Herziene Statenvertaling (HSV)
1

De gelofte van Hanna

11Er was een man uit Ramathaïm-Zofim, uit het bergland van Efraïm, en zijn naam was

1:1
1 Kron. 6:26,27
Elkana, een zoon van Jeroham, de zoon van Elihu, de zoon van Tochu, de zoon van Zuf, een Efrathiet.

2En hij had twee vrouwen. De naam van de ene was Hanna en de naam van de andere Peninna. Nu had Peninna kinderen, maar Hanna had geen kinderen.

3

1:3
Ex. 23:14
Deut. 16:16
Deze man ging van jaar tot jaar1:3 van jaar tot jaar - Letterlijk: van dagen naar dagen. zijn stad uit om zich in Silo voor de HEERE van de legermachten neer te buigen en offers te brengen. Daar waren de twee zonen van Eli, Hofni en Pinehas, priesters van de HEERE.

4Wanneer de dag kwam dat Elkana een offer bracht, gaf hij delen van het vlees aan Peninna, zijn vrouw, en aan al haar zonen en haar dochters.

5Maar aan Hanna gaf hij een speciaal deel, want hij had Hanna lief; maar de HEERE had haar baarmoeder toegesloten.

6Haar tegenpartij treiterde haar telkens weer om haar kwaad te maken, omdat de HEERE haar baarmoeder toegesloten had.

7En zo ging het jaar op jaar. Zo dikwijls als zij naar het huis van de HEERE ging, treiterde zij haar zo; dan huilde zij en at niet.

8Elkana, haar man, zei dan tegen haar: Hanna, waarom huil je, waarom eet je niet, en waarom is je hart verdrietig?

1:8
Ruth 4:15
Ben ik je niet meer waard dan tien zonen?

9Toen stond Hanna op, nadat men in Silo gegeten en gedronken had. Nu zat Eli, de priester, op een stoel bij een deurpost van de tempel van de HEERE.

10Bitter van gemoed bad zij tot de HEERE en zij huilde erg.

11Zij legde een gelofte af; zij zei: HEERE van de legermachten, wanneer U werkelijk de ellende van Uw dienares aanziet, aan mij denkt en Uw dienares niet vergeet, maar aan Uw dienares een mannelijke nakomeling geeft, dan zal ik die voor al de dagen van zijn leven aan de HEERE geven,

1:11
Richt. 13:5
en er zal geen scheermes op zijn hoofd komen.

12En het gebeurde, toen zij lang bleef bidden voor het aangezicht van de HEERE, dat Eli op haar mond lette.

13Want Hanna sprak in haar hart; alleen haar lippen bewogen, maar haar stem werd niet gehoord. Daarom hield Eli haar voor dronken.

14En Eli zei tegen haar: Hoelang zult u zich nog dronken gedragen? Ontdoe u van uw wijn.

15Maar Hanna antwoordde en zei: Nee, mijn heer, ik ben een diepbedroefde1:15 diepbedroefd - Letterlijk: hard van geest. vrouw; ik heb geen wijn of sterkedrank gedronken, maar ik heb

1:15
Ps. 62:9
mijn ziel uitgestort voor het aangezicht van de HEERE.

16Houd uw dienares toch niet voor een verdorven vrouw, want vanwege de veelheid van mijn gedachten en mijn verdriet heb ik tot nu toe gesproken.

17Toen antwoordde Eli en zei: Ga in vrede, en de God van Israël zal u geven wat u van Hem gebeden hebt.

18Zij zei: Laat uw dienares genade vinden in uw ogen. Vervolgens ging de vrouw haars weegs. Zij at weer en haar gezicht stond bij haar niet meer als voorheen.

19Zij stonden 's morgens vroeg op, bogen zich neer voor het aangezicht van de HEERE, keerden terug en kwamen aan bij hun huis in Rama. Elkana had gemeenschap met zijn vrouw Hanna,1:19 had gemeenschap met zijn vrouw Hanna - Letterlijk: hij kende zijn vrouw Hanna; en de HEERE dacht aan haar.

Geboorte van Samuel

20Het gebeurde na verloop van dagen dat Hanna zwanger werd. Zij baarde een zoon en gaf hem de naam Samuel,1:20 Samuel betekent: gehoord door God. want, zei ze, ik heb hem van de HEERE gebeden.

21Die man Elkana ging met zijn hele gezin op weg om de HEERE het jaarlijkse offer1:21 het jaarlijkse offer - Letterlijk: het offer van de dagen. en ook zijn gelofteoffer te brengen.

