Herziene Statenvertaling (HSV)
17

De hervormingen van Josafat

171Toen werd

17:1
1 Kon. 15:24
zijn zoon Josafat koning in zijn plaats, en hij verstevigde zijn positie in Israël.

2En hij legde een leger in alle versterkte steden van Juda, en legde garnizoenen in het land van Juda, en

17:2
2 Kron. 15:8
in de steden van Efraïm, die zijn vader Asa ingenomen had.

3De HEERE was met Josafat, want hij ging in de vroegere wegen van zijn vader David, en hij zocht de Baäls niet,

4maar hij zocht de God van zijn vader, en ging in Zijn geboden, en deed niet zoals Israël deed.

5De HEERE bevestigde het koningschap in zijn hand, en heel Juda gaf Josafat geschenken. Hij had rijkdom en eer in overvloed.

6Vastberaden ging hij17:6 Vastberaden ging hij - Letterlijk: hij verhoogde zijn hart. in de wegen van de HEERE, en ook nam hij de offerhoogten en de gewijde palen uit Juda weg.

7In het derde jaar van zijn regering stuurde hij een boodschap naar zijn leiders, naar Ben-Chaïl, Obadja, Zacharja, Nethaneël en Michaja, om in de steden van Juda onderricht te geven.

8Bij hen waren de Levieten Semaja, Nethanja, en Zebadja, Asaël, Semiramoth, Jonathan, Adonia, Tobia en Tob-Adonia, de Levieten; en de priesters Elisama en Joram waren ook bij hen.

9Zij gaven onderricht in Juda, en het wetboek van de HEERE was bij hen. Zij gingen alle steden van Juda rond, en gaven onderricht aan het volk.

10Toen kwam grote vrees voor de HEERE over alle koninkrijken van de landen die rond Juda lagen, zodat ze niet tegen Josafat streden.

11Sommigen van de Filistijnen brachten Josafat geschenken en geld als schatting. Zelfs de Arabieren brachten hem kleinvee: zevenduizend zevenhonderd rammen en zevenduizend zevenhonderd bokken.

12Zo werd Josafat gaandeweg aanzienlijker,17:12 aanzienlijker - Letterlijk: aanzienlijker tot naar boven. en hij bouwde in Juda burchten en voorraadsteden.

13En hij had veel werk in de steden van Juda, en in Jeruzalem had hij strijdbare mannen, dappere helden.

14Dit nu zijn hun opzichters, ingedeeld naar hun families: in Juda waren de bevelhebbers van duizend: de bevelhebber Adna, en met hem driehonderdduizend strijdbare helden;

15naast hem de bevelhebber Johanan, en met hem tweehonderdtachtigduizend strijdbare helden;

16naast hem Amasia, de zoon van Zichri, die zich vrijwillig aan de HEERE overgegeven had, en met hem tweehonderdduizend strijdbare helden;

17uit Benjamin Eljada, een strijdbare held, en met hem tweehonderdduizend strijdbare helden, die met boog en schild gewapend waren;

18naast hem Jozabad, en met hem honderdtachtigduizend man, toegerust voor de strijd.

19Dezen waren allen in dienst van de koning, afgezien van hen die de koning in de versterkte steden in heel Juda geplaatst had.

18

Het verbond van Josafat met Achab

181Josafat had rijkdom en eer in overvloed, en hij ging huwelijksbanden aan met Achab.

2

18:2
1 Kon. 22:2
Na verloop van enkele jaren ging hij naar Achab toe, in Samaria. Achab slachtte voor hem en voor het volk dat bij hem was een grote hoeveelheid schapen en runderen, en spoorde hem aan om op te trekken tegen Ramoth in Gilead.

3Achab, de koning van Israël, zei tegen Josafat, de koning van Juda: Wilt u met mij meegaan naar Ramoth in Gilead? En hij zei tegen hem:

18:3
1 Kon. 22:4
Ik ben als u, mijn volk is als uw volk: wij gaan met u mee in de strijd.

4Verder zei Josafat tegen de koning van Israël:

18:4
1 Sam. 23:2
2 Sam. 2:1
Vraag toch vandaag nog naar het woord van de HEERE.

5Toen riep de koning van Israël de profeten bijeen, vierhonderd man, en zei tegen hen: Zullen wij tegen Ramoth in Gilead ten strijde trekken, of zal ik ervan afzien? Zij zeiden: Trek op, want God zal hen in de hand van de koning geven.

6Maar Josafat zei: Is er hier niet nog een profeet van de HEERE, zodat wij de HEERE door hem kunnen raadplegen?

