Herziene Statenvertaling (HSV)
4

De voorwerpen van de tempel

41Hij maakte ook een koperen altaar; zijn lengte was twintig el, zijn breedte twintig el, en zijn hoogte tien el.

2Verder maakte hij de gegoten zee; tien el van zijn ene rand tot zijn andere rand, helemaal rond, en vijf el in zijn hoogte: een meetlint van dertig el kon hem rondom omspannen.

3Aan de onderkant ervan bevond zich rondom een afbeelding van runderen, die hem rondom omringden, tien per el, om heel de zee heen. Twee rijen van deze runderen waren bij het gieten ervan meegegoten.

4Hij stond op twaalf runderen, drie naar het noorden gekeerd, drie naar het westen gekeerd, drie naar het zuiden gekeerd en drie naar het oosten gekeerd, en de zee stond daarbovenop. Al hun achterlijven waren naar binnen gekeerd.

5En zijn dikte was een handbreed en zijn rand had de vorm van de rand van een beker, als een leliebloesem. Hij kon drieduizend bath bevatten.4:5 Hij kon … bevatten - Letterlijk: Die bathen vast kon houden; drieduizend kon hij bevatten; zie ook 1 Kon. 7:26.

6Hij maakte ook tien spoelbekkens, zette er vijf aan de rechterkant en vijf aan de linkerkant om daarin het offervlees te wassen. Men spoelde daarin de benodigdheden van het brandoffer af. De zee was echter bestemd voor de priesters om zich daarin te wassen.

7Hij maakte verder

4:7
1 Kon. 7:48,49
tien gouden kandelaars, volgens de bepaling ervoor, en hij zette ze in de tempel, vijf aan de rechterkant, en vijf aan de linkerkant.

8Ook maakte hij tien tafels, en hij plaatste ze in de tempel, vijf aan de rechterkant, en vijf aan de linkerkant, en hij maakte honderd gouden sprengbekkens.

9Verder maakte hij de voorhof voor de priesters, de grote voorhof en de deuren voor de voorhof, en overtrok de deuren ervan met koper.

10De zee zette hij aan de rechterzijde, in zuidoostelijke richting.4:10 in … richting - Letterlijk: oostwaarts tegenover het zuiden.

11Verder maakte Huram de potten, de scheppen en de sprengbekkens; en Hiram voltooide het werk dat hij voor koning Salomo maakte ten behoeve van het huis van God,

12te weten de twee pilaren met de bollen en de kapitelen die boven op de twee pilaren lagen, en de twee vlechtwerken om de twee bollen van de kapitelen die boven op de pilaren lagen, te bedekken,

13de vierhonderd granaatappels voor de twee vlechtwerken, twee rijen granaatappels per vlechtwerk, om de twee bollen van de kapitelen die op de pilaren lagen, te bedekken.

14Hij maakte ook de onderstellen, en de spoelbekkens maakte hij op de onderstellen.

15Verder maakte hij de ene zee en de twaalf runderen daaronder.

16Ook de potten, de scheppen en de vorken en al de bijbehorende voorwerpen maakte Huram Abi voor koning Salomo ten behoeve van het huis van de HEERE, alles van gepolijst koper.

17In de vlakte van de Jordaan liet de koning ze gieten, tussen Sukkoth en Zeredata, in vormen van zware klei.

18Salomo maakte al deze voorwerpen in zeer grote hoeveelheid. Ja, het gewicht van het koper werd niet meer nagegaan.

19

4:19
1 Kon. 7:48
Ook maakte Salomo alle voorwerpen die voor het huis van God bestemd waren: het gouden altaar, de tafels waarop de toonbroden lagen,

20de kandelaars en hun lampen van bladgoud, om volgens de bepaling te branden vóór het binnenste heiligdom,

21de bloesems, de lampen en de snuiters, van goud – dat alles van het zuiverste goud –

22de messen, de sprengbekkens, de kommen, de vuurschalen, van bladgoud. Wat de ingang van het huis betreft: de deuren van het binnenste deel ervan, voor het heilige der heiligen, en de deuren van het tempelhuis, waren van goud.

5

De ark in de tempel gebracht

51Zo werd al het werk voltooid dat Salomo voor het huis van de HEERE verrichtte. Daarna bracht Salomo de geheiligde gaven van zijn vader David over. Het zilver, het goud en al de voorwerpen legde hij in de schatkamers van het huis van God.

