Herziene Statenvertaling (HSV)
15

Profetie van Azaria

151Toen kwam de Geest van God op Azaria, de zoon van Oded.

2En hij ging de stad uit, Asa tegemoet, en zei tegen hem: Luister naar mij, Asa, heel Juda en Benjamin! De HEERE is met u, zolang u met Hem bent.

15:2
1 Kron. 28:9
2 Kron. 33:12
Matt. 7:7
Als u Hem zoekt, zal Hij door u gevonden worden,
15:2
2 Kron. 24:20
maar als u Hem verlaat, zal Hij u verlaten.

3Vele dagen lang was

15:3
Hos. 3:4
Israël zonder de ware God, zonder een priester die onderwees, en zonder de wet.

4

15:4
Deut. 4:29
Maar wanneer zij zich in hun benauwdheid tot de HEERE, de God van Israël, bekeerden en Hem zochten, werd Hij door hen gevonden.

5En in die tijden was er geen vrede voor wie vertrok of wie naar binnen kwam, omdat er grote verwarring onder al de inwoners van die landen heerste.

6Het ene volk werd door het andere volk, de ene stad door de andere stad te gronde gericht, want God had hen met allerlei benauwdheid in verwarring gebracht.

7U dan, wees sterk en verlies de moed niet,15:7 verlies de moed niet - Letterlijk: laat uw handen niet slap worden. want er is loon overeenkomstig uw werk.

De hervormingen van Asa

8Toen Asa deze woorden en de profetie van de profeet Oded hoorde, vatte hij moed en deed de afschuwelijke afgoden uit het hele land van Juda en Benjamin weg, en uit de steden van het bergland van Efraïm die hij ingenomen had. Verder vernieuwde hij het altaar van de HEERE dat vóór de voorhal van de HEERE stond.

9Hij riep heel Juda en Benjamin bijeen, en hen die als vreemdelingen uit Efraïm, Manasse en uit Simeon bij hen verbleven. In groten getale waren zij uit Israël naar hem toe gekomen,15:9 naar hem toe gekomen - Letterlijk: op hem gevallen. toen zij zagen, dat de HEERE, zijn God, met hem was.

10En zij kwamen in Jeruzalem bijeen, in de derde maand, in het vijftiende jaar van de regering van Asa.

11Op die dag offerden zij de HEERE van de buit die zij hadden meegebracht, zevenhonderd runderen en zevenduizend schapen.

12Zij

15:12
Joz. 24:15
Neh. 10:29
gingen een verbond aan, dat zij de HEERE, de God van hun vaderen, zouden zoeken met heel hun hart en met heel hun ziel.

13Ieder dan die de HEERE, de God van Israël, niet zou zoeken,

15:13
Deut. 13:9
zou gedood worden, van jong tot oud, en van man tot vrouw.

14En zij legden een eed af voor de HEERE met luide stem, met gejuich, met trompetten en met bazuinen.

15Heel Juda was verblijd over de eed, want zij hadden met heel hun hart gezworen, en met heel hun verlangen Hem gezocht. Hij werd door hen gevonden, en de HEERE gaf hun rust van rondom.

16Ja, zelfs Maächa, de grootmoeder van koning Asa, zette hij af, zodat zij geen

15:16
1 Kon. 15:13
koningin meer was, omdat zij een gruwelijk beeld van Asjera had gemaakt. Asa hakte haar gruwelijke beeld om, verpulverde en verbrandde het bij de beek Kidron.

17De offerhoogten werden wel niet weggenomen uit Israël, maar toch was het hart van Asa volkomen, al zijn dagen.

18Ook bracht hij de geheiligde gaven van zijn vader in het huis van God, met zijn eigen geheiligde gaven: zilver, goud en andere voorwerpen.

19En er was geen oorlog, tot in het vijfendertigste jaar van de regering van Asa.

16

Asa vraagt hulp van de koning van Syrië

161In

16:1
1 Kon. 15:17
het zesendertigste jaar van de regering van Asa trok Baësa, de koning van Israël, op tegen Juda, en bouwde Rama uit, om niemand meer toe te laten het land uit te gaan en naar Asa, de koning van Juda, te gaan.

2Toen haalde Asa het zilver en goud uit de schatkamers van het huis van de HEERE en het huis van de koning, stuurde dat naar Benhadad, de koning van Syrië, die in Damascus woonde, met de boodschap:

3Er is een verbond tussen mij en u, tussen mijn vader en uw vader. Zie, ik stuur u zilver en goud. Ga, verbreek uw verbond met Baësa, de koning van Israël, zodat hij van mij16:3 van mij - Letterlijk: van tegen mij. wegtrekt.

4Benhadad luisterde naar koning Asa, en stuurde de bevelhebbers van de legers die hij had, naar de steden van Israël, en zij versloegen Ijon, Dan en Abel-Maïm, met alle voorraadsteden van Naftali.

5Het gebeurde, toen Baësa dit hoorde, dat hij ophield met het uitbouwen van Rama, en zijn werk staakte.

6Toen nam koning Asa heel Juda mee, en zij droegen de stenen van Rama en het bijbehorende hout, waarmee Baësa gebouwd had, weg. Koning Asa bouwde daar Geba mee, en Mizpa.

