Herziene Statenvertaling (HSV)
22

Ahazia koning van Juda

221En

22:1
2 Kon. 8:24,25
de inwoners van Jeruzalem maakten zijn jongste zoon Ahazia koning in zijn plaats, omdat de bende die met de Arabieren in het legerkamp gekomen was, al de oudere broers had gedood. Zo werd Ahazia, de zoon van Jehoram, koning van Juda, koning.

2Ahazia was tweeënveertig jaar oud toen hij koning werd, en hij regeerde één jaar in Jeruzalem. De naam van zijn moeder was Athalia, de dochter van Omri.

3Ook hij ging in de wegen van het huis van Achab, want zijn moeder was zijn raadgeefster in het goddeloos handelen,

4en hij deed wat slecht was in de ogen van de HEERE, zoals het huis van Achab; zij waren immers zijn raadgevers na de dood van zijn vader, tot zijn verderf.

5Ook ging hij op hun raad op weg met Joram, de zoon van Achab, de koning van Israël,

22:5
2 Kon. 8:28
en hij trok ten strijde naar Ramoth in Gilead tegen Hazaël, de koning van Syrië; en de Syriërs versloegen Joram.

6Daarop keerde hij terug om in Jizreël te genezen, want hij had verwondingen die de Syriërs hem te Rama toegebracht hadden, toen hij streed tegen Hazaël, de koning van Syrië. En Azaria, de zoon van Jehoram, de koning van Juda, kwam om Joram, de zoon van Achab, in Jizreël te zien, want hij was ziek.

7Door de beschikking van God werd het echter de ondergang van Ahazia door naar Joram te gaan. Toen hij bij hem aangekomen was, trok hij er met Joram op uit naar Jehu, de zoon van Nimsi, die de HEERE gezalfd had om het huis van Achab uit te roeien.

8Zo gebeurde het, toen Jehu het vonnis uitvoerde tegen het huis van Achab, dat hij de vorsten van Juda en de zonen van de broers van Ahazia, die Ahazia dienden, vond en

22:8
2 Kon. 10:14
hen doodde.

9

22:9
2 Kon. 9:27
Daarna zocht hij Ahazia, en zij namen hem gevangen toen hij zich had schuilgehouden in Samaria. En zij brachten hem naar Jehu en doodden hem. Wel begroeven zij hem, want zij zeiden: Hij is de zoon van Josafat, die de HEERE met heel zijn hart gezocht heeft. Toen had het huis van Ahazia niemand meer die krachtig genoeg was22:9 krachtig genoeg was - Letterlijk: kracht had. voor het koningschap.

Athalia en Joas

10Toen Athalia, de moeder van Ahazia, zag dat haar zoon dood was, stond zij op en bracht heel het koninklijk nageslacht van het huis van Juda om.

11Maar Josabat, de dochter van de koning, nam Joas, de zoon van Ahazia, en nam hem weg uit het midden van de koningszonen die ter dood gebracht werden, en bracht hem en zijn voedster naar de linnenkamer. En Josabat, de dochter van koning Jehoram, de vrouw van de priester Jojada – zij was namelijk de zuster van Ahazia – verborg hem voor Athalia, zodat zij hem niet doodde.

12Hij bleef zes jaar bij hen verborgen in het huis van God, terwijl Athalia over het land regeerde.

23

Joas tot koning uitgeroepen

231In het zevende jaar verstevigde Jojada zijn positie, en hij betrok de bevelhebbers over honderd, Azarja, de zoon van Jeroham, Ismaël, de zoon van Johanan, Azarja, de zoon van Obed, Maäseja, de zoon van Adaja, en Elisafat, de zoon van Zichri, met zich in een verbond.

2Zij trokken rond in Juda en brachten de Levieten uit alle steden van Juda en de familiehoofden van Israël bijeen, en zij kwamen naar Jeruzalem.

3En heel de gemeente sloot een verbond met de koning in het huis van God. Jojada zei tegen hen: Zie, de zoon van de koning zal koning worden,

23:3
2 Sam. 7:13
2 Kron. 21:7
zoals de HEERE met betrekking tot de zonen van David gesproken heeft.

4

23:4
2 Kon. 11:5
Dit is de zaak die u doen moet: een derde deel van u die op de sabbat dienst gaan doen,23:4 dienst gaan doen - Letterlijk: komen; zie ook vers 8. zowel wat de priesters als de Levieten betreft, moeten als deurwachters dienen.

5Een derde deel moet bij het huis van de koning gaan staan, een derde deel bij de Fundamentpoort, en heel het volk in de voorhoven van het huis van de HEERE.

6Niemand mag echter het huis van de HEERE binnengaan, behalve de priesters en de Levieten die dienstdoen. Zíj mogen naar binnen gaan, want zij zijn heilig, maar heel het volk moet de voorschriften van de HEERE in acht nemen.