7Toen zei de koning van Israël tegen Josafat: Er is nog één man om door hem de HEERE te raadplegen, maar ík haat hem, want hij profeteert niets goeds over mij, maar altijd18:7 altijd - Letterlijk: al zijn dagen. onheil. Dat is Micha, de zoon van Jimla. Josafat zei: Zo moet de koning niet spreken!

8Toen riep de koning van Israël een hoveling en zei: Haal snel Micha, de zoon van Jimla.

9Nu zaten de koning van Israël en Josafat, de koning van Juda, ieder op zijn troon, gekleed in staatsiegewaad. Zij zaten op de dorsvloer, bij de ingang van de poort van Samaria. En al de profeten profeteerden in hun tegenwoordigheid.

10Zedekia, de zoon van Kenaäna, had ijzeren hoorns voor zichzelf gemaakt, en zei: Zo zegt de HEERE: Hiermee zult u de Syriërs neerstoten, totdat u hen vernietigd hebt.

11En alle profeten profeteerden hetzelfde: Trek op naar Ramoth in Gilead en u zult slagen, want de HEERE zal hen in de hand van de koning geven.

12De bode nu die Micha was gaan roepen, sprak tot hem: Zie, de woorden van de profeten zijn eenstemmig18:12 eenstemmig - Letterlijk: met één mond. in het voordeel van de koning. Laat toch uw woord als dat van een van hen zijn, en spreek het goede.

13Maar Micha zei: Zo waar de HEERE leeft, wat mijn God zegt, dat zal ik spreken.

14Toen hij bij de koning kwam, zei de koning tegen hem: Micha, zullen wij tegen Ramoth in Gilead ten strijde trekken, of zal ik ervan afzien? En hij zei tegen hem: Trek op, en u zult slagen, want zij zullen in uw hand gegeven worden.

15De koning zei tegen hem: Hoeveel keer moet ik u nog bezweren dat u tot mij niets zult spreken dan alleen de waarheid, in de Naam van de HEERE?

16Hij zei: Ik zag heel Israël overal verspreid op de bergen, als schapen die geen herder hebben. En de HEERE zei: Dezen hebben geen heer, laat ieder in vrede naar zijn huis terugkeren.

17Toen zei de koning van Israël tegen Josafat: Heb ik niet tegen u gezegd: Hij zal over mij niets goeds profeteren, alleen maar onheil?

18Verder zei Micha: Daarom, hoor het woord van de HEERE: Ik zag de HEERE op Zijn troon zitten, en heel het hemelse leger stond aan Zijn rechter- en aan Zijn linkerzijde.

19En de HEERE zei: Wie zal Achab, de koning van Israël, misleiden, zodat hij zal optrekken en bij Ramoth in Gilead zal vallen in de strijd? Daarna zei Hij: De een zegt dit, en de ander zegt dat.

20Toen trad er een

18:20
Job 1:6
geest naar voren en ging voor het aangezicht van de HEERE staan. Hij zei: Ík zal hem misleiden. En de HEERE zei tegen hem: Waarmee?

21Hij zei: Ik zal eropuit gaan en tot een leugengeest zijn in de mond van al zijn profeten. En Hij zei: U mag misleiden, en u zult er ook toe in staat zijn. Vertrek en doe het zo.

22Welnu,

18:22
Job 12:16,20
Jes. 19:14
Ezech. 14:9
zie, de HEERE heeft een leugengeest in de mond van deze profeten van u gegeven, en de HEERE heeft onheil over u uitgesproken.

23Toen kwam Zedekia, de zoon van Kenaäna, naar voren. Hij

18:23
Jer. 20:2
Mark. 14:65
Hand. 23:2
sloeg Micha op zijn kaak, en zei: Langs welke weg is de Geest van de HEERE van mij weggegaan om tot u te spreken?

24En Micha zei: Zie, u zult het zien, op de dag waarop u van kamer naar kamer gaat om u te verbergen.

25Daarop zei de koning van Israël: Neem Micha mee en breng hem terug naar Amon, de leider van de stad, en naar Joas, de zoon van de koning.

26En u moet zeggen: Dit zegt de koning: Zet deze man in de gevangenis en laat hem brood van verdrukking eten en water van verdrukking drinken, totdat ik in vrede terugkom.

27Maar Micha zei: Als u echt in vrede terugkeert, heeft de HEERE niet door mij gesproken! Verder zei hij:

18:27
Micha 1:2
Luister, volken, allemaal!

Dood van Achab

28Zo trok de koning van Israël met Josafat, de koning van Juda, op naar Ramoth in Gilead.

