Herziene Statenvertaling (HSV)
24

Joas koning van Juda

241Joas

24:1
2 Kon. 12:1
was zeven jaar oud toen hij koning werd en hij regeerde veertig jaar in Jeruzalem. De naam van zijn moeder was Zibja, uit Berseba.

2Joas deed wat juist was in de ogen van de HEERE, al de dagen van de priester Jojada.

3Jojada nam twee vrouwen voor hem, en hij verwekte zonen en dochters.

4Hierna gebeurde het dat het in het hart van Joas was, het huis van de HEERE te vernieuwen.

5Hij riep de priesters en de Levieten bijeen, en zei tegen hen: Trek naar de steden van Juda, en breng geld van heel Israël bijeen om het huis van uw God te herstellen, wat van jaar tot jaar nodig is. Wat u betreft, zet spoed achter deze zaak. De Levieten haastten zich echter niet.

6En de koning riep Jojada, het hoofd, en zei tegen hem: Waarom hebt u er niet voor gezorgd dat de Levieten uit Juda en uit Jeruzalem de heffing van

24:6
Ex. 30:11,12,13
Mozes, de dienaar van de HEERE en van de gemeente van Israël, voor de tent van de getuigenis bijeenbrengen?

7Want wat Athalia, die goddeloze vrouw, betreft, haar zonen hadden het huis van God opengebroken, ja, zelfs alle geheiligde dingen van het huis van de HEERE voor de Baäls gebruikt.

8Op bevel van de koning24:8 Op bevel van de koning - Letterlijk: en de koning zei. maakten zij een kist en zetten die buiten bij de poort van het huis van de HEERE.

9Men deed een oproep24:9 Men deed een oproep - Letterlijk: men gaf een stem. in Juda en in Jeruzalem dat men voor de HEERE de heffing van Mozes, de dienaar van God, opgelegd aan Israël in de woestijn, bijeen zou brengen.

10Toen verblijdden zich alle leiders en heel het volk, en zij brachten het geld bijeen en wierpen het in de kist, totdat men gereed was.

11Ten tijde dat men de kist door24:11 door - Letterlijk: in de hand van. de Levieten naar de beambte van de koning liet brengen, gebeurde het, als zij zagen dat er veel geld in lag, dat de schrijver van de koning kwam, samen met de opzichter van de hoofdpriester, en dat zij de kist leegmaakten. Vervolgens nam men hem weer op en bracht hem terug naar zijn plaats. Zo deden zij van tijd tot tijd,24:11 van tijd tot tijd - Letterlijk: voor een dag in een dag. en zij verzamelden geld in overvloed.

12De koning en Jojada gaven dat aan hen die het werk van de dienst van het huis van de HEERE deden. Zij huurden steenhouwers en ambachtslieden om het huis van de HEERE te vernieuwen, evenals smeden en kopergieters om het huis van de HEERE te herstellen.

13Zij die het werk deden, gingen aan het werk en onder hun hand vorderde het herstelwerk. Zij herstelden het huis van God in zijn oorspronkelijke staat en versterkten het.

14Toen zij het werk voltooid hadden, brachten zij de rest van het geld bij de koning en Jojada, waarvan hij voorwerpen voor het huis van de HEERE maakte: voorwerpen voor de dienst en de brandoffers, schalen, en gouden en zilveren voorwerpen. Zij brachten voortdurend brandoffers in het huis van de HEERE, al de dagen van Jojada.

15En Jojada werd oud en verzadigd van dagen, en hij stierf. Hij was honderddertig jaar oud, toen hij stierf.

16En zij begroeven hem in de stad van David, bij de koningen, want hij had goedgedaan in Israël, zowel ten aanzien van God als van Zijn huis.

Joas vervalt tot afgoderij

17Na de dood van Jojada kwamen echter de vorsten van Juda, en zij bogen zich neer voor de koning. Toen luisterde de koning naar hen.

18Zij verlieten het huis van de HEERE, de God van hun vaderen, en dienden de gewijde palen en de afgoden. Vanwege deze schuld van hen rustte er grote toorn op Juda en Jeruzalem.

19Hij zond onder hen profeten om hen tot de HEERE te doen terugkeren. Zij waarschuwden hen, maar zij gehoorzaamden hun niet.

20Toen bekleedde de Geest van God Zacharia, de zoon van Jojada, de priester, die hoger dan het volk ging staan, en hij zei tegen hen: Zo zegt God: Waarom overtreedt u de geboden van de HEERE?

24:20
2 Kron. 15:2
Daarom zult u niet voorspoedig zijn. Omdat u de HEERE verlaten hebt, zal Hij u verlaten.

21Zij spanden echter tegen hem samen, en

24:21
Matt. 23:35
stenigden hem op bevel van de koning met stenen in de voorhof van het huis van de HEERE.