22Hanna ging echter niet mee maar zei tegen haar man: Als de jongen van de borst af is, zal ik hem brengen, zodat hij voor het aangezicht van de HEERE verschijnt en daar voor eeuwig blijft.

23En Elkana, haar man, zei tegen haar: Doe wat goed is in jouw ogen; blijf hier totdat hij van de borst af is; moge de HEERE Zijn woord gestand doen. Zo bleef de vrouw thuis en zoogde haar zoon, totdat hij van de borst af was.

24

1:24
Luk. 2:41
Daarna, toen hij van de borst af was, nam zij hem met zich mee, met drie jonge stieren,1:24 drie jonge stieren - Volgens de Dode Zeerollen en de Septuaginta: een driejarige jonge stier. een efa1:24 Een efa is een korenmaat van vermoedelijk tussen de 20 en 45 liter. meel en een kruik wijn. Zij bracht hem in het huis van de HEERE in Silo, toen de jongen nog heel jong was.

25Zij slachtten de stier en brachten de jongen bij Eli.

26En zij zei: Och, mijn heer, zo waar u zelf leeft, mijn heer, ik ben die vrouw die hier bij u stond om tot de HEERE te bidden.

27Ik bad om deze jongen, en de HEERE heeft mij gegeven wat ik van Hem gebeden heb.

28Daarom heb ik hem ook voor al de dagen dat hij op aarde is, aan de HEERE overgegeven; hij is van de HEERE gebeden. En hij boog zich daar voor de HEERE neer.

2

Hanna's lofzang

21Toen bad Hanna en zei:

2:1
Luk. 1:46
Mijn hart springt op van vreugde in de HEERE,

mijn hoorn is opgeheven in de HEERE;

mijn mond is wijd open tegen mijn vijanden,

want ik verheug mij in Uw heil.

2Er is niemand zo heilig als de HEERE,

want

2:2
Deut. 3:24
Ps. 86:8
er is niemand buiten U,

en er is geen rotssteen als onze God.

3Spreek toch niet steeds zo bijzonder hoogmoedig,

en laat niets hooghartigs uit uw mond gaan;

want de HEERE is een alwetend God,

en Zijn daden zijn recht.

4De boog van de sterken is gebroken,

maar zij die struikelden, zijn met kracht omgord.

5Zij die

2:5
Ps. 34:11
Klaagl. 5:6
Luk. 1:53
verzadigd waren, hebben zich om brood verhuurd,

maar zij die hongerig waren, zijn het niet meer.

Zelfs de onvruchtbare heeft er zeven gebaard,

maar zij die veel kinderen had, is verkommerd.

6De

2:6
Deut. 32:39
Ezech. 37:11,12
HEERE doodt en maakt levend,

Hij doet in het graf neerdalen en Hij doet daaruit opkomen.

7De HEERE maakt arm en maakt rijk,

Hij vernedert, ook verhoogt Hij.

8

2:8
Job 36:15
Ps. 113:7,8
Luk. 1:52
Hij verheft de geringe uit het stof;

uit het vuil verhoogt Hij de arme

om hen bij edelen te doen zitten,

om hen een erezetel te laten verkrijgen.

2:8
Ps. 24:2
102:26
104:5
Want de grondvesten van de aarde zijn van de HEERE

en Hij heeft de wereld daarop geplaatst.

9Hij zal de voeten van Zijn gunstelingen bewaren,

maar de goddelozen zullen zwijgen in de duisternis,

want een man is niet sterk door eigen kracht.

10Zij die de HEERE ter verantwoording roepen, zullen verpletterd worden;

2:10
1 Sam. 7:10
Hij zal in de hemel over hen donderen.

De HEERE zal rechtspreken over de einden der aarde;

Hij zal Zijn

2:10
Ps. 2:6
89:25
Koning kracht geven,

en de hoorn van Zijn Gezalfde opheffen.

11Daarna ging Elkana naar Rama, naar zijn huis, terwijl de jongen de HEERE bleef dienen onder toezicht van de priester Eli.

De zonen van Eli

12De zonen van Eli echter waren verdorven mannen; zij kenden de HEERE niet.

13Want de handelwijze van deze priesters met het volk was aldus: wanneer iemand een offer bracht, kwam de knecht van de priester, terwijl het vlees kookte, met een drietandige vork in zijn hand,

14stak die in de kookpot, in de ketel, in de pan of in de pot, en alles wat de vork dan optrok, nam de priester voor zichzelf. Zo deden zij met al de Israëlieten die daar in Silo kwamen.

15Ook vóór zij het vet in rook lieten opgaan, kwam de knecht van de priester en zei tegen de man die het offer bracht: Geef dat vlees om te braden aan de priester, want hij wil geen gekookt vlees van u aannemen, maar rauw.

