Herziene Statenvertaling (HSV)
11

Geen ander Evangelie

111Verdroeg u mij maar enigszins in mijn dwaasheid; ja, verdraag mij toch!

2Want ik beijver mij voor u met een ijver van God. Ik heb u immers ten huwelijk gegeven aan één Man

11:2
Lev. 21:13
om u als een reine maagd aan Christus voor te stellen.

3Maar ik vrees dat,

11:3
Gen. 3:4
Joh. 8:44
zoals de slang met zijn sluwheid Eva verleid heeft, zo misschien ook uw gedachten bedorven worden, weg van de eenvoud die in Christus is.

4

11:4
Gal. 1:8
Want als er iemand komt die een andere Jezus predikt, die wij niet gepredikt hebben, of als u een andere geest ontvangt dan die u ontvangen hebt, of een ander evangelie, dat u niet aangenomen hebt, dan verdraagt u dat best.

5Want ik ben van mening dat ik in niets minder ben geweest dan de apostelen bij uitstek.

6En al ben ik onbedreven in het spreken, ik ben dat niet in kennis. Integendeel, wij zijn in elk opzicht in alles onder u bekend geworden.

Paulus' belangeloosheid

7Of heb ik zonde gedaan toen ik mijzelf vernederde, opdat u verhoogd zou worden? Ik heb u immers het Evangelie van God

11:7
1 Kor. 9:12
om niet verkondigd.

8Andere gemeenten heb ik beroofd door een vergoeding aan te nemen ten dienste van u; en toen ik bij u was en gebrek leed,

11:8
Hand. 20:33
2 Kor. 12:13
1 Thess. 2:9
2 Thess. 3:8
ben ik niemand tot last geweest.

9

11:9
Filipp. 4:15
Want wat mij ontbrak, hebben de broeders die van Macedonië kwamen, aangevuld; en in alles ben ik ervoor op mijn hoede geweest u niet tot last te zijn, en ik zal er ook voor op mijn hoede blijven.

10Zo zeker als de waarheid van Christus in mij is, zal deze roem over mij in de streken van Achaje niet tot zwijgen worden gebracht.

11Waarom? Omdat ik u niet liefheb? God weet dat ik u liefheb!

12Maar wat ik doe, zal ik ook blijven doen, opdat ik elke aanleiding wegneem van hen die een aanleiding zoeken om in datgene waarin zij roemen, aan ons gelijk bevonden te worden.

13Want zulke lieden zijn valse apostelen, bedrieglijke arbeiders, die zich voordoen als apostelen van Christus.

14En geen wonder, want de satan zelf doet zich voor als een engel van het licht.

15Het is dus niets bijzonders als ook zijn dienaars zich voordoen als dienaars van gerechtigheid. Hun einde zal zijn overeenkomstig hun werken.

Roemen in veel lijden

16Nogmaals zeg ik: laat niemand denken dat ik dwaas ben. En als u dat toch doet, ontvang mij dan ook maar als een dwaas, zodat ook ik een beetje zou mogen roemen.

17Wat ik nu zeg, zeg ik niet overeenkomstig de wil van de Heere, maar als in dwaasheid, wanneer het gaat om dit punt van roem.11:17 dit punt van roem - Letterlijk: deze vaste grond van roem.

18

11:18
2 Kor. 10:13
12:5,6
Omdat velen roemen naar het vlees, zal ik ook eens roemen.

19Want u verdraagt met genoegen de dwazen; u bent immers zo wijs?

20Want u verdraagt het, als iemand u tot slaven maakt, als iemand u verslindt, als iemand het uwe afneemt, als iemand zich boven u verheft, als iemand u in het gezicht slaat.

21Tot eigen oneer zeg ik: wij zijn zwak geweest.

11:21
Filipp. 3:4
Maar waarin iemand ook durf toont – ik spreek in dwaasheid – daarin toon ook ik durf.

22Zijn zíj Hebreeën?

11:22
Hand. 22:3
Ik ook. Zijn zíj Israëlieten? Ik ook. Zijn zíj nageslacht van Abraham? Ik ook.

23Zijn zíj dienaars van Christus? – ik spreek als een waanzinnige –

11:23
1 Kor. 15:10
ik sta boven hen;
11:23
Hand. 9:16
21:11
2 Kor. 6:4
in ingespannen arbeid veel vaker, in slagen bovenmate, in gevangenissen veel vaker, dikwijls in doodsgevaar.

24Van de Joden heb ik vijfmaal de

11:24
Deut. 25:3
veertig min één zweepslagen ontvangen.

