven om Jezus' wil,
4:11
1 Kor. 15:49
Kol. 3:4
opdat ook het leven van Jezus openbaar wordt in ons sterfelijk vlees.

12Zo is dan de dood werkzaam in ons, maar het leven in u.

13Maar omdat wij dezelfde Geest van het geloof hebben, overeenkomstig wat geschreven staat:

4:13
Ps. 116:10
Ik heb geloofd, daarom heb ik gesproken, geloven ook wij, en daarom spreken wij ook.

14

4:14
Rom. 8:11
1 Kor. 6:14
Wij weten immers dat Hij Die de Heere Jezus opgewekt heeft, ook ons door Jezus zal opwekken en samen met u voor Zich zal stellen.

15Want dit alles gebeurt ter wille van u,

4:15
2 Kor. 1:11
opdat de genade, die meer en meer is toegenomen, door de dankzegging van velen overvloedig wordt tot verheerlijking van God.

Een aardse tent en een huis in de hemel

16Daarom verliezen wij de moed niet; integendeel, ook al vergaat onze uiterlijke mens, toch wordt de innerlijke mens van dag tot dag vernieuwd.

17

4:17
Ps. 30:6
Matt. 5:12
Rom. 8:18
1 Joh. 3:2
Want onze lichte verdrukking, die van korte duur is, brengt in ons een allesovertreffend eeuwig gewicht van heerlijkheid teweeg.

18Wij houden onze ogen immers niet gericht op de dingen die men ziet, maar op de dingen die men niet ziet; want de dingen die men ziet, zijn tijdelijk, maar de dingen die men niet ziet, zijn eeuwig.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]