22Koning Joas herinnerde zich het gunstbewijs dat zijn vader Jojada aan hem bewezen had, niet, maar doodde zijn zoon, die toen hij stierf, zei: Moge de HEERE het zien en vergelding eisen!

23Daarom gebeurde het bij de wisseling van het jaar, dat het leger van Syrië tegen hem optrok, en zij drongen Juda en Jeruzalem binnen en richtten onder het volk alle leiders van het volk te gronde. Al hun buit stuurden zij naar de koning van Damascus.

24Hoewel het leger van Syrië met weinig mannen kwam, gaf de HEERE toch een zeer groot leger in hun hand, omdat de Judeeërs de HEERE, de God van hun vaderen, verlaten hadden. Zo voltrokken zij strafgerichten aan Joas.

25En toen zij van hem weggetrokken waren – want zij hadden hem ernstig ziek achtergelaten – spanden zijn dienaren, vanwege het bloed van de zonen van de priester Jojada, tegen hem samen, en zij doodden hem op zijn bed, en hij stierf. Zij begroeven hem in de stad van David, maar zij begroeven hem niet in de graven van de koningen.

26

24:26
2 Kon. 12:21
De volgende dienaren zijn het die tegen hem samenspanden: Zabad, de zoon van Simeath, de Ammonitische, en Jozabad, de zoon van Simrith, de Moabitische.

27Wat betreft zijn zonen, en de grootte van de last, hem opgelegd, en het fundament van het huis van God, zie, die zijn beschreven in het verslag van het boek van de koningen. En zijn zoon Amazia werd koning in zijn plaats.

25

Amazia koning van Juda

251Toen Amazia

25:1
2 Kon. 14:1
vijfentwintig jaar oud was, werd hij koning, en hij regeerde negenentwintig jaar in Jeruzalem. De naam van zijn moeder was Joaddan, uit Jeruzalem.

2Hij deed wat juist was in de ogen van de HEERE, alleen niet met een volkomen hart.

3Het gebeurde nu, toen bij hem het koningschap stevig in handen was, dat hij zijn dienaren die de koning, zijn vader, hadden gedood, liet doden.

4Maar hun kinderen bracht hij niet ter dood, maar hij deed zoals geschreven staat in de wet,

25:4
Deut. 24:16
2 Kon. 14:6
Jer. 31:30
Ezech. 18:20
in het boek van Mozes, waar de HEERE geboden heeft: De vaders mogen niet ter dood gebracht worden om de kinderen en de kinderen mogen niet ter dood gebracht worden om de vaders, maar ieder zal om zijn eigen zonde ter dood gebracht worden.

5Toen riep Amazia Juda bijeen, en stelde hen op, ingedeeld naar families, met bevelhebbers over duizend en bevelhebbers over honderd, uit heel Juda en Benjamin. Hij monsterde hen, van twintig jaar oud en daarboven, en trof driehonderdduizend van de beste mannen aan, die met het leger uittrokken, die speer en schild hanteerden.

6Bovendien huurde hij van Israël honderdduizend dappere helden in voor honderd talent25:6 Een talent is ongeveer 30 kilo; zie ook vers 9. zilver.

7Toen kwam er een man Gods naar hem toe, die zei: Koning, laat het leger van Israël niet met u meegaan, want de HEERE is niet met Israël, met al die nakomelingen van Efraïm.

8Maar als u wilt gaan, doe het dan en wees sterk voor de strijd. God zal u echter laten struikelen voor de vijand, want in God is kracht om te helpen en om te laten struikelen.

9Toen zei Amazia tegen de man Gods: Maar wat dan te doen met de honderd talent die ik aan de troepen van Israël gegeven heb? Daarop zei de man Gods: De HEERE heeft u veel meer te geven dan dit.

10Toen zonderde Amazia de troepen die uit Efraïm bij hem gekomen waren, af, zodat zij naar hun woonplaats zouden gaan. Daarom ontstaken zij in hevige woede tegen Juda, en zij keerden in brandende toorn terug naar hun woonplaats.

Amazia overwint de Edomieten

11Amazia vatte moed en leidde zijn volk weg en ging het Zoutdal in; hij versloeg van de Seïrieten tienduizend man.

12Verder voerden de Judeeërs nog tienduizend anderen als gevangenen levend weg, brachten hen naar de top van de rots, en wierpen hen van de top van de rots af, zodat zij allen opengereten werden.

13Maar de mannen van de troepen die Amazia had laten terugkeren, zodat zij niet met hem ten strijde zouden trekken, overvielen de steden van Juda, vanaf Samaria tot Beth-Horon toe; zij versloegen van hen drieduizend man, en roofden veel buit.