29De koning van Israël zei tegen Josafat: Zodra ik mij vermomd heb, trek ik ten strijde. Trekt u echter uw eigen kleren aan. Zo vermomde de koning van Israël zich en trokken zij ten strijde.

30Nu had de koning van Syrië de bevelhebbers van de strijdwagens die hij had, geboden: U mag niet tegen de kleinen of tegen de groten strijden, maar alleen tegen de koning van Israël.

31Het gebeurde dan, zodra de bevelhebbers van de strijdwagens Josafat zagen, dat zij zeiden: Dat is de koning van Israël. Zij omringden hem om tegen hem te strijden, maar Josafat schreeuwde om hulp. De HEERE hielp hem en God wendde hen van hem af.

32En het gebeurde, zodra de bevelhebbers van de strijdwagens zagen dat hij niet de koning van Israël was, dat zij zich van hem afkeerden.

33Toen spande een man in zijn onschuld de boog en trof de koning van Israël tussen de verbindingsstukken en het harnas. Toen zei deze tegen zijn wagenmenner: Wend de teugel18:33 Wend de teugel - Letterlijk: Keer uw hand. en breng mij weg uit het leger, want ik ben gewond.

34De strijd laaide die dag echter hoog op. De koning van Israël moest zich in de wagen staande laten houden tegenover de Syriërs tot de avond, maar hij stierf tegen de tijd dat de zon onderging.

19

Josafat bestraft

191En Josafat, de koning van Juda, keerde in vrede terug naar zijn huis in Jeruzalem.

2En Jehu, de zoon van Hanani, de ziener, kwam naar buiten, hem tegemoet, en zei tegen koning Josafat: Moest u de goddeloze helpen en hen die de HEERE haten, liefhebben? Hierom rust op u grote toorn van voor het aangezicht van de HEERE.

3Toch zijn er ook goede dingen bij u gevonden,

19:3
2 Kron. 17:4,6
want u hebt de gewijde palen uit het land weggedaan, en uw hart erop gericht om God te zoeken.

Josafat herstelt de rechtspraak

4Josafat woonde in Jeruzalem. Opnieuw trok hij eropuit onder het volk, vanaf Berseba tot het bergland van Efraïm toe, en deed hen terugkeren tot de HEERE, de God van hun vaderen.

5En hij stelde rechters aan in het land, in alle versterkte steden van Juda, van stad tot stad.

6Hij zei tegen de rechters: Let op wat u doet, want u oordeelt niet voor een mens, maar voor de HEERE. Hij is bij u als u rechtspreekt.19:6 als u rechtspreekt - Letterlijk: in het woord van oordeel.

7Nu dan, laat grote vrees voor de HEERE over u komen; neem uw plichten waar, en doe ze,

19:7
Deut. 32:4
Rom. 9:14
want bij de HEERE, onze God, is geen onrecht,
19:7
Deut. 10:17
Job 34:19
Hand. 10:34
Rom. 2:11
Gal. 2:6
Efez. 6:9
Kol. 3:25
1 Petr. 1:17
geen partijdigheid19:7 partijdigheid - Letterlijk: verheffing van gezichten. of aanneming van geschenken.

8Bovendien stelde Josafat in Jeruzalem enkelen van de Levieten en de priesters, en enkelen van de familiehoofden van Israël aan voor de rechtspraak van de HEERE en voor de rechtszaken van de inwoners van19:8 van de inwoners van - De Hebreeuwse tekst is hier onduidelijk. Ook mogelijk is de vertaling: ‘en zij woonden in’ of ‘zij keerden terug in’. Jeruzalem.

9Hij gebood hun: Dit moet u in de vreze des HEEREN, in trouw en met een volkomen hart doen.

10En bij elk geschil dat door uw broeders die in hun steden wonen, aan u wordt voorgelegd over bloedschuld,19:10 aan u … over bloedschuld - Letterlijk: tot u komt tussen bloed voor bloed. over wet en gebod, verordeningen en bepalingen, moet u hen waarschuwen, zodat zij niet schuldig worden tegenover de HEERE, en er grote toorn op u en op uw broeders rust. Als u zo handelt, zult u niet schuldig worden.

11En zie, de hoofdpriester Amarja staat boven u voor elke zaak die de HEERE betreft, en Zebadja, de zoon van Ismaël, de leider van het huis van Juda, voor elke zaak die de koning betreft. En als beambten staan de Levieten u ter beschikking.19:11 u ter beschikking - Letterlijk: voor uw gezicht. Wees sterk en handel zo, en de HEERE zal zijn bij hem die goed is.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]