Herziene Statenvertaling (HSV)
10

101Toen nam Samuel een oliekruik, goot die leeg op zijn hoofd, kuste hem en zei: Is het niet zo, dat de HEERE u

10:1
Hand. 13:21
tot een vorst over Zijn eigendom gezalfd heeft?

2Als u deze dag bij mij weggegaan bent, zult u twee mannen vinden bij het graf van Rachel, in het gebied van Benjamin, in Zelzah. Die zullen tegen u zeggen: De ezelinnen die u bent gaan zoeken, zijn gevonden, en zie, uw vader heeft de zaak van de ezelinnen laten rusten, maar hij is nu bezorgd over u en zegt: Wat kan ik nu voor mijn zoon doen?

3Als u vandaar verdergaat en bij Elon-Tabor aankomt, zullen drie mannen u daar ontmoeten, die op weg zijn naar God, in Bethel; één draagt er drie bokjes, één draagt drie ronde broden en één draagt een kruik wijn.

4

10:4
Richt. 18:15
Zij zullen u naar uw welstand vragen en u twee broden geven; die moet u uit hun hand aannemen.

5Daarna zult u op de heuvel van God komen, waar garnizoenen van de Filistijnen liggen. En het zal gebeuren, als u daar in de stad komt, dat u een groep profeten tegen zult komen,

10:5
1 Kron. 16:39
die van de hoogte afkomt. Zij hebben luiten, tamboerijnen, fluiten en harpen bij zich, en zijn aan het
10:5
Num. 11:25
profeteren.

6Dan zal de Geest van de HEERE over u vaardig worden en u zult samen met hen profeteren; u zult in een ander mens veranderd worden.

7En het zal gebeuren als deze tekenen u overkomen, doe dan wat uw hand vindt, want God zal met u zijn.

8Ga voor mij uit naar Gilgal; zie, ik zal naar u toe komen om brandoffers te brengen en om dankoffers te brengen. Zeven dagen moet u daar wachten,

10:8
1 Sam. 13:8
totdat ik bij u kom en u bekendmaak wat u moet doen.

9En het gebeurde, toen Saul zich omkeerde10:9 zich omkeerde - Letterlijk: zijn schouder keerde. om bij Samuel weg te gaan, dat God zijn hart in een ander veranderde; en al die tekenen overkwamen hem op die dag.

10Toen zij daar

10:10
1 Sam. 19:18
bij de heuvel kwamen, zie, een groep profeten kwam hem tegemoet; en de Geest van de HEERE werd vaardig over hem, en hij profeteerde in hun midden.

11Toen ieder die hem sinds jaar en dag10:11 sinds jaar en dag - Letterlijk: gisteren en eergisteren. kende, zag dat hij – zie! – met de profeten profeteerde, zei het volk, de een tegen de ander: Wat is er toch gebeurd met de zoon van Kis? Is Saul ook onder de profeten?

12Toen antwoordde iemand daarvandaan: En

10:12
Gal. 1:24
wie is hun vader? Daarom is het een spreekwoord geworden: Is Saul
10:12
1 Sam. 19:24
ook onder de profeten?

13Toen hij opgehouden had met profeteren, kwam hij aan op de hoogte.

14De oom van Saul zei tegen hem en zijn knecht: Waar zijn jullie heen gegaan? Hij zei: De ezelinnen zoeken, en toen wij zagen dat ze er niet waren, kwamen wij bij Samuel.

15Toen zei de oom van Saul: Vertel mij toch, wat heeft Samuel tegen jullie gezegd?

16Saul zei tegen zijn oom: Hij heeft ons duidelijk laten weten dat de ezelinnen gevonden waren. Maar de zaak van het koningschap, waar Samuel over gesproken had, vertelde hij hem niet.

Saul tot koning gekozen

17Maar Samuel riep het volk samen bij de HEERE, in Mizpa.

18En hij zei tegen de Israëlieten: Zo heeft de HEERE, de God van Israël, gesproken: Ik heb Israël uit Egypte geleid, en Ik heb u uit de hand van de Egyptenaren gered, en uit de hand van alle koninkrijken die u onderdrukten.

19

10:19
1 Sam. 8:7
Maar u hebt heden uw God verworpen, Die u uit al uw ellenden en uw noden verlost heeft, en u hebt tegen Hem gezegd: Stel een koning over ons aan.
10:19
1 Sam. 8:19
12:12
Nu dan, stel u op voor het aangezicht van de HEERE, overeenkomstig uw stammen en uw duizenden.

