Herziene Statenvertaling (HSV)
26

Uzzia koning van Juda

261Toen

26:1
2 Kon. 14:21
nam heel het volk van Juda Uzzia, die toen zestien jaar oud was, en maakte hem koning in de plaats van zijn vader Amazia.

2

26:2
2 Kon. 14:22
Hij was het die Eloth uitbouwde en het aan Juda terugbracht, nadat de koning bij zijn vaderen te ruste gegaan was.

3Uzzia was

26:3
2 Kon. 15:2
zestien jaar oud toen hij koning werd, en hij regeerde tweeënvijftig jaar in Jeruzalem. De naam van zijn moeder was Jecholia, uit Jeruzalem.

4Hij deed wat juist was in de ogen van de HEERE, overeenkomstig alles wat zijn vader Amazia gedaan had.

5Het was in de dagen van Zacharia, die Uzzia leerde op God te zien, om God te zoeken. In de dagen dat hij de HEERE zocht, maakte God hem voorspoedig.

6Hij trok eropuit en streed tegen de Filistijnen. Hij sloeg een bres in de muur van Gath, de muur van Jabne en de muur van Asdod, en bouwde steden bij Asdod en in het gebied van de Filistijnen.

7God hielp hem tegen de Filistijnen, en tegen de Arabieren die in Gur-Baäl woonden, en tegen de Meünieten.

8De Ammonieten gaven Uzzia schatting en zijn naam verbreidde zich26:8 verbreidde zich - Letterlijk: ging. tot waar men in Egypte komt, want hij werd buitengewoon sterk.

9In Jeruzalem bouwde Uzzia torens, aan de Hoekpoort, aan de Dalpoort en aan de Punt, en hij versterkte ze.

10Hij bouwde ook torens in de woestijn, en hakte veel putten uit, omdat hij veel vee had, zowel in het Laagland als op de hoogvlakte. Hij had akkerbouwers en wijnbouwers op de bergen en op de vruchtbare velden, want hij was een liefhebber van de landbouw.

11Verder had Uzzia een leger dat geoefend was voor de oorlog en dat ten strijde trok, ingedeeld in zoveel troepen als er aangenomen waren26:11 in zoveel troepen … waren - Letterlijk: per troep in het aantal van hun monstering. door de dienst van Jeïel, de schrijver, en Maäseja, de beambte, onder leiding26:11 onder leiding - Letterlijk: in de hand. van Hananja, een van de vorsten van de koning.

12Het volledige aantal van de familiehoofden, van de strijdbare helden, was tweeduizend zeshonderd man.

13Onder hun bevel stond een legermacht van driehonderdzevenduizend vijfhonderd man, vol kracht26:13 vol kracht - Letterlijk: met kracht van vermogen. en geoefend in de strijd, om de koning tegen de vijand te helpen.

14En Uzzia voorzag hen, heel het leger, van schilden, speren, helmen, harnassen en bogen, en zelfs slingerstenen.

15In Jeruzalem maakte hij oorlogswerktuigen – het ontwerp van een vindingrijk iemand – die opgesteld werden op de torens en op de hoeken om er pijlen en grote stenen mee af te schieten. Zo werd zijn naam wijd en zijd verbreid,26:15 Zo werd zijn naam wijd en zijd verbreid - Letterlijk: Zijn naam ging tot van ver weg uit. want hij werd wonderlijk geholpen, totdat hij sterk was geworden.

16Maar toen hij sterk geworden was, werd zijn hart hoogmoedig, tot zijn eigen verderf. Hij werd ontrouw aan de HEERE, zijn God. Hij ging namelijk de tempel van de HEERE binnen om reukwerk in rook te laten opgaan op het reukofferaltaar.

17Maar de priester Azaria ging hem achterna, en met hem de priesters van de HEERE, tachtig dappere mannen.

18Zij gingen voor koning Uzzia staan en zeiden tegen hem: U komt het niet toe, Uzzia, om voor de HEERE reukwerk in rook te laten opgaan, maar het is aan de priesters, de nakomelingen van Aäron, die geheiligd zijn om reukwerk in rook te laten opgaan. Ga het heiligdom uit, want u bent ontrouw geweest, en het zal voor u niet tot eer zijn van de HEERE God.

Uzzia melaats

19Toen werd Uzzia woedend; het wierookvat was in zijn hand om reukwerk in rook te laten opgaan. En terwijl hij woedend was op de priesters, verscheen de melaatsheid op zijn voorhoofd, voor de ogen van de priesters, in het huis van de HEERE, bij het reukofferaltaar.