16En wanneer die man tegen hem zei: Zij moeten dat vet beslist eerst2:16 eerst - Letterlijk: als op deze dag. in rook laten opgaan; neem daarna maar voor uzelf zoals uw ziel verlangt, dan zei hij tegen hem: Nee, u moet het nú geven, en zo niet, dan neem ik het met geweld.

17Zo was de zonde van deze jongemannen voor het aangezicht van de HEERE erg groot, want de mensen verwierpen hierdoor het offer van de HEERE.

18Maar Samuel diende voor het aangezicht van de HEERE. Hij was een jongen, gekleed in een linnen priesterhemd.

19Zijn moeder maakte van jaar tot jaar2:19 van jaar tot jaar - Letterlijk: van dagen naar dagen. een klein bovenkleed voor hem en bracht hem dat, wanneer zij met haar man kwam om het jaarlijkse offer2:19 het jaarlijkse offer - Letterlijk: het offer van de dagen. te brengen.

20Dan zegende Eli Elkana en zijn vrouw, en zei: Moge de HEERE u nageslacht geven uit deze vrouw, vanwege dat wat zij de HEERE gebeden heeft. Vervolgens gingen zij weer terug naar zijn woonplaats.

21En inderdaad zag de HEERE naar Hanna om. Zij werd zwanger en baarde drie zonen en twee dochters, en de jonge Samuel werd groot bij de HEERE.

22Eli nu was heel oud en hoorde alles wat zijn zonen heel Israël aandeden, en ook dat zij sliepen met de vrouwen die bij de ingang van de tent van ontmoeting dienstdeden.

23Hij zei tegen hen: Waarom doen jullie zulke dingen, zodat ik deze wandaden van jullie te horen krijg van dit hele volk?

24Dit kan niet, mijn zonen! Nee, dit is geen goed bericht dat ik hoor; jullie laten het volk van de HEERE overtredingen begaan.

25Wanneer een mens tegen een mens zondigt, zullen de goden2:25 goden - d.w.z. rechters als vertegenwoordigers van God. hem oordelen; maar wanneer een mens tegen de HEERE zondigt, wie zal dan voor hem bidden? Maar zij luisterden niet naar de stem van hun vader, want de HEERE wilde hen doden.

26

2:26
Luk. 2:52
En de jonge Samuel kreeg gaandeweg meer aanzien en gunst, zowel bij de HEERE als ook bij de mensen.

Val van Eli voorspeld

27Een man Gods kwam naar Eli, en zei tegen hem: Zo zegt de HEERE: Heb Ik Mij niet duidelijk geopenbaard aan het huis van uw vader,

2:27
Hand. 7:25
toen zij in Egypte waren, in het huis van de farao?

28Ik heb hem uit al de stammen van Israël voor Mij tot priester uitgekozen om op Mijn altaar te offeren, het reukwerk in rook te laten opgaan en de efod voor Mijn aangezicht te dragen; en

2:28
Lev. 10:14
Ik heb aan het huis van uw vader al de vuuroffers van de Israëlieten gegeven.

29Waarom

2:29
Deut. 32:15
schopt u dan tegen Mijn slachtoffer en tegen Mijn graanoffer, dat Ik in Mijn woning geboden heb, en eert u uw zonen meer dan Mij, door u vet te mesten met het beste van alle graanoffers van Mijn volk Israël?

30Daarom spreekt de HEERE, de God van Israël: Ik had duidelijk gezegd:

2:30
Ex. 28:43
29:9
Uw huis en uw familie zullen voor eeuwig voor Mijn aangezicht wandelen. Maar nu spreekt de HEERE: Er is bij Mij geen sprake van, want wie Mij eren, zal Ik eren, maar wie Mij verachten, zullen zelf veracht worden.

31Zie, de dagen komen dat Ik uw arm zal afhakken, en de arm van uw familie, zodat er geen oud man in uw huis zijn zal.

32U zult de nood van Gods woning aanzien, in plaats van al het goede dat Hij Israël gedaan zou hebben; en er zal geen oude man in uw huis zijn, alle dagen.

33Maar de man van uw huis die Ik niet van bij Mijn altaar zal uitroeien, zal er zijn om uw ogen te doen bezwijken en uw ziel te bedroeven; en het merendeel van uw huis zal sterven als mannen in de kracht van hun leven.

34Dit zal voor u het teken zijn dat over uw beide zonen, over Hofni en Pinehas, komen zal: op één dag zullen zij beiden sterven.