20Toen Samuel al de stammen van Israël naar voren liet komen,

10:20
Joz. 7:14
werd de stam van Benjamin door het lot aangewezen.

21Toen hij de stam van Benjamin naar voren liet komen, opgesteld naar zijn geslachten, werd het geslacht van Matri aangewezen; en Saul, de zoon van Kis, werd aangewezen. Ze zochten hem, maar hij werd niet gevonden.

22Toen raadpleegden zij de HEERE opnieuw: Is die man wel hierheen gekomen? De HEERE zei: Zie, hij heeft zich tussen de bagage verstopt.

23Zij snelden erheen en namen hem vandaar mee. Hij ging midden tussen het volk staan,

10:23
1 Sam. 9:2
en van zijn schouders en hoger was hij langer dan heel het volk.

24Toen zei Samuel tegen heel het volk: Ziet u wie de HEERE uitgekozen heeft? Want zoals hij is er niemand onder het hele volk. Toen juichte het hele volk, en zij zeiden: Leve de koning!

25Samuel sprak tot het volk over de bepalingen met betrekking tot het koningschap, schreef ze op een boekrol, en legde die voor het aangezicht van de HEERE. Toen liet Samuel het hele volk gaan, ieder naar zijn huis.

26Saul ging ook naar zijn huis in Gibea,

10:26
1 Sam. 13:2
en uit het leger gingen zij met hem mee van wie God het hart had aangeraakt.

27Maar verdorven lieden zeiden: Hoe zou deze man ons verlossen?

10:27
1 Sam. 11:12
Zij verachtten hem en brachten hem
10:27
2 Kron. 17:5
geen geschenk. Hij hield zich echter doof.

11

Saul verslaat de Ammonieten en bevrijdt de stad Jabes

111Toen trok Nahas, de Ammoniet, ten strijde en belegerde Jabes in Gilead. En al de mannen van Jabes zeiden tegen Nahas: Sluit een verbond met ons, dan zullen wij u dienen.

2Maar Nahas, de Ammoniet, zei tegen hen: Op deze voorwaarde zal ik een verbond met u sluiten, dat ik bij u allen het rechteroog uitsteek. Zo zal ik schande over heel Israël brengen.

3Toen zeiden de oudsten van Jabes tegen hem: Laat ons zeven dagen met rust, zodat wij boden kunnen sturen naar al de gebieden van Israël. Als er dan niemand is die ons verlost, zullen wij naar buiten komen, naar u toe.

4Toen de boden in Gibea kwamen, waar Saul woonde, en deze woorden ten aanhoren van het volk spraken, begon heel het volk luid te huilen.11:4 begon … luid te huilen - Letterlijk: verhief … zijn stem en huilde.

5En zie, Saul kwam van achter de runderen van de akker, en Saul zei: Wat is er met het volk, dat zij huilen? Toen maakten zij hem de woorden van de mannen van Jabes bekend.

6De Geest van God werd vaardig over Saul toen hij deze woorden hoorde, en hij ontstak in hevige woede.

7Hij nam een span runderen, hakte ze in stukken, en stuurde ze naar alle gebieden van Israël door de hand van de boden, die zeiden: Wie niet uittrekt achter Saul en achter Samuel aan, met diens runderen zal net zo gedaan worden. Toen viel grote vrees voor de HEERE op het volk,

11:7
Richt. 20:1
en zij trokken als één man uit.

8Hij telde hen in Bezek. Van de Israëlieten waren er driehonderdduizend en van de mannen van Juda dertigduizend.

9Toen zeiden zij tegen de boden die gekomen waren: Dit moet u tegen de mannen in Jabes in Gilead zeggen: Morgen, als de zon heet wordt, zal er verlossing voor u komen. Toen de boden kwamen en dat aan de mannen in Jabes vertelden, waren die verheugd.

10De mannen van Jabes zeiden tegen Nahas: Morgen zullen wij naar buiten komen, naar u toe, en dan kunt u met ons doen overeenkomstig alles wat goed is in uw ogen.

11En het gebeurde de volgende dag dat Saul het volk in drie groepen verdeelde. Die kwamen bij het aanbreken van de dag in het midden van het legerkamp en sloegen op Ammon in tot de dag heet werd. En het gebeurde dat zij die overbleven, zo verspreid werden, dat er van hen geen twee bij elkaar bleven.

12Toen zei het volk tegen Samuel:

11:12
1 Sam. 10:27
Wie is hij die zei: Zou Saul over ons regeren? Geef hier die mannen, dan zullen wij hen doden.

