Herziene Statenvertaling (HSV)
2

Paulus' omgang met de gemeente

21Want

2:1
1 Thess. 1:5,9
u weet zelf, broeders, van onze komst bij u dat die niet tevergeefs is geweest.

2Maar, hoewel wij tevoren geleden hadden en

2:2
Hand. 16:22
in Filippi smadelijk behandeld waren, zoals u weet, hebben wij toch in onze God vrijmoedigheid gekregen om het Evangelie van God
2:2
Hand. 17:2
tot u te spreken, te midden van veel strijd.

3Want onze vermaning kwam niet voort uit dwaling, of uit onzuivere motieven, en ging ook niet met bedrog gepaard,

4maar, zoals wij door God beproefd zijn om ons het Evangelie toe te vertrouwen, zo spreken wij,

2:4
Gal. 1:10
niet om mensen te behagen, maar God, Die onze harten beproeft.

5Want wij hebben nooit vleiende woorden gebruikt, zoals u weet, en ook geen voorwendsel voor hebzucht.

2:5
Rom. 1:9
9:1
2 Kor. 1:23
11:31
Gal. 1:20
Filipp. 1:8
1 Tim. 5:21
2 Tim. 4:1
God is getuige!

6Wij zochten ook geen eer van mensen, niet van u, ook niet van anderen,

2:6
1 Kor. 9:3
2 Thess. 3:9
hoewel wij, als apostelen van Christus, u tot last hadden kunnen zijn,

7maar wij zijn in uw midden vriendelijk geweest, zoals een voedster haar kinderen koestert.

8Wij waren zo vol verlangen naar u dat wij graag2:8 graag - Letterlijk: het heeft ons behaagd. met u niet alleen het Evangelie van God wilden delen, maar ook onszelf,2:8 onszelf - Letterlijk: onze eigen zielen. omdat u ons lief geworden was.

9

2:9
Hand. 18:3
20:34
1 Kor. 4:12
2 Kor. 11:9
12:13
2 Thess. 3:8
U herinnert zich immers onze inspanning en moeite, broeders. Want terwijl wij nacht en dag werkten om niemand van u tot last te zijn, hebben wij u het Evangelie van God gepredikt.

10U bent getuige, en God, hoe heilig en rechtvaardig en onberispelijk wij geweest zijn bij u die gelooft.

11Zo weet u hoe wij elk van u afzonderlijk opwekten en aanmoedigden, net als een vader zijn kinderen.

12Wij riepen u ertoe op

2:12
Gen. 17:1
1 Kor. 7:20
Efez. 4:1
Filipp. 1:27
Kol. 1:10
waardig te wandelen voor God, Die u roept tot Zijn Koninkrijk en heerlijkheid.

13Daarom danken ook wij God zonder ophouden dat u, toen u van ons het gepredikte Woord van God hebt ontvangen, het ook aangenomen hebt, niet als een mensenwoord, maar (zoals het werkelijk is) als Gods Woord, dat ook werkzaam is in u die gelooft.

14Want u, broeders, bent navolgers geworden van de gemeenten van God die in Judea zijn, in Christus Jezus, omdat ook u hetzelfde geleden hebt van uw

2:14
Hand. 17:5,13
eigen medeburgers als zij van de Joden,

15

2:15
Hand. 7:52
die zowel de Heere Jezus als
2:15
Matt. 23:37
Luk. 13:34
hun eigen profeten hebben gedood en ons hebben vervolgd. Zij behagen God niet en zijn alle mensen vijandig gezind.

16

2:16
Hand. 17:13
Zij verhinderen ons tot de heidenen te spreken opdat die zalig zouden worden. Zo maken zij voor altijd de maat van hun zonden vol. En de toorn is over hen gekomen tot het einde.

Paulus' verlangen naar de gemeente

17Maar nu wij, broeders, voor een korte tijd van u gescheiden waren – wat betreft het gezicht, niet wat betreft het hart – hebben wij ons des te meer beijverd om uw gezicht te zien, met grote begeerte.

18

2:18
Rom. 1:13
15:22
Daarom hebben wij naar u toe willen komen (althans ik, Paulus), een- en andermaal, maar de satan heeft het ons verhinderd.

19

2:19
2 Kor. 1:14
Filipp. 2:16
4:1
Want wat is onze hoop of blijdschap of erekroon? Bent ook u dat niet voor het aangezicht van onze Heere Jezus Christus bij Zijn komst?

20U bent immers onze heerlijkheid en blijdschap.

3

Goede berichten door Timotheüs

31Daarom, toen wij dit verlangen niet langer konden verdragen, leek het ons beter om alleen in Athene achtergelaten te worden,

2en hebben we

3:2
Hand. 16:1
Rom. 16:21
Filipp. 2:19
Timotheüs gestuurd, onze broeder en Gods dienaar en onze medearbeider in het Evangelie van Christus, om u in uw geloof te versterken en te bemoedigen,

3

3:3
Efez. 3:13
Filipp. 1:14
opdat niemand in verwarring gebracht zou worden in deze verdrukkingen. Want u weet zelf
3:3
Hand. 14:22
2 Tim. 3:12
dat wij hiertoe bestemd zijn.

4Toen wij bij u waren, zeiden wij u immers van tevoren dat wij verdrukt zouden worden, zoals ook gebeurd is – en u weet het.