25

11:25
Hand. 16:22
Driemaal ben ik met de roede gegeseld,
11:25
Hand. 14:19
eenmaal ben ik gestenigd,
11:25
Hand. 27:9,41
driemaal heb ik schipbreuk geleden, een heel etmaal heb ik in volle zee doorgebracht.

26Op reis was ik vaak in gevaar door rivieren, in gevaar door rovers, in gevaar van de kant van volksgenoten, in gevaar van de kant van heidenen, in gevaar in de stad, in gevaar in de woestijn, in gevaar op zee, in gevaar onder valse broeders,

27in inspanning en moeite, vaak in nachten zonder slaap, in honger en dorst, vaak in vasten, in koude en naaktheid.

28Afgezien van wat van buitenaf komt, overvalt mij dagelijks

11:28
Hand. 20:18
de zorg voor alle gemeenten.

29

11:29
1 Kor. 8:13
Als iemand zwak is, zou ík dan omwille van hem niet zwak zijn? Struikelt iemand, zou ík dan niet branden van verontwaardiging?

30Als er geroemd moet worden, dan zal ik roemen in mijn zwakheid.11:30 mijn zwakheid - Letterlijk: de dingen van mijn zwakheid.

31

11:31
Rom. 1:9
9:1
2 Kor. 1:23
Gal. 1:20
Filipp. 1:8
1 Thess. 2:5
De God en Vader van onze Heere Jezus Christus, Die te prijzen is tot in eeuwigheid, weet dat ik niet lieg.

32In Damascus liet de stadhouder

11:32
Hand. 9:24
van koning Aretas de stad van de Damascenen bewaken, omdat hij mij gevangen wilde nemen;

33en door een venster werd ik in een mand door de muur neergelaten en ontvluchtte zo zijn handen.

12

Opgenomen in het paradijs

121Te roemen is werkelijk niet gepast voor mij, want ik zal komen op verschijningen en openbaringen van de Heere.

2

12:2
Hand. 9:3
22:17
1 Kor. 15:8
Ik ken een mens in Christus, veertien jaar is het geleden – of het in het lichaam gebeurde, weet ik niet; of buiten het lichaam, weet ik niet; God weet het – dat zo iemand tot in de derde hemel werd opgenomen.

3En ik weet van deze mens – of het in het lichaam of buiten het lichaam gebeurde, weet ik niet; God weet het –

4dat hij werd opgenomen in het paradijs en onuitsprekelijke woorden heeft gehoord, die het een mens niet is geoorloofd uit te spreken.

5Over zo iemand zal ik roemen, maar over mijzelf zal ik niet anders roemen dan in mijn zwakheden.

6Want gesteld dat ik zou willen roemen, ik zal niet dwaas zijn; ik zal immers de waarheid spreken. Ik onthoud mij daar echter van, opdat niemand méér van mij denkt dan wat hij aan mij ziet of van mij hoort.

Een doorn in het vlees

7En opdat ik mij door het allesovertreffende karakter van de openbaringen niet zou verheffen, is mij een doorn in het vlees gegeven, een engel van de satan,

12:7
Job 2:6
om mij met vuisten te slaan, opdat ik mij niet zou verheffen.

8Hierover heb ik de Heere driemaal gesmeekt dat hij van mij weg zou gaan.

9Maar Hij heeft tegen mij gezegd: Mijn genade is voor u genoeg, want Mijn kracht wordt in zwakheid volbracht. Daarom zal ik veel liever roemen in mijn zwakheden, opdat de kracht van Christus in mij komt wonen.

10Daarom heb ik een behagen in zwakheden, in smadelijke behandelingen, in noden, in vervolgingen, in benauwdheden, om Christus' wil. Want wanneer ik zwak ben, dan ben ik machtig.

Bezorgdheid over de gemeente

11Ik ben door te roemen dwaas geworden! U hebt mij daartoe gedwongen, want ik zou door u aanbevolen moeten worden.

12:11
1 Kor. 15:10
Ik ben immers in niets minder geweest dan de apostelen bij uitstek, hoewel ik niets ben.

12

12:12
1 Kor. 9:2
De tekenen van een apostel zijn onder u verricht, in al mijn volharding, in tekenen, wonderen en krachten.

13Want wat is er waarin u achtergesteld bent bij de overige gemeenten,

12:13
1 Kor. 9:12
2 Kor. 11:9
dan alleen hierin dat ikzelf u niet tot last geweest ben? Vergeef mij dit onrecht.

