Herziene Statenvertaling (HSV)
19

Josafat bestraft

191En Josafat, de koning van Juda, keerde in vrede terug naar zijn huis in Jeruzalem.

2En Jehu, de zoon van Hanani, de ziener, kwam naar buiten, hem tegemoet, en zei tegen koning Josafat: Moest u de goddeloze helpen en hen die de HEERE haten, liefhebben? Hierom rust op u grote toorn van voor het aangezicht van de HEERE.

3Toch zijn er ook goede dingen bij u gevonden,

19:3
2 Kron. 17:4,6
want u hebt de gewijde palen uit het land weggedaan, en uw hart erop gericht om God te zoeken.

Josafat herstelt de rechtspraak

4Josafat woonde in Jeruzalem. Opnieuw trok hij eropuit onder het volk, vanaf Berseba tot het bergland van Efraïm toe, en deed hen terugkeren tot de HEERE, de God van hun vaderen.

5En hij stelde rechters aan in het land, in alle versterkte steden van Juda, van stad tot stad.

6Hij zei tegen de rechters: Let op wat u doet, want u oordeelt niet voor een mens, maar voor de HEERE. Hij is bij u als u rechtspreekt.19:6 als u rechtspreekt - Letterlijk: in het woord van oordeel.

7Nu dan, laat grote vrees voor de HEERE over u komen; neem uw plichten waar, en doe ze,

19:7
Deut. 32:4
Rom. 9:14
want bij de HEERE, onze God, is geen onrecht,
19:7
Deut. 10:17
Job 34:19
Hand. 10:34
Rom. 2:11
Gal. 2:6
Efez. 6:9
Kol. 3:25
1 Petr. 1:17
geen partijdigheid19:7 partijdigheid - Letterlijk: verheffing van gezichten. of aanneming van geschenken.

8Bovendien stelde Josafat in Jeruzalem enkelen van de Levieten en de priesters, en enkelen van de familiehoofden van Israël aan voor de rechtspraak van de HEERE en voor de rechtszaken van de inwoners van19:8 van de inwoners van - De Hebreeuwse tekst is hier onduidelijk. Ook mogelijk is de vertaling: ‘en zij woonden in’ of ‘zij keerden terug in’. Jeruzalem.

9Hij gebood hun: Dit moet u in de vreze des HEEREN, in trouw en met een volkomen hart doen.

10En bij elk geschil dat door uw broeders die in hun steden wonen, aan u wordt voorgelegd over bloedschuld,19:10 aan u … over bloedschuld - Letterlijk: tot u komt tussen bloed voor bloed. over wet en gebod, verordeningen en bepalingen, moet u hen waarschuwen, zodat zij niet schuldig worden tegenover de HEERE, en er grote toorn op u en op uw broeders rust. Als u zo handelt, zult u niet schuldig worden.

11En zie, de hoofdpriester Amarja staat boven u voor elke zaak die de HEERE betreft, en Zebadja, de zoon van Ismaël, de leider van het huis van Juda, voor elke zaak die de koning betreft. En als beambten staan de Levieten u ter beschikking.19:11 u ter beschikking - Letterlijk: voor uw gezicht. Wees sterk en handel zo, en de HEERE zal zijn bij hem die goed is.

20

Josafat in nood

201Hierna gebeurde het dat de Moabieten en de Ammonieten, en met hen een deel van de Meünieten,20:1 Meünieten - Hebreeuws: Ammoni. ten strijde trokken tegen Josafat.

2Toen kwam men Josafat de boodschap brengen: Er komt een grote troepenmacht op u af van de overkant van de zee, uit Syrië, en zie, zij zijn bij Hazezon-Thamar. (Dat is Engedi.)

3Josafat werd bevreesd en hij richtte zich20:3 zich - Letterlijk: zijn gezicht. erop om de HEERE te zoeken. Hij riep een vasten uit in heel Juda.

4En Juda werd bijeengeroepen om bij de HEERE hulp te zoeken. Zij kwamen zelfs uit alle steden van Juda om de HEERE te raadplegen.

5Toen ging Josafat tussen20:5 tussen - Letterlijk: in. de gemeente van Juda en Jeruzalem staan, in het huis van de HEERE, vóór de nieuwe voorhof,

6en zei: HEERE, God van onze vaderen, bent U niet die God Die in de hemel is? Ja, U bent de Heerser over alle koninkrijken van de heidenvolken.