2Toen riep Salomo de oudsten van Israël bijeen en alle hoofden van de stammen, de leiders van de families onder de Israëlieten, in Jeruzalem, om de ark van het verbond van de HEERE over te brengen uit de stad van David, dat is Sion.

3Alle mannen van Israël kwamen bij de koning bijeen voor het feest, dat van de zevende maand.

4Alle oudsten van Israël kwamen, en de Levieten namen de ark op

5en zij brachten de ark en de tent van ontmoeting over met alle heilige voorwerpen die in de tent waren. De priesters en de Levieten brachten ze over.

6Koning Salomo en de hele gemeenschap van Israël, die zich bij hem had verzameld, stonden vóór de ark. Zij offerden schapen en runderen, die vanwege hun grote hoeveelheid niet geschat of geteld konden worden.

7Zo brachten de priesters de ark van het verbond van de HEERE op zijn plaats, tot in het binnenste heiligdom van het huis, tot in het heilige der heiligen, tot onder de vleugels van de cherubs,

8zodat de cherubs beide vleugels uitspreidden over de plaats van de ark: de cherubs bedekten de ark en zijn draagbomen vanboven.

9Daarna schoven zij de draagbomen verder uit, zodat de uiteinden van de draagbomen wel zichtbaar waren vanaf de ark vóór het binnenste heiligdom, maar buiten niet zichtbaar waren. De ark is daar tot op deze dag.

10Er was niets in de ark dan alleen de twee stenen tafelen, die Mozes bij de Horeb erin gelegd had, toen de HEERE een verbond gesloten had met de Israëlieten, toen zij uit Egypte waren vertrokken.

11En het gebeurde, toen de priesters uit het heilige naar buiten kwamen – alle priesters die te vinden waren, hadden zich immers geheiligd, zonder zich te houden aan de afdelingen –

12en de Levieten, te weten alle zangers onder hen, Asaf, Heman, Jeduthun, hun zonen en hun broeders, in fijn linnen gekleed, met cimbalen, met luiten en harpen, stonden ten oosten van het altaar, en met hen tot honderdtwintig priesters toe, die op trompetten bliezen –

13het gebeurde nu, toen zij eenparig op de trompet bliezen en toen zij zongen door met een eenparige stem een lied te laten horen om de HEERE te prijzen en te loven, ja, toen zij de stem verhieven met trompetten, met cimbalen en andere muziekinstrumenten, en toen zij de HEERE prezen met de woorden: Voorzeker, Hij is goed, want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig, dat het huis, het huis van de HEERE, met een wolk vervuld werd.

14En de priesters konden, vanwege die wolk, niet blijven staan om te dienen, want de heerlijkheid van de HEERE had het huis van God vervuld.

6

Inwijding van de tempel

61Toen zei Salomo: De HEERE heeft gezegd in een donkere wolk te zullen wonen.

2Ík heb immers een huis gebouwd als woning voor U, een vaste woonplaats voor U, in alle eeuwigheid.6:2 in alle eeuwigheid - Letterlijk: eeuwigheden.

3

6:3
1 Kon. 8:14,15
Daarna keerde de koning zich om en zegende heel de gemeente van Israël, terwijl heel de gemeente van Israël stond.

4Hij zei: Geloofd zij de HEERE, de God van Israël, Die met Zijn mond tot mijn vader David gesproken heeft, en dat met Zijn handen heeft vervuld, toen Hij zei:

5Vanaf de dag dat Ik Mijn volk uit het land Egypte heb geleid, heb Ik uit alle stammen van Israël geen stad verkozen om er een huis te bouwen, zodat Mijn Naam daar zou zijn, en Ik heb geen man verkozen om vorst te zijn over Mijn volk Israël,

6maar Ik heb Jeruzalem verkozen om daar Mijn Naam te laten zijn, en Ik heb David verkozen om koning te zijn over Mijn volk Israël.

7

6:7
2 Sam. 7:2
1 Kon. 8:17
1 Kron. 17:1
28:2
Het was in het hart van mijn vader David om een huis te bouwen voor de Naam van de HEERE, de God van Israël.

8Maar de HEERE zei tegen mijn vader David: Dat het in uw hart was om voor Mijn Naam een huis te bouwen, daar hebt u goed aan gedaan, dat dit in uw hart was.

9U echter zult dat huis niet bouwen, maar uw zoon, die uit uw lichaam6:9 uit uw lichaam - Letterlijk: uit uw lendenen. zal voortkomen, die zal voor Mijn Naam dat huis bouwen.