14Nadat Amazia van het verslaan van de Edomieten teruggekomen was, gebeurde het dat hij de goden van de Seïrieten meebracht en die voor zichzelf als goden opstelde; hij boog zich voor hen neer en bracht reukoffers aan hen.

15Toen ontbrandde de toorn van de HEERE tegen Amazia. Hij zond een profeet naar hem toe, die tegen hem zei: Waarom hebt u de goden van dat volk gezocht, die hun eigen volk niet uit uw hand gered hebben?

16Het gebeurde echter toen deze tot hem sprak, dat hij tegen hem zei: Heeft men u tot raadgever van de koning aangesteld? Houdt u daarmee op! Waarom zou men u doden? Toen hield de profeet op, en zei: Ik merk dat God besloten heeft u te gronde te richten, omdat u dit gedaan hebt en niet naar mijn raad hebt geluisterd.

17

25:17
2 Kon. 14:8
Toen pleegde Amazia, de koning van Juda overleg en stuurde boden naar Joas, de zoon van Joahaz, de zoon van Jehu, de koning van Israël, om te zeggen: Kom, laten wij ons met elkaar meten!25:17 laten … meten! - Letterlijk: laten wij elkaars gezichten zien! Zie ook vers 21.

18Maar Joas, de koning van Israël, stuurde Amazia, de koning van Juda, deze boodschap: De

25:18
Richt. 9:8
distel die op de Libanon groeit, stuurde de ceder die op de Libanon groeit, deze boodschap: Geef uw dochter aan mijn zoon tot vrouw. Maar de dieren van het veld die op de Libanon zijn, kwamen voorbij en vertrapten de distel.

19U zegt tegen uzelf: Zie, u hebt Edom verslagen. Daarom is uw hart overmoedig25:19 is … overmoedig - Letterlijk: heeft uw hart u verheven. door nog meer eer te zoeken. Nu, blijf in uw huis. Waarom zou u zich in het onheil storten, zodat u ten val komt, u en Juda met u?

20Maar Amazia luisterde niet, want dit kwam van God om hen in hun hand te geven, omdat zij de goden van Edom gezocht hadden.

21Daarom trok Joas, de koning van Israël, op, zodat hij en Amazia, de koning van Juda, zich in Beth-Semes, dat Juda toebehoort, met elkaar maten.

22En Juda werd door Israël verslagen, en zij vluchtten, ieder naar zijn tent.

23En Joas, de koning van Israël, greep Amazia, de koning van Juda, de zoon van Joas, de zoon van Joahaz, in Beth-Semes. Hij bracht hem in Jeruzalem, en

25:23
2 Kron. 32:5
sloeg een bres in de muur van Jeruzalem, van de Efraïmpoort tot aan de Hoekpoort, vierhonderd el lang.

24En hij nam al het goud en het zilver mee, en al de voorwerpen die werden aangetroffen in het huis van God bij Obed-Edom, en de schatten van het huis van de koning, en ook gijzelaars. Daarna keerde hij terug naar Samaria.

25Amazia, de zoon van Joas, koning van Juda, leefde na de dood van Joas, de zoon van Joahaz, de koning van Israël, nog vijftien jaar.

26

25:26
2 Kon. 14:18
Het overige nu van de geschiedenis van Amazia, van het begin tot het einde,25:26 van het begin tot het einde - Letterlijk: het eerste en het laatste. zie, is dat niet beschreven in het boek van de koningen van Juda en Israël?

27Vanaf de tijd dat Amazia van achter de HEERE afweek, smeedde men een samenzwering tegen hem in Jeruzalem, zodat hij naar Lachis vluchtte; maar zij stuurden mannen achter hem aan tot Lachis en doodden hem daar.

28Zij brachten hem over met paarden en zij begroeven hem bij zijn vaderen, in de stad van Juda.

26

Uzzia koning van Juda

261Toen

26:1
2 Kon. 14:21
nam heel het volk van Juda Uzzia, die toen zestien jaar oud was, en maakte hem koning in de plaats van zijn vader Amazia.

2

26:2
2 Kon. 14:22
Hij was het die Eloth uitbouwde en het aan Juda terugbracht, nadat de koning bij zijn vaderen te ruste gegaan was.

3Uzzia was

26:3
2 Kon. 15:2
zestien jaar oud toen hij koning werd, en hij regeerde tweeënvijftig jaar in Jeruzalem. De naam van zijn moeder was Jecholia, uit Jeruzalem.

4Hij deed wat juist was in de ogen van de HEERE, overeenkomstig alles wat zijn vader Amazia gedaan had.

5Het was in de dagen van Zacharia, die Uzzia leerde op God te zien, om God te zoeken. In de dagen dat hij de HEERE zocht, maakte God hem voorspoedig.