20:6
1 Kron. 29:12
Matt. 6:13
In Uw hand is kracht en sterkte, zodat niemand tegen U kan standhouden.

7Hebt U, onze God, niet de inwoners van dit land van voor de ogen van Uw volk Israël verdreven, en dat voor eeuwig aan het nageslacht van Abraham, die U liefhad, gegeven?

8Zij zijn daarin gaan wonen en hebben daar voor U een heiligdom gebouwd, voor Uw Naam, en gezegd:

9

20:9
1 Kon. 8:33,34,352 Kron. 6:28
7:13
Als ons enig onheil overkomt, het zwaard van het gericht, de pest of een hongersnood, zullen wij voor dit huis en voor Uw aangezicht staan, omdat Uw Naam in dit huis is. Wij zullen uit onze benauwdheid tot U roepen, en U zult verhoren en verlossen.

10Welnu, zie de Ammonieten, Moab en de bewoners van het Seïrgebergte, tegen wie U Israël niet toestond op te trekken toen zij uit het land Egypte kwamen. Daarom trokken zij bij hen vandaan en vaagden hen niet weg,

11en zie, zij vergelden het ons, door ons te komen verdrijven uit Uw bezit dat U ons in bezit hebt gegeven.

12Onze God, zult U geen gericht over hen oefenen? In ons is immers geen kracht tegen deze grote troepenmacht die op ons af komt, en wij weten niet, wat wij moeten doen, maar op U zijn onze ogen gericht.

13Heel Juda stond voor het aangezicht van de HEERE, ook hun kleine kinderen, hun vrouwen en hun zonen.

14Toen kwam de Geest van de HEERE in het midden van de gemeente op Jahaziël, de zoon van Zecharja, de zoon van Benaja, de zoon van Jeïel, de zoon van Mattanja, de Leviet, uit de zonen van Asaf,

15en hij zei: Sla er acht op, heel Juda, inwoners van Jeruzalem, en u, koning Josafat! Zo zegt de HEERE tegen u:

20:15
Ex. 14:13
Weest u niet bevreesd en wees niet ontsteld vanwege deze grote troepenmacht, want niet aan u is de strijd, maar aan God.

16Ga morgen op hen af. Zie, zij trekken nu over de pas van Ziz. U zult hen aantreffen aan het einde van het dal, vóór de woestijn van Jeruel.

17Het is niet aan u in deze oorlog te strijden. Stel uzelf op, blijf staan en zie het heil van de HEERE dat met u is, Juda en Jeruzalem. Wees niet bevreesd en wees niet ontsteld. Trek morgen tegen hen op, want de HEERE zal met u zijn.

18Toen boog Josafat zich met het gezicht ter aarde, en heel Juda en de inwoners van Jeruzalem vielen voor het aangezicht van de HEERE neer en bogen zich neer voor de HEERE.

19En de Levieten van de nakomelingen van de Kahathieten, en van de nakomelingen van de Korachieten, stonden op om de HEERE, de God van Israël, met luide stem ten hoogste te prijzen.

De overwinning dankzij God

20De volgende morgen stonden zij vroeg op, en vertrokken naar de woestijn van Tekoa. Toen zij vertrokken, bleef Josafat staan en zei: Luister naar mij, Juda, en u, inwoners van Jeruzalem. Vertrouw op de HEERE, uw God, dan zult u standhouden. Vertrouw op Zijn profeten, dan zult u voorspoedig zijn.

21Hij pleegde overleg met het volk en stelde voor de HEERE zangers aan en mensen die de heilige Majesteit prijzen zouden, terwijl zij voor de gewapende mannen uit trokken en zeiden:

Loof de HEERE,

want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig!

22Juist op de tijd dat zij met gejuich en lofzang begonnen,

20:22
Richt. 7:22
1 Sam. 14:20
legde de HEERE hinderlagen tegen de Ammonieten, Moab en de bewoners van het Seïrgebergte die op Juda waren afgekomen, en zij werden verslagen.

23De Ammonieten en Moab vielen namelijk de bewoners van het Seïrgebergte aan door hen met de ban te slaan en hen weg te vagen. Zodra zij de bewoners van Seïr hadden vernietigd, hielpen zij elkaar in het verderf.