13Maar Saul zei: Er zal op deze dag niemand gedood worden, want de HEERE heeft Israël vandaag verlossing geschonken.

14En Samuel zei tegen het volk: Kom, laten wij naar Gilgal gaan en het koningschap daar vernieuwen.

15Toen ging heel het volk naar Gilgal en stelde Saul daar in Gilgal aan tot koning, voor het aangezicht van de HEERE; en zij brachten daar dankoffers voor het aangezicht van de HEERE. En Saul verheugde zich daar buitengewoon, met al de mannen van Israël.

12

Samuel legt getuigenis af van zijn gedrag

121Toen zei Samuel tegen heel Israël: Zie, ik heb naar uw stem geluisterd in alles wat u mij gezegd hebt, en ik heb een koning over u aangesteld.

2En nu, zie, de koning gaat u voor; ík ben oud en grijs geworden, en mijn zonen, zie, zij zijn onder u. Ik ben u van mijn jeugd af tot op deze dag voorgegaan.

3Zie, hier ben ik, leg getuigenis tegen mij af in de tegenwoordigheid van de HEERE en in de tegenwoordigheid van Zijn gezalfde: van wie heb ik een rund afgenomen, van wie heb ik een ezel afgenomen, wie heb ik onderdrukt, wie heb ik mishandeld, uit wiens hand heb ik zwijggeld aangenomen om mijn ogen voor hem te sluiten? Dan zal ik het u teruggeven.

4Toen zeiden zij: U hebt ons niet onderdrukt, u hebt ons niet mishandeld en u hebt uit niemands hand iets genomen.

5Toen zei hij tegen hen: De HEERE is getuige tegen u, en Zijn gezalfde is op deze dag getuige, dat u bij mij12:5 bij mij - Letterlijk: in mijn hand. niets gevonden hebt. En het volk zei: Hij is getuige.

6Verder zei Samuel tegen het volk: Het is de HEERE Die Mozes en Aäron voortgebracht heeft en Die uw vaderen uit Egypte heeft laten wegtrekken.

7Welnu, stel u hier op, dan zal ik als richter voor het aangezicht van de HEERE al de rechtvaardige daden van de HEERE bij u aan de orde stellen, die Hij bij u en bij uw vaderen verricht heeft.

8

12:8
Gen. 46:5
Nadat Jakob in Egypte gekomen was,
12:8
Ex. 2:23
riepen uw vaderen tot de HEERE. Toen
12:8
Ex. 3:10
zond de HEERE Mozes en Aäron. Zij leidden uw vaderen uit Egypte en lieten hen in deze plaats wonen.

9Maar zij vergaten de HEERE, hun God. Toen leverde Hij hen over12:9 leverde Hij hen over - Letterlijk: verkocht hen. in de hand van

12:9
Richt. 4:2
Sisera, de bevelhebber van het leger in Hazor, in
12:9
Richt. 10:7
de hand van de Filistijnen en in de hand van de
12:9
Richt. 3:12
koning van Moab, die tegen hen streden.

10Zij riepen tot de HEERE en zeiden: Wij hebben gezondigd, omdat wij de HEERE verlaten en de Baäls en Astartes gediend hebben. Nu dan, red ons uit de hand van onze vijanden; dan zullen wij U dienen.

11Toen zond de HEERE

12:11
Richt. 6:14
Jerubbaäl,
12:11
Richt. 10:3
Bedan,
12:11
Richt. 11:15
Jefta en Samuel; en Hij redde u uit de hand van uw vijanden rondom u, zodat u veilig woonde.

12Toen u zag dat Nahas, de koning van de Ammonieten, op u afkwam,

12:12
1 Sam. 8:5,19
zei u tegen mij: Nee, maar een koning moet over ons regeren – terwijl toch de HEERE, uw God, uw Koning is.

13Welnu, zie hier de koning

12:13
1 Sam. 10:19
die u gekozen hebt, die u verlangd hebt. Zie, de HEERE heeft een koning over u aangesteld.

14

12:14
Deut. 1:26
Als u dan maar de HEERE vreest, Hem dient, naar Zijn stem luistert en het bevel van de HEERE niet ongehoorzaam bent! Dan zal zowel u als de koning die over u regeren zal, veilig zijn, achter de HEERE uw God.

15Maar wanneer u niet naar de stem van de HEERE luistert, en het bevel van de HEERE ongehoorzaam bent, dan zal de hand van de HEERE tegen u zijn, zoals tegen uw vaderen.

16Blijf dan nu staan, en zie het indrukwekkende dat de HEERE voor uw ogen zal doen.