6Hij trok eropuit en streed tegen de Filistijnen. Hij sloeg een bres in de muur van Gath, de muur van Jabne en de muur van Asdod, en bouwde steden bij Asdod en in het gebied van de Filistijnen.

7God hielp hem tegen de Filistijnen, en tegen de Arabieren die in Gur-Baäl woonden, en tegen de Meünieten.

8De Ammonieten gaven Uzzia schatting en zijn naam verbreidde zich26:8 verbreidde zich - Letterlijk: ging. tot waar men in Egypte komt, want hij werd buitengewoon sterk.

9In Jeruzalem bouwde Uzzia torens, aan de Hoekpoort, aan de Dalpoort en aan de Punt, en hij versterkte ze.

10Hij bouwde ook torens in de woestijn, en hakte veel putten uit, omdat hij veel vee had, zowel in het Laagland als op de hoogvlakte. Hij had akkerbouwers en wijnbouwers op de bergen en op de vruchtbare velden, want hij was een liefhebber van de landbouw.

11Verder had Uzzia een leger dat geoefend was voor de oorlog en dat ten strijde trok, ingedeeld in zoveel troepen als er aangenomen waren26:11 in zoveel troepen … waren - Letterlijk: per troep in het aantal van hun monstering. door de dienst van Jeïel, de schrijver, en Maäseja, de beambte, onder leiding26:11 onder leiding - Letterlijk: in de hand. van Hananja, een van de vorsten van de koning.

12Het volledige aantal van de familiehoofden, van de strijdbare helden, was tweeduizend zeshonderd man.

13Onder hun bevel stond een legermacht van driehonderdzevenduizend vijfhonderd man, vol kracht26:13 vol kracht - Letterlijk: met kracht van vermogen. en geoefend in de strijd, om de koning tegen de vijand te helpen.

14En Uzzia voorzag hen, heel het leger, van schilden, speren, helmen, harnassen en bogen, en zelfs slingerstenen.

15In Jeruzalem maakte hij oorlogswerktuigen – het ontwerp van een vindingrijk iemand – die opgesteld werden op de torens en op de hoeken om er pijlen en grote stenen mee af te schieten. Zo werd zijn naam wijd en zijd verbreid,26:15 Zo werd zijn naam wijd en zijd verbreid - Letterlijk: Zijn naam ging tot van ver weg uit. want hij werd wonderlijk geholpen, totdat hij sterk was geworden.

16Maar toen hij sterk geworden was, werd zijn hart hoogmoedig, tot zijn eigen verderf. Hij werd ontrouw aan de HEERE, zijn God. Hij ging namelijk de tempel van de HEERE binnen om reukwerk in rook te laten opgaan op het reukofferaltaar.

17Maar de priester Azaria ging hem achterna, en met hem de priesters van de HEERE, tachtig dappere mannen.

18Zij gingen voor koning Uzzia staan en zeiden tegen hem: U komt het niet toe, Uzzia, om voor de HEERE reukwerk in rook te laten opgaan, maar het is aan de priesters, de nakomelingen van Aäron, die geheiligd zijn om reukwerk in rook te laten opgaan. Ga het heiligdom uit, want u bent ontrouw geweest, en het zal voor u niet tot eer zijn van de HEERE God.

Uzzia melaats

19Toen werd Uzzia woedend; het wierookvat was in zijn hand om reukwerk in rook te laten opgaan. En terwijl hij woedend was op de priesters, verscheen de melaatsheid op zijn voorhoofd, voor de ogen van de priesters, in het huis van de HEERE, bij het reukofferaltaar.

20Toen keerde de hoofdpriester Azaria zich naar hem toe, en al de priesters, en zie, hij was melaats aan zijn voorhoofd. En zij verdreven hem haastig daarvandaan, ja, ook hijzelf haastte zich om naar buiten te gaan, omdat de HEERE hem getroffen had.

21

26:21
2 Kon. 15:5
Koning Uzzia was melaats tot aan de dag van zijn dood. Hij woonde, omdat hij melaats was, in een apart staand huis, want hij was van het huis van de HEERE afgesneden. Jotham, zijn zoon, was aangesteld over het huis van de koning, en gaf leiding aan de bevolking van het land.

22Het overige nu van de geschiedenis van Uzzia, van het begin tot het einde,26:22 van het begin tot het einde - Letterlijk: het eerste en het laatste. heeft de profeet Jesaja, de zoon van Amoz, beschreven.

23Uzzia ging te ruste bij zijn vaderen en zij begroeven hem bij zijn vaderen, op het veld bij het graf dat van de koningen was, want zij zeiden: Hij is melaats. En zijn zoon Jotham werd koning in zijn plaats.