7In die tijd kwam de ziener Hanani naar Asa, de koning van Juda, en zei tegen hem: Omdat u op de koning van Syrië gesteund hebt, en niet gesteund hebt op de HEERE, uw God, daarom is het leger van de koning van Syrië uit uw hand ontkomen.

8Hadden de Cusjieten en de Libiërs niet een groot leger, met zeer veel strijdwagens en ruiters? Omdat u op de HEERE steunde, heeft Hij hen in uw hand gegeven.

9Want

16:9
Job 34:21
Spr. 5:21
15:3
Jer. 16:17
32:19
de ogen van de HEERE16:9 de ogen van de HEERE - Letterlijk: de HEERE, Zijn ogen. trekken over de hele aarde, om Zich sterk te bewijzen aan hen van wie het hart volkomen is met Hem. U hebt hierin dwaas gehandeld, want vanaf nu zullen oorlogen uw deel16:9 uw deel - Letterlijk: bij u. zijn.

10Toen werd Asa zo toornig op de ziener, dat hij hem in de gevangenis16:10 gevangenis - Letterlijk: het huis van het blok. zette, want hij was hierover woedend op hem. Bovendien onderdrukte Asa in die tijd anderen uit het volk.

11En zie, de geschiedenis van Asa, van het begin tot het einde,16:11 van het begin tot het einde - Letterlijk: het eerste en het laatste. zie, die is beschreven in het boek van de koningen van Juda en Israël.

Dood van Asa

12Asa werd in het negenendertigste jaar van zijn regering ziek aan zijn voeten. Zijn ziekte was heel ernstig.16:12 heel ernstig - Letterlijk: tot naar omhoog. Desondanks zocht hij in zijn ziekte niet de HEERE, maar de geneesheren.

13Asa ging te ruste bij zijn vaderen. Hij stierf in het eenenveertigste jaar van zijn regering,

14en zij begroeven hem in zijn graf, dat hij voor zichzelf had uitgehouwen in de stad van David. Zij legden hem op het bed, dat hij gevuld had met specerijen en verschillende soorten kruiden, gemengd volgens zorgvuldig bereid werk. En zij ontstaken voor hem een buitengewoon groot vuur.

17

De hervormingen van Josafat

171Toen werd

17:1
1 Kon. 15:24
zijn zoon Josafat koning in zijn plaats, en hij verstevigde zijn positie in Israël.

2En hij legde een leger in alle versterkte steden van Juda, en legde garnizoenen in het land van Juda, en

17:2
2 Kron. 15:8
in de steden van Efraïm, die zijn vader Asa ingenomen had.

3De HEERE was met Josafat, want hij ging in de vroegere wegen van zijn vader David, en hij zocht de Baäls niet,

4maar hij zocht de God van zijn vader, en ging in Zijn geboden, en deed niet zoals Israël deed.

5De HEERE bevestigde het koningschap in zijn hand, en heel Juda gaf Josafat geschenken. Hij had rijkdom en eer in overvloed.

6Vastberaden ging hij17:6 Vastberaden ging hij - Letterlijk: hij verhoogde zijn hart. in de wegen van de HEERE, en ook nam hij de offerhoogten en de gewijde palen uit Juda weg.

7In het derde jaar van zijn regering stuurde hij een boodschap naar zijn leiders, naar Ben-Chaïl, Obadja, Zacharja, Nethaneël en Michaja, om in de steden van Juda onderricht te geven.

8Bij hen waren de Levieten Semaja, Nethanja, en Zebadja, Asaël, Semiramoth, Jonathan, Adonia, Tobia en Tob-Adonia, de Levieten; en de priesters Elisama en Joram waren ook bij hen.

9Zij gaven onderricht in Juda, en het wetboek van de HEERE was bij hen. Zij gingen alle steden van Juda rond, en gaven onderricht aan het volk.

10Toen kwam grote vrees voor de HEERE over alle koninkrijken van de landen die rond Juda lagen, zodat ze niet tegen Josafat streden.

11Sommigen van de Filistijnen brachten Josafat geschenken en geld als schatting. Zelfs de Arabieren brachten hem kleinvee: zevenduizend zevenhonderd rammen en zevenduizend zevenhonderd bokken.

12Zo werd Josafat gaandeweg aanzienlijker,17:12 aanzienlijker - Letterlijk: aanzienlijker tot naar boven. en hij bouwde in Juda burchten en voorraadsteden.

13En hij had veel werk in de steden van Juda, en in Jeruzalem had hij strijdbare mannen, dappere helden.

14Dit nu zijn hun opzichters, ingedeeld naar hun families: in Juda waren de bevelhebbers van duizend: de bevelhebber Adna, en met hem driehonderdduizend strijdbare helden;

15naast hem de bevelhebber Johanan, en met hem tweehonderdtachtigduizend strijdbare helden;

16naast hem Amasia, de zoon van Zichri, die zich vrijwillig aan de HEERE overgegeven had, en met hem tweehonderdduizend strijdbare helden;

17uit Benjamin Eljada, een strijdbare held, en met hem tweehonderdduizend strijdbare helden, die met boog en schild gewapend waren;

18naast hem Jozabad, en met hem honderdtachtigduizend man, toegerust voor de strijd.

19Dezen waren allen in dienst van de koning, afgezien van hen die de koning in de versterkte steden in heel Juda geplaatst had.