24Toen Juda bij het uitkijkpunt in de woestijn gekomen was, keerden zij zich naar de troepenmacht. En zie, het waren dode lichamen, ter aarde neergevallen, en niemand was ontkomen.

25Toen Josafat en zijn volk aankwamen om hun buit te roven, troffen zij een grote hoeveelheid lastdieren, bezittingen, kleding en kostbare voorwerpen bij hen aan, en zij plunderden voor zichzelf zoveel, dat zij het niet meer dragen konden. Drie dagen lang roofden zij de buit, zo groot was die.

26Op de vierde dag kwamen zij bijeen in Emek-Beracha. Omdat zij daar de HEERE loofden, gaven zij deze plaats de naam Emek-Beracha.20:26 Emek-Beracha betekent: ‘dal van de lof’ of ‘dal van de zegen’. Tot op deze dag heet die zo.

27Toen keerden alle mannen van Juda en Jeruzalem om, met Josafat aan het hoofd van hen, om met blijdschap naar Jeruzalem terug te keren, want de HEERE had hen verblijd over hun vijanden.

28Zij kwamen in Jeruzalem aan met luiten, met harpen en met trompetten, en gingen naar het huis van de HEERE.

29Grote vrees voor God kwam over alle koninkrijken van de landen, toen zij hoorden dat de HEERE tegen de vijanden van Israël gestreden had,

30en het koninkrijk van Josafat had rust, want zijn God gaf hem rust van rondom.

Einde van de regering van Josafat

31Zo was Josafat koning over Juda. Hij was

20:31
1 Kon. 22:42
vijfendertig jaar oud toen hij koning werd, en hij regeerde vijfentwintig jaar in Jeruzalem. De naam van zijn moeder was Azuba, de dochter van Silchi.

32Hij ging in de weg van zijn vader Asa. Hij week daarvan niet af, en deed wat juist was in de ogen van de HEERE.

33Alleen werden de offerhoogten niet weggenomen en het volk had zijn hart nog niet gericht op de God van zijn vaderen.

34Het overige nu van de geschiedenis van Josafat, van het begin tot het einde,20:34 van het begin tot het einde - Letterlijk: het eerste en het laatste. zie, dat is beschreven in de geschiedenis van Jehu, de zoon van Hanani, die opgenomen werd in het boek van de koningen van Israël.

35Hierna is Josafat, de koning van Juda, een verbintenis aangegaan met Ahazia, de koning van Israël. Hij was het die goddeloos handelde in zijn doen.

36Hij ging een verbintenis met hem aan om schepen te bouwen

20:36
1 Kon. 22:49
om naar Tarsis te varen. Zij bouwden schepen in Ezeon-Geber.

37Maar Eliëzer, de zoon van Dodava, uit Maresa, profeteerde tegen Josafat: Omdat u een verbintenis aangegaan bent met Ahazia, heeft de HEERE uw werken afgebroken. Toen leden de schepen schipbreuk20:37 leden de schepen schipbreuk - Letterlijk: werden de schepen in stukken gebroken. en konden zij niet naar Tarsis varen.

21

Jehoram koning van Juda

211En Josafat

21:1
1 Kon. 22:51
2 Kon. 8:16
ging te ruste bij zijn vaderen, en werd bij zijn vaderen begraven in de stad van David, en zijn zoon Jehoram werd koning in zijn plaats.

2Hij had broers, zonen van Josafat, namelijk: Azaria, Jehiël, Zecharja, en Azarja, Michaël en Sefatja. Dit waren allemaal zonen van Josafat, de koning van Israël.

3Hun vader had aan hen veel geschenken van zilver, van goud en van kostbaarheden gegeven, met versterkte steden in Juda. Het koningschap gaf hij aan Jehoram, omdat hij de eerstgeborene was.

4Toen Jehoram het koningschap van zijn vader overgenomen had,21:4 het koningschap van zijn vader overgenomen had - Letterlijk: over het koningschap van zijn vader opgestaan was. en zijn positie verstevigd had, doodde hij al zijn broers met het zwaard, en ook sommigen van de leiders van Israël.