14Zie, voor de derde keer sta ik gereed om naar u toe te komen, en ik zal u niet tot last zijn.

12:14
Hand. 20:33
Ik zoek namelijk niet het uwe, maar uzelf. De kinderen moeten immers geen schatten verzamelen voor de ouders, maar de ouders voor de kinderen.

15Ik zal dan ook heel graag zelf de kosten dragen, ja, mij geheel ten koste geven voor uw zielen, ook al word ik,

12:15
2 Kor. 6:12
terwijl ik u meer liefheb, minder geliefd.

16Maar het zij zo. Ik heb u in ieder geval niet belast. Maar, listig als ik ben, heb ik u met bedrog gevangen.

17Heb ik u soms uitgebuit door iemand van hen die ik naar u toe gestuurd heb?

18Ik heb Titus aangespoord en de broeder meegezonden. Heeft Titus u soms uitgebuit? Hebben wij niet in dezelfde Geest gewandeld, in dezelfde voetsporen?

19Denkt u nu weer dat wij ons tegenover u verdedigen? Wij spreken voor het aangezicht van God in Christus; en dit alles, geliefden, tot uw opbouw.

20Want ik vrees dat ik, bij mijn komst, u misschien niet zal aantreffen zoals ik wil, en dat ik door u gevonden zal worden zoals u niet wilt, en dat er misschien ruzies, afgunst, woede-uitbarstingen, egoïsme, kwaadsprekerij, laster, verwaandheid en wanorde zullen zijn,

21en dat, als ik kom, mijn God mij opnieuw bij u zal vernederen en dat ik treuren moet over velen die vroeger gezondigd hebben en zich niet bekeerd hebben van de onreinheid, hoererij en losbandigheid die zij bedreven hebben.

13

Laatste vermaningen

131Dit is de derde keer dat ik naar u toe kom.

13:1
Num. 35:30
Deut. 17:6
19:15
Matt. 18:16
Joh. 8:17
Hebr. 10:28
In de mond van twee of drie getuigen zal elke zaak vaststaan.

2Ik heb het al eerder gezegd, en ik zeg het nu vooraf, net als toen ik voor de tweede keer bij u was, en ik schrijf het nu, terwijl ik afwezig ben, aan hen die vroeger gezondigd hebben, en aan al de anderen: ik zal hen, als ik opnieuw kom, niet sparen.

3U zoekt immers een bewijs dat Christus in mij spreekt, Die ten opzichte van u niet zwak is, maar Die krachtig is onder u.

4Want hoewel Hij gekruisigd is door zwakheid, leeft Hij toch door de kracht van God. Ook wij zijn immers zwak in Hem, maar zullen ten opzichte van u leven met Hem, door de kracht van God.

5

13:5
1 Kor. 11:28
Onderzoek uzelf of u in het geloof bent, beproef uzelf. Of weet u niet van uzelf dat Jezus Christus in u is? Of het moet zijn dat u op enigerlei wijze verwerpelijk bent.

6Ik hoop echter dat u zult inzien dat wij niet verwerpelijk zijn.

7En ik bid tot God dat u geen kwaad doet; niet opdat wij beproefd blijken te zijn, maar opdat u het goede doet, ook al lijken wij dan verwerpelijk.

8Want wij kunnen niets doen tegen de waarheid, maar wel voor de waarheid.

9Want wij verblijden ons wanneer wij zwak zijn en u sterk bent. En wij bidden ook hierom, namelijk om uw volledig herstel.

10Daarom schrijf ik u dit terwijl ik afwezig ben, opdat ik, wanneer ik aanwezig ben, niet streng hoef op te treden, overeenkomstig de volmacht

13:10
2 Kor. 10:8
die de Heere mij gegeven heeft tot opbouw en niet tot afbraak.

Groet en zegenbede

11Ten slotte, broeders, verblijd u, laat u terechtbrengen, laat u aansporen,

13:11
Rom. 12:16
15:5
1 Kor. 1:10
Filipp. 2:2
1 Petr. 3:8
wees eensgezind,
13:11
Rom. 12:18
Hebr. 12:14
leef in vrede. En de God van de liefde en de vrede zal met u zijn.

12

13:12
Rom. 16:16
1 Kor. 16:20
1 Thess. 5:26
1 Petr. 5:14
Groet elkaar met een heilige kus. Al de heiligen groeten u.

13De genade van de Heere Jezus Christus, de liefde van God en de gemeenschap van de Heilige Geest zij met u allen. Amen.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]