10Zo heeft de HEERE Zijn woord dat Hij gesproken had, gestand gedaan, want ik ben in de plaats van mijn vader David opgestaan, en ik heb op de troon van Israël plaatsgenomen, zoals de HEERE gesproken heeft, en ik heb voor de Naam van de HEERE, de God van Israël, dit huis gebouwd.

11Ik heb daar de ark gezet, waarin het verbond van de HEERE ligt dat Hij met de Israëlieten sloot.

Het gebed van Salomo

12Toen ging Salomo voor het altaar van de HEERE staan, tegenover heel de gemeente van Israël, en hij spreidde zijn handen uit.

13Salomo had namelijk een koperen podium gemaakt, en had het in het midden van de voorhof neergezet; zijn lengte was vijf el, zijn breedte vijf el, en zijn hoogte drie el. Hij ging daarop staan, en knielde op zijn knieën neer tegenover heel de gemeente van Israël, en hij spreidde zijn handen uit naar de hemel,

14en zei: HEERE, God van Israël, er is

6:14
Ex. 15:11
Deut. 4:39
7:9
geen God zoals U, in de hemel of op de aarde, Die het verbond en de goedertierenheid houdt tegenover Uw dienaren, die
6:14
1 Kon. 2:4
met heel hun hart wandelen voor Uw aangezicht,

15Die Zich tegenover Uw dienaar, mijn vader David, gehouden hebt aan

6:15
1 Kron. 22:9
wat U tot hem had gesproken. Want met Uw mond sprak U, en dat hebt U met Uw hand vervuld, zoals het op deze dag is.

16En nu HEERE, God van Israël, houd U tegenover mijn vader David, Uw dienaar, aan wat U tot hem gesproken hebt:

6:16
2 Sam. 7:12
Ps. 132:12
Het zal u voor Mijn aangezicht niet aan een man ontbreken6:16 Het zal … ontbreken - Letterlijk: Geen man zal u van voor Mijn aangezicht afgesneden worden. die op de troon van Israël zal zitten, tenminste, wanneer uw zonen op hun weg letten door in Mijn wet te wandelen, zoals u voor Mijn aangezicht gewandeld hebt.

17Nu dan, HEERE, God van Israël, laat toch Uw woord, dat U tot Uw dienaar, tot David, sprak, bewaarheid worden.

18Maar zou God werkelijk bij de mensen op de aarde wonen?

6:18
1 Kon. 8:27
2 Kron. 2:6
Jes. 66:1
Hand. 7:49
Zie, de hemel, ja, de allerhoogste hemel,6:18 de allerhoogste hemel - Letterlijk: de hemel der hemelen. kan U niet bevatten, hoeveel te min dit huis dat ik gebouwd heb!

19Schenk dan aandacht aan het gebed van Uw dienaar en aan zijn smeekbede, HEERE, mijn God, door te luisteren naar het roepen en naar het gebed dat Uw dienaar voor Uw aangezicht bidt.

20Laten Uw ogen open zijn, dag en nacht, over dit huis, over deze plaats, waarvan U hebt gezegd dat U daar Uw Naam zou vestigen, om te luisteren naar het gebed dat Uw dienaar op deze plaats zal bidden.

21Luister dan naar de smeekbeden van Uw dienaar en Uw volk Israël, die zij op deze plaats zullen bidden. En U, luister vanuit Uw woonplaats, uit de hemel, ja luister, en vergeef.

22

6:22
1 Kon. 8:31
Wanneer iemand tegen zijn naaste zondigt en deze hem een eed oplegt, zodat hij een vervloeking over zichzelf afroept, en deze eed voor Uw altaar in dit huis komt,

23luistert Ú dan uit de hemel, grijp in, en spreek recht over Uw dienaren, door de schuldige zijn weg te vergelden en zijn weg op zijn eigen hoofd te doen neerkomen, door de rechtvaardige rechtvaardig te verklaren, en hem overeenkomstig zijn gerechtigheid te vergelden.

24

6:24
1 Kon. 8:33
Wanneer Uw volk Israël door de vijand wordt verslagen, omdat zij tegen U hebben gezondigd, en zij zich bekeren, Uw Naam belijden en voor Uw aangezicht in dit huis zullen bidden en smeken,

25luistert Ú dan uit de hemel, en vergeef de zonde van Uw volk Israël, en breng hen terug naar het land dat U hun en hun vaderen gegeven hebt.