5Daarom heb ik, omdat ook ik dit verlangen niet langer kon verdragen, hem gestuurd om ten aanzien van uw geloof te weten te komen of de verzoeker u misschien niet verzocht had en onze inspanning tevergeefs zou zijn geweest.

6Maar nu is zojuist Timotheüs bij u vandaan bij ons teruggekomen en heeft ons de goede boodschap gebracht van uw geloof en liefde, en dat u altijd een goede herinnering aan ons hebt en vurig verlangt om ons te zien, zoals wij ook u.

7Daardoor zijn wij over u bemoedigd, broeders, bij al onze verdrukking en nood, vanwege uw geloof.

8Want nu leven wij, indien u staande blijft in de Heere.

9Want welke dank kunnen wij God voor u teruggeven, vanwege al de blijdschap waarmee wij ons over u verblijden voor het aangezicht van onze God?

10

3:10
Rom. 1:10,11
15:23
2 Tim. 1:4
Wij bidden nacht en dag meer dan overvloedig om uw gezicht te mogen zien en om te volmaken wat aan uw geloof ontbreekt.

Paulus' gebed voor de gemeente

11Maar onze God en Vader Zelf, en onze Heere Jezus Christus, moge onze weg naar u toe leiden.

12En ú moge de Heere doen toenemen en overvloedig maken in de liefde tot elkaar en tot allen, zoals ook wij dat zijn tot u,

13

3:13
1 Kor. 1:8
1 Thess. 5:23
2 Thess. 2:17
opdat Hij uw harten zou versterken om onberispelijk te zijn in heiliging voor het aangezicht van onze God en Vader, bij de komst van onze Heere Jezus Christus met al Zijn heiligen.

4

Opwekking tot heilig leven

41Verder, broeders, vragen wij u en roepen wij u er in de Heere Jezus toe op, dat u, zoals u van ons ontvangen hebt

4:1
Filipp. 1:27
1 Thess. 2:12
hoe u moet wandelen en God behagen, daarin nog meer overvloedig wordt.

2Want u weet welke bevelen wij u gegeven hebben op gezag van de Heere Jezus.

3

4:3
Rom. 12:2
Efez. 5:27
Filipp. 4:8
Want dit is de wil van God: uw heiliging, dat u uzelf onthoudt van de ontucht,

4en dat ieder van u zijn lichaam4:4 zijn lichaam - Letterlijk: zijn voorwerp. weet te bezitten in heiliging en eerbaarheid,

5en niet in hartstochtelijke begeerte, zoals de heidenen,

4:5
1 Kor. 15:34
Efez. 4:18
die God niet kennen.

6Laat niemand over zijn broeder heen lopen en hem bedriegen door zijn handelwijze, want de Heere is een Wreker van dit alles, zoals wij u ook van tevoren gezegd en bezworen hebben.

7Want God heeft ons niet geroepen tot onreinheid,

4:7
Joh. 17:19
1 Kor. 1:2
maar tot leven in heiliging.

8

4:8
Luk. 10:16
Daarom, wie dit verwerpt, verwerpt niet een mens, maar God,
4:8
1 Kor. 7:40
Die ook Zijn Heilige Geest in ons heeft gegeven.

Opwekking tot onderlinge liefde

9

4:9
Lev. 19:18
Matt. 22:39
Joh. 13:34
15:12
Efez. 5:2
1 Petr. 4:8
1 Joh. 3:23
4:21
Wat nu de broederliefde betreft, hebt u het niet nodig dat ik u schrijf, want u bent zelf door God onderwezen om elkaar lief te hebben.

10Want u doet dat ook ten opzichte van alle broeders die in heel Macedonië zijn. Wij roepen u er echter toe op, broeders, dat nog veel meer te doen,

11

4:11
2 Thess. 3:7,12
en er een eer in te stellen rustig te zijn en uw eigen zaken te behartigen
4:11
Hand. 20:34
Efez. 4:28
en te werken met uw eigen handen, zoals wij u bevolen hebben,

12opdat u op een gepaste wijze wandelt ten opzichte van hen die buitenstaan, en niets4:12 niets - Of: niemand. nodig hebt.

De opstanding bij Christus' wederkomst

13Maar ik wil niet, broeders, dat u onwetend bent ten aanzien van hen die ontslapen zijn,

4:13
Lev. 19:28
Deut. 14:1
2 Sam. 12:20
opdat u niet bedroefd bent zoals ook de anderen, die geen hoop hebben.

14Want als wij geloven dat Jezus gestorven en opgestaan is, zal ook God op dezelfde wijze hen die in Jezus ontslapen zijn, terugbrengen met Hem.

15Want dit zeggen wij u met een woord van de Heere,

4:15
1 Kor. 15:22,51
dat wij die levend zullen overblijven tot de komst van de Heere, de ontslapenen beslist niet zullen voorgaan.

16

4:16
Matt. 24:31
1 Kor. 15:52
2 Thess. 1:7
Want de Heere Zelf zal met een geroep, met de stem van een aartsengel en met een bazuin van God neerdalen uit de hemel. En de doden die in Christus zijn, zullen eerst opstaan.

17Daarna zullen wij, de levenden die overgebleven zijn, samen met hen opgenomen worden in de wolken, naar een ontmoeting met de Heere in de lucht. En zo zullen wij altijd bij de Heere zijn.

18Zo dan, troost elkaar met deze woorden.