20Toen keerde de hoofdpriester Azaria zich naar hem toe, en al de priesters, en zie, hij was melaats aan zijn voorhoofd. En zij verdreven hem haastig daarvandaan, ja, ook hijzelf haastte zich om naar buiten te gaan, omdat de HEERE hem getroffen had.

21

26:21
2 Kon. 15:5
Koning Uzzia was melaats tot aan de dag van zijn dood. Hij woonde, omdat hij melaats was, in een apart staand huis, want hij was van het huis van de HEERE afgesneden. Jotham, zijn zoon, was aangesteld over het huis van de koning, en gaf leiding aan de bevolking van het land.

22Het overige nu van de geschiedenis van Uzzia, van het begin tot het einde,26:22 van het begin tot het einde - Letterlijk: het eerste en het laatste. heeft de profeet Jesaja, de zoon van Amoz, beschreven.

23Uzzia ging te ruste bij zijn vaderen en zij begroeven hem bij zijn vaderen, op het veld bij het graf dat van de koningen was, want zij zeiden: Hij is melaats. En zijn zoon Jotham werd koning in zijn plaats.

27

Jotham koning van Juda

271Jotham

27:1
2 Kon. 15:33
was vijfentwintig jaar oud toen hij koning werd en hij regeerde zestien jaar in Jeruzalem. De naam van zijn moeder was Jerusa, de dochter van Zadok.

2Hij deed wat juist was in de ogen van de HEERE: overeenkomstig alles wat zijn vader Uzzia gedaan had. Alleen ging hij de tempel van de HEERE niet binnen. Maar het volk ging nog door met zijn verderfelijke praktijken.

3Hij was het die de Bovenpoort van het huis van de HEERE bouwde. Hij bouwde ook veel aan de muur van de Ofel.

4Verder bouwde hij steden in het bergland van Juda, en in de beboste gebieden bouwde hij burchten en torens.

5Hij was het die streed tegen de koning van de Ammonieten en hen overwon, zodat de Ammonieten hem in dat jaar honderd talent27:5 Een talent is ongeveer 30 kilo. zilver, tienduizend kor27:5 Een kor is vermoedelijk tussen de 200 en 450 liter. tarwe, en tienduizend kor gerst gaven. De Ammonieten brachten hem dit opnieuw, ook in het tweede en in het derde jaar.

6Jotham verstevigde zijn positie, want hij richtte zijn wegen voor het aangezicht van de HEERE, zijn God.

7Het overige nu van de geschiedenis van Jotham, al zijn oorlogen en zijn wegen, zie, dat is beschreven in het boek van de koningen van Israël en Juda.

8Hij was vijfentwintig jaar oud toen hij koning werd, en hij regeerde zestien jaar in Jeruzalem.

9Jotham ging te ruste bij zijn vaderen, en zij begroeven hem in de stad van David, en zijn zoon Achaz werd koning in zijn plaats.

28

Achaz koning van Juda

281Achaz

28:1
2 Kon. 16:2
was twintig jaar oud toen hij koning werd, en hij regeerde zestien jaar in Jeruzalem; hij deed niet wat juist was in de ogen van de HEERE zoals zijn vader David,

2maar hij ging in de wegen van de koningen van Israël. Bovendien maakte hij gegoten beelden voor de Baäls.

3Hij was het die reukoffers in rook liet opgaan in het dal Ben-Hinnom. Hij

28:3
Deut. 18:10
2 Kon. 21:6
Jer. 7:31
19:5
verbrandde zijn zonen in het vuur, overeenkomstig de gruweldaden van de heidenvolken die de HEERE van voor de ogen van de Israëlieten verdreven had.

4Hij bracht slachtoffers en reukoffers op de offerhoogten en op de heuvels, en onder elke bladerrijke boom.

5De HEERE, zijn God,

28:5
Jes. 7:1
gaf hem in de hand van de koning van Syrië, zodat zij hem versloegen en een grote groep gevangenen van hem wegvoerden en naar Damascus brachten. Ook werd hij in de hand van de koning van Israël gegeven, die hem een grote slag toebracht.

6Pekah, de zoon van Remalia, doodde in Juda op één dag honderdtwintigduizend man, allen dappere mannen, omdat zij de HEERE, de God van hun vaderen, verlaten hadden.

7Zichri, een held uit Efraïm, doodde Maäseja, de zoon van de koning, en Azrikam, de leider van het huis, en Elkana, de tweede in rang na de koning.

8De Israëlieten voerden van hun broeders tweehonderdduizend mensen als gevangenen weg: vrouwen, zonen en dochters. Zij roofden ook veel buit van hen en brachten de buit naar Samaria.