7De Levieten moeten de koning rondom omringen, ieder met zijn wapens in zijn hand; wie het huis binnenkomt, moet ter dood gebracht worden. U moet bij de koning blijven, waar hij ook gaat of staat.23:7 waar … staat - Letterlijk: wanneer hij naar binnen gaat en wanneer hij naar buiten gaat.

8De Levieten en heel Juda deden overeenkomstig alles wat de priester Jojada geboden had, en ieder nam zijn mannen die op de sabbat dienst gingen doen mee, met hen die op de sabbat afgelost werden, want de priester Jojada had de afdelingen geen verlof gegeven.

9De priester Jojada gaf de bevelhebbers over honderd de speren, de kleine schilden en de gewone schilden die van koning David geweest waren, die in het huis van God waren.

10En hij stelde heel het volk op rondom de koning, ieder met zijn wapens in zijn hand, van de rechterzijde van het huis tot de linkerzijde van het huis, in de richting van het altaar en in de richting van het huis.

11Daarna brachten zij de zoon van de koning naar buiten, zetten hem de diadeem op en gaven hem de getuigenis. Zij maakten hem koning en Jojada en zijn zonen zalfden hem en zeiden: Leve de koning!

12Toen Athalia het geluid hoorde van het volk, dat snel kwam toelopen en de koning toejuichte, kwam zij naar het volk in het huis van de HEERE.

13En zij zag, en zie, de koning stond bij zijn pilaar bij de ingang, en bij de koning de bevelhebbers en de trompetten; en de hele bevolking van het land was blij en blies met trompetten, en de zangers stonden er met hun muziekinstrumenten en gaven te kennen de HEERE te willen prijzen. Toen scheurde Athalia haar kleren en riep: Verraad, verraad!

14Maar de priester Jojada liet de bevelhebbers over honderd, die over het leger aangesteld waren, naar buiten gaan en zei tegen hen: Breng haar buiten de gelederen en dood wie haar volgt met het zwaard. Want de priester had gezegd: U mag haar niet in het huis van de HEERE ter dood brengen.

15Daarop sloegen zij de handen aan haar. Zij was bij de ingang van de Paardenpoort in het huis van de koning gekomen en zij doodden haar daar.

16En Jojada sloot een verbond tussen Hem,23:16 Hem - D.w.z. de HEERE (vgl. 2 Kon. 11:17). Of: hem, d.w.z. de priester Jojada. heel het volk en de koning, om een volk voor de HEERE te zijn.

17

23:17
2 Kon. 11:18
Daarna ging heel het volk naar het huis van de Baäl en brak dat af; zijn altaren en zijn beelden braken zij in stukken. Mattan, de priester van de Baäl,
23:17
Deut. 13:9
doodden zij voor de altaren.

18Jojada stelde de ambten van het huis van de HEERE weer onder de leiding23:18 onder de leiding - Letterlijk: in de hand. van de Levitische priesters

23:18
1 Kron. 23
24
25
26
die David over het huis van de HEERE verdeeld had om de brandoffers van de HEERE te brengen, zoals beschreven staat in de
23:18
Lev. 1:3
wet van Mozes, met blijdschap en met een lied, volgens de instelling van David.

19En hij stelde de poortwachters aan bij de poorten van het huis van de HEERE, zodat niemand die om welke reden dan ook onrein was, binnen kon komen.

20Hij nam de bevelhebbers over honderd, de vooraanstaanden, de heersers over het volk, en de hele bevolking van het land met zich mee. Zij haalden de koning uit het huis van de HEERE, kwamen door de Hoge Poort in het huis van de koning en lieten de koning plaatsnemen op de koningstroon.

21En de hele bevolking van het land was blij, en de stad had rust, nadat zij Athalia met het zwaard gedood hadden.

24

Joas koning van Juda

241Joas

24:1
2 Kon. 12:1
was zeven jaar oud toen hij koning werd en hij regeerde veertig jaar in Jeruzalem. De naam van zijn moeder was Zibja, uit Berseba.

2Joas deed wat juist was in de ogen van de HEERE, al de dagen van de priester Jojada.

3Jojada nam twee vrouwen voor hem, en hij verwekte zonen en dochters.

4Hierna gebeurde het dat het in het hart van Joas was, het huis van de HEERE te vernieuwen.

5Hij riep de priesters en de Levieten bijeen, en zei tegen hen: Trek naar de steden van Juda, en breng geld van heel Israël bijeen om het huis van uw God te herstellen, wat van jaar tot jaar nodig is. Wat u betreft, zet spoed achter deze zaak. De Levieten haastten zich echter niet.

6En de koning riep Jojada, het hoofd, en zei tegen hem: Waarom hebt u er niet voor gezorgd dat de Levieten uit Juda en uit Jeruzalem de heffing van

24:6
Ex. 30:11,12,13
Mozes, de dienaar van de HEERE en van de gemeente van Israël, voor de tent van de getuigenis bijeenbrengen?

7Want wat Athalia, die goddeloze vrouw, betreft, haar zonen hadden het huis van God opengebroken, ja, zelfs alle geheiligde dingen van het huis van de HEERE voor de Baäls gebruikt.

8Op bevel van de koning24:8 Op bevel van de koning - Letterlijk: en de koning zei. maakten zij een kist en zetten die buiten bij de poort van het huis van de HEERE.

9Men deed een oproep24:9 Men deed een oproep - Letterlijk: men gaf een stem. in Juda en in Jeruzalem dat men voor de HEERE de heffing van Mozes, de dienaar van God, opgelegd aan Israël in de woestijn, bijeen zou brengen.

10Toen verblijdden zich alle leiders en heel het volk, en zij brachten het geld bijeen en wierpen het in de kist, totdat men gereed was.

11Ten tijde dat men de kist door24:11 door - Letterlijk: in de hand van. de Levieten naar de beambte van de koning liet brengen, gebeurde het, als zij zagen dat er veel geld in lag, dat de schrijver van de koning kwam, samen met de opzichter van de hoofdpriester, en dat zij de kist leegmaakten. Vervolgens nam men hem weer op en bracht hem terug naar zijn plaats. Zo deden zij van tijd tot tijd,24:11 van tijd tot tijd - Letterlijk: voor een dag in een dag. en zij verzamelden geld in overvloed.

12De koning en Jojada gaven dat aan hen die het werk van de dienst van het huis van de HEERE deden. Zij huurden steenhouwers en ambachtslieden om het huis van de HEERE te vernieuwen, evenals smeden en kopergieters om het huis van de HEERE te herstellen.

13Zij die het werk deden, gingen aan het werk en onder hun hand vorderde het herstelwerk. Zij herstelden het huis van God in zijn oorspronkelijke staat en versterkten het.

14Toen zij het werk voltooid hadden, brachten zij de rest van het geld bij de koning en Jojada, waarvan hij voorwerpen voor het huis van de HEERE maakte: voorwerpen voor de dienst en de brandoffers, schalen, en gouden en zilveren voorwerpen. Zij brachten voortdurend brandoffers in het huis van de HEERE, al de dagen van Jojada.

15En Jojada werd oud en verzadigd van dagen, en hij stierf. Hij was honderddertig jaar oud, toen hij stierf.

16En zij begroeven hem in de stad van David, bij de koningen, want hij had goedgedaan in Israël, zowel ten aanzien van God als van Zijn huis.

Joas vervalt tot afgoderij

17Na de dood van Jojada kwamen echter de vorsten van Juda, en zij bogen zich neer voor de koning. Toen luisterde de koning naar hen.

18Zij verlieten het huis van de HEERE, de God van hun vaderen, en dienden de gewijde palen en de afgoden. Vanwege deze schuld van hen rustte er grote toorn op Juda en Jeruzalem.

19Hij zond onder hen profeten om hen tot de HEERE te doen terugkeren. Zij waarschuwden hen, maar zij gehoorzaamden hun niet.

20Toen bekleedde de Geest van God Zacharia, de zoon van Jojada, de priester, die hoger dan het volk ging staan, en hij zei tegen hen: Zo zegt God: Waarom overtreedt u de geboden van de HEERE?

24:20
2 Kron. 15:2
Daarom zult u niet voorspoedig zijn. Omdat u de HEERE verlaten hebt, zal Hij u verlaten.

21Zij spanden echter tegen hem samen, en

24:21
Matt. 23:35
stenigden hem op bevel van de koning met stenen in de voorhof van het huis van de HEERE.

22Koning Joas herinnerde zich het gunstbewijs dat zijn vader Jojada aan hem bewezen had, niet, maar doodde zijn zoon, die toen hij stierf, zei: Moge de HEERE het zien en vergelding eisen!

23Daarom gebeurde het bij de wisseling van het jaar, dat het leger van Syrië tegen hem optrok, en zij drongen Juda en Jeruzalem binnen en richtten onder het volk alle leiders van het volk te gronde. Al hun buit stuurden zij naar de koning van Damascus.

24Hoewel het leger van Syrië met weinig mannen kwam, gaf de HEERE toch een zeer groot leger in hun hand, omdat de Judeeërs de HEERE, de God van hun vaderen, verlaten hadden. Zo voltrokken zij strafgerichten aan Joas.

25En toen zij van hem weggetrokken waren – want zij hadden hem ernstig ziek achtergelaten – spanden zijn dienaren, vanwege het bloed van de zonen van de priester Jojada, tegen hem samen, en zij doodden hem op zijn bed, en hij stierf. Zij begroeven hem in de stad van David, maar zij begroeven hem niet in de graven van de koningen.

26

24:26
2 Kon. 12:21
De volgende dienaren zijn het die tegen hem samenspanden: Zabad, de zoon van Simeath, de Ammonitische, en Jozabad, de zoon van Simrith, de Moabitische.

27Wat betreft zijn zonen, en de grootte van de last, hem opgelegd, en het fundament van het huis van God, zie, die zijn beschreven in het verslag van het boek van de koningen. En zijn zoon Amazia werd koning in zijn plaats.