26

6:26
1 Kon. 8:35
Als de hemel gesloten is en er geen regen komt, omdat zij tegen U gezondigd hebben, en zij op deze plaats bidden, Uw Naam belijden en zich van hun zonde bekeren, omdat U hen vernederde,

27luistert Ú dan in de hemel en vergeef de zonde van Uw dienaren en van Uw volk Israël, want U leert hun de goede weg waarop zij moeten gaan, en geef regen op Uw land, dat U aan Uw volk als erfelijk bezit hebt gegeven.

28

6:28
2 Kron. 20:9
Als er honger in het land is, als er pest is, als er korenbrand, meeldauw, veldsprinkhanen en zwermsprinkhanen komen, als zijn vijanden hem benauwen in het land met zijn steden,6:28 het land met zijn steden - Letterlijk: het land van zijn poorten; zie ook vers 40. als er welke plaag of welke ziekte dan ook komt,

29

6:29
1 Kon. 8:38
elk gebed, elke smeekbede die er zal zijn van ieder mens en van heel Uw volk Israël, als eenieder zijn plaag en zijn pijn erkent en naar dit huis zijn handen uitstrekt,

30luistert Ú dan vanuit de hemel, Uw vaste woonplaats, vergeef, en geef eenieder naar al zijn wegen, U, Die zijn hart kent. U alleen kent immers het hart van de mensenkinderen,

31opdat zij U vrezen en in Uw wegen gaan al de dagen dat zij leven op de grond die U onze vaderen gegeven hebt.

32

6:32
1 Kon. 8:41
Zelfs ook wat de vreemdeling betreft, die niet tot Uw volk Israël behoort, maar uit een ver land komt omwille van Uw grote Naam en van Uw sterke hand en van Uw uitgestrekte arm, wanneer zij komen en naar dit huis hun gebed richten,

33luistert Ú dan vanuit de hemel, vanuit Uw vaste woonplaats, en doe overeenkomstig alles wat de vreemdeling tot U roepen zal, opdat alle volken van de aarde Uw Naam kennen en U vrezen, zoals Uw volk Israël, en erkennen dat Uw Naam is uitgeroepen over dit huis dat ik gebouwd heb.

34

6:34
1 Kon. 8:44
Wanneer Uw volk uittrekt ten strijde tegen zijn vijanden, op de weg waarheen U hen zendt, en zij bidden tot U, in de richting van deze stad, die U verkozen hebt, en van het huis dat ik voor Uw Naam heb gebouwd,

35luistert U dan vanuit de hemel naar hun gebed en naar hun smeekbede, en verschaf hun recht.

36Wanneer zij tegen U hebben gezondigd –

6:36
1 Kon. 8:46
Spr. 20:9
Pred. 7:20
Jak. 3:2
1 Joh. 1:8
er is immers geen mens die niet zondigt – en U toornig op hen bent, en hen overlevert aan de vijand, zodat zij die hen gevangengenomen hebben, hen als gevangenen wegvoeren naar een land, ver weg of dichtbij,

37en zij het in het land waarheen zij als gevangenen werden weggevoerd, ter harte nemen, zich bekeren en tot U smeken in het land van hun gevangenschap, door te zeggen: Wij hebben gezondigd, ons misdragen, en wij hebben goddeloos gehandeld,

38en als zij zich in het land van hun gevangenschap, waarheen zij hen als gevangenen weggevoerd hebben, tot U bekeren met heel hun hart en met heel hun ziel, en tot U bidden in de richting van hun land, dat U aan hun vaderen gegeven hebt, en van de stad die U verkozen hebt, en van het huis dat ik voor Uw Naam gebouwd heb,

39luistert U dan uit de hemel, uit Uw vaste woonplaats, naar hun gebed en hun smeekbeden en verschaf hun recht. Vergeef Uw volk datgene waarmee zij tegen U zondigden.

40Nu, mijn God, laten toch Uw ogen open en Uw oren opmerkzaam zijn voor het gebed van deze plaats.

41Welnu, HEERE God,

6:41
Ps. 132:8
sta op, trek naar Uw rustplaats, U en de ark van Uw macht.
6:41
Ps. 132:9
Laten Uw priesters, HEERE God, met heil bekleed worden, en laten Uw gunstelingen verblijd zijn over het goede.

42HEERE God,

6:42
Ps. 132:10
wijs het gebed6:42 het gebed - Letterlijk: het gezicht. van Uw gezalfde niet af. Denk aan Uw blijken van goedertierenheid aan David, Uw dienaar.