35Ik zal voor Mij een trouwe priester doen opstaan; die zal doen zoals het in Mijn hart en Mijn ziel is. Voor hem zal Ik een blijvend huis bouwen, en hij zal alle dagen voor de ogen van Mijn gezalfde wandelen.

36En het zal gebeuren dat al wie van uw huis overgebleven is, zal komen om zich voor hem neer te buigen voor een weinig geld en een rond brood, en zal zeggen: Neem mij toch aan voor een van de priesterdiensten, zodat ik een stuk brood om te eten zal hebben.

3

Samuel geroepen

31En de jonge Samuel diende de HEERE onder toezicht van Eli. Het woord van de HEERE was schaars in die dagen; er kwam geen visioen openbaar.

2Het gebeurde op zekere dag, toen Eli op zijn slaapplaats lag –

3:2
1 Sam. 4:15
zijn ogen begonnen zwak te worden, zodat hij niet meer kon zien –

3en toen ook Samuel zich te slapen gelegd had, voordat de lamp van God gedoofd werd in de tempel van de HEERE, waar de ark van God was,

4dat de HEERE Samuel riep. En hij zei: Zie, hier ben ik.

5Hij snelde naar Eli en zei: Zie, hier ben ik, want u hebt mij geroepen. Maar die zei: Ik heb niet geroepen, ga terug en ga weer liggen. En hij ging weg en ging weer liggen.

6Toen riep de HEERE Samuel opnieuw; Samuel stond op, ging naar Eli en zei: Zie, hier ben ik, want u hebt mij geroepen. Hij zei echter: Ik heb niet geroepen, mijn zoon; ga terug en ga weer liggen.

7Nu kende Samuel de HEERE nog niet; het woord van de HEERE was nog niet aan hem geopenbaard.

8Toen riep de HEERE Samuel opnieuw, voor de derde keer, en hij stond op, ging naar Eli en zei: Zie, hier ben ik, want u hebt mij geroepen. Toen begreep Eli dat de HEERE de jongen riep.

9Daarom zei Eli tegen Samuel: Ga weer terug en ga liggen. Wanneer het gebeurt dat Hij je roept, moet je zeggen: Spreek, HEERE, want Uw dienaar luistert. Toen ging Samuel weer terug en ging op zijn slaapplaats liggen.

10Toen kwam de HEERE en bleef daar staan; en Hij riep zoals de andere keren:3:10 zoals de andere keren - Letterlijk: zoals keer op keer. Samuel, Samuel! En Samuel zei: Spreek, want Uw dienaar luistert.

11De HEERE zei tegen Samuel: Zie, Ik ga iets doen in Israël waarvan bij ieder die het hoort,

3:11
2 Kon. 21:12
Jer. 19:3
de beide oren zullen tuiten.

12Op die dag zal Ik over Eli alles gestand doen

3:12
1 Sam. 2:31
wat Ik tegen zijn huis gesproken heb, van het begin tot het einde.

13Want Ik heb hem bekendgemaakt dat Ik over zijn huis voor eeuwig gericht zal oefenen, omwille van de ongerechtigheid die hij geweten heeft; want toen zijn zonen zich vervloekt gemaakt hebben, heeft hij hen niet eens zuur aangekeken.

14En daarom heb Ik het huis van Eli gezworen: De ongerechtigheid van het huis van Eli zal in eeuwigheid niet verzoend worden door slachtoffer of door graanoffer!

15Samuel nu bleef tot aan de morgen liggen; toen deed hij de deuren van het huis van de HEERE open. Samuel was bevreesd dit visioen aan Eli te vertellen.

16Toen riep Eli Samuel en zei: Mijn zoon Samuel! Hij zei: Zie, hier ben ik.

17En hij zei: Wat is het woord dat Hij tot je gesproken heeft? Houd het toch niet voor mij verborgen. God mag zó en nog veel erger met je doen als je ook maar één woord voor mij verborgen houdt van al de woorden die Hij tot je gesproken heeft!

18Toen maakte Samuel hem al die woorden bekend en hield ze niet voor hem verborgen. En Eli zei: Hij is de HEERE; laat Hij doen wat goed is in Zijn ogen.

19En Samuel werd groot. De HEERE was met hem en liet niet een van al Zijn woorden onvervuld.3:19 onvervuld - Letterlijk: ter aarde vallen.

20En heel Israël, van Dan tot Berseba toe, erkende dat Samuel aangesteld was tot profeet van de HEERE.

21En de HEERE bleef in Silo verschijnen; ja, de HEERE openbaarde Zich aan Samuel in Silo door het woord van de HEERE.