9En daar was een profeet van de HEERE en zijn naam was Oded. Die ging het leger, dat naar Samaria kwam, tegemoet en zei tegen hen: Zie, door de grimmigheid van de HEERE, de God van uw vaderen, over Juda heeft Hij hen in uw hand gegeven, en u hebt hen gedood met een woede die tot aan de hemel reikt.

10En nu denkt28:10 denkt - Letterlijk: zegt; zie ook vers 13. u de Judeeërs en de inwoners van Jeruzalem aan u te onderwerpen als slaven en slavinnen. Maar hebt u zelf dan geen schulden bij de HEERE, uw God?

11Nu dan, luister naar mij en breng de gevangenen terug die u van uw broeders als gevangenen weggevoerd hebt. Want de brandende toorn van de HEERE is tegen u.

12Toen stonden er mannen op afkomstig uit de hoofden van de nakomelingen van Efraïm: Azaria, de zoon van Johanan, Berechja, de zoon van Mesillemoth, Hizkia, de zoon van Sallum, en Amasa, de zoon van Hadlai. Zij keerden zich tegen hen die uit het leger kwamen,

13en zeiden tegen hen: U mag deze gevangenen niet hier brengen, want dat leidt tot een schuld voor ons tegenover de HEERE. Denkt u nog meer toe te voegen aan onze zonden en onze schuld? Wij hebben immers al veel schuld, en de brandende toorn is tegen Israël.

14Toen gaven de gewapende mannen de gevangenen en de buit over aan de leiders en heel de gemeente.

15De mannen die met hun namen aangewezen waren, stonden op, grepen de gevangenen, en allen van hen die naakt waren, kleedden zij van de buit. Zij kleedden en schoeiden hen, lieten hen eten en drinken; zij zalfden hen en leidden allen die verzwakt waren, zachtjes op ezels, en brachten hen bij hun broeders in Jericho, de Palmstad. Daarna keerden zij terug naar Samaria.

16In die tijd stuurde koning Achaz een verzoek aan de koningen van Assyrië om hem te helpen.

17Ook waren de Edomieten nog gekomen. Zij hadden Juda verslagen en gevangenen weggevoerd.28:17 gevangenen weggevoerd - Letterlijk: gevangenen als gevangenen weggevoerd.

18Verder hadden de Filistijnen de steden van het Laagland en het zuiden van Juda overvallen, en hadden Beth-Semes, Ajalon en Gederoth ingenomen, ook Socho en de bijbehorende plaatsen, Timna en de bijbehorende plaatsen, en Gimzo en de bijbehorende plaatsen. En zij zijn daar gaan wonen.

19Want de HEERE vernederde Juda, vanwege Achaz, de koning van Israël. Hij had Juda immers van God afgehouden, zodat het trouwbreuk had gepleegd tegen de HEERE.

20Tiglath-Pileser,28:20 Tiglath-Pileser - Hebreeuws: Tillegath-Pilneser. de koning van Assyrië, kwam naar hem toe, dreef hem in het nauw, en steunde hem niet.

21Achaz haalde weliswaar het huis van de HEERE en het huis van de koning en de vorsten leeg,28:21 haalde leeg - Letterlijk: verdeelde. en gaf dat aan de koning van Assyrië, maar dat hielp hem niet.28:21 dat hielp hem niet - Letterlijk: het was hem niet tot hulp.

22Zelfs in de tijd toen men hem in het nauw dreef, ging die koning, Achaz, verder met ontrouw te zijn aan de HEERE.

23Hij offerde aan de goden van Damascus, die hem verslagen hadden, en zei:

28:23
Richt. 16:23
Hab. 1:11
Omdat de goden van de koningen van Syrië hen helpen, zal ik hun offeren, zodat ze ook mij zullen helpen. Ze werden echter hem en heel Israël tot een struikelblok.28:23 tot een struikelblok - Letterlijk: om te laten struikelen.

24Achaz verzamelde de voorwerpen van het huis van God, hakte de voorwerpen van het huis van God in stukken en sloot de deuren van het huis van de HEERE. Verder maakte hij voor zichzelf altaren op elke hoek in Jeruzalem.

25In elke stad in Juda maakte hij offerhoogten om aan andere goden reukoffers te brengen. Zo verwekte hij de HEERE, de God van zijn vaderen, tot toorn.

26Het overige nu van zijn geschiedenis en al zijn wegen, van het begin tot het einde,28:26 van het begin tot het einde - Letterlijk: het eerste en het laatste. zie, dat is beschreven in het boek van de koningen van Juda en Israël.

27En Achaz ging te ruste bij zijn vaderen, en zij begroeven hem in de stad, in Jeruzalem. Zij brachten hem echter niet in de graven van de koningen van Israël, en Hizkia, zijn zoon, werd koning in zijn plaats.