5Jehoram was

21:5
2 Kon. 8:17
tweeëndertig jaar oud toen hij koning werd, en hij regeerde acht jaar in Jeruzalem.

6Hij ging in de weg van de koningen van Israël, zoals het huis van Achab deed, want hij had een dochter van Achab als vrouw. Hij deed wat slecht was in de ogen van de HEERE.

7De HEERE wilde het huis van David echter niet te gronde richten omwille van het verbond

21:7
2 Sam. 7:12
1 Kon. 11:36
Ps. 132:11,17
dat Hij met David gesloten had; zoals Hij
21:7
1 Kon. 11:36
gezegd had dat Hij hem en zijn zonen alle dagen een lamp zou geven.

8

21:8
2 Kon. 8:20
In zijn dagen kwam Edom in opstand tegen het gezag21:8 tegen het gezag - Letterlijk: vanonder de hand; zie ook vers 10. van Juda, en stelde een koning over zich aan.

9Daarom trok Jehoram met zijn bevelhebbers verder, en al zijn strijdwagens met hem. Hij stond 's nachts op

21:9
2 Kon. 8:21
en versloeg de Edomieten, die zich rondom hem en de bevelhebbers van zijn strijdwagens bevonden.

10

21:10
2 Kon. 8:22
Toch bleef Edom in opstand komen tegen het gezag van Juda, tot op deze dag. Juist in die tijd kwam Libna in opstand tegen zijn gezag, omdat hij de HEERE, de God van zijn vaderen, verlaten had.

11Ook hij maakte offerhoogten op de bergen van Juda. Hij liet de inwoners van Jeruzalem hoererij bedrijven, en hij verleidde Juda.

12Toen kwam er een schrijven bij hem van de profeet Elia met de boodschap: Zo zegt de HEERE, de God van uw vader David: Omdat u niet in de wegen van uw vader Josafat en in de wegen van Asa, de koning van Juda, gegaan bent,

13maar gegaan bent in de weg van de koningen van Israël; omdat u Juda en de inwoners van Jeruzalem hoererij hebt laten bedrijven, zoals het huis van Achab Israël hoererij heeft laten bedrijven, en u bovendien uw broers, uw eigen familie, hebt gedood, die beter waren dan u,

14zie, daarom gaat de HEERE u treffen met een grote plaag onder uw volk, onder uw kinderen, onder uw vrouwen en onder al uw bezittingen.

15En zelf zult u door een zware ziekte21:15 een zware ziekte - Letterlijk: grote ziekten. getroffen worden, door een ziekte aan uw ingewanden, totdat ten slotte21:15 ten slotte - Letterlijk: dagen over dagen. uw ingewanden naar buiten komen vanwege de ziekte.

16Toen wekte de HEERE tegen Jehoram de geest op van de Filistijnen en van de Arabieren die in de nabijheid van21:16 in de nabijheid van - Letterlijk: over de hand van. de Cusjieten woonden.

17Zij trokken op tegen Juda, baanden zich een weg, en voerden alle bezittingen weg die in het huis van de koning gevonden werden. Bovendien voerden zij zijn kinderen en zijn vrouwen als gevangenen weg, zodat hij geen zoon overhield dan alleen Joahaz, zijn jongste zoon.

Dood van Jehoram

18Na dit alles trof de HEERE hem in zijn ingewanden met een ziekte waarvan geen genezing meer mogelijk was.

19En na verloop van tijd21:19 na verloop van tijd - Letterlijk: voor dagen van dagen. gebeurde het, op het moment dat er twee jaar voorbij was,21:19 dat … voorbij was - Letterlijk: van het voorbijgaan van het einde aan de twee dagen. dat zijn ingewanden ten gevolge van de ziekte naar buiten kwamen, en hij stierf aan deze kwaadaardige ziekte. Maar zijn volk brandde voor hem geen vuur, zoals bij zijn vaderen.21:19 brandde … zijn vaderen - Letterlijk: maakte voor hem geen brand, zoals de brand van zijn vaderen.

20Hij was tweeëndertig jaar oud, toen hij koning werd, en regeerde acht jaar in Jeruzalem. Hij ging echter heen zonder betreurd te worden.21:20 zonder betreurd te worden - Letterlijk: zonder verlangen. Zij begroeven hem in de stad van David, maar niet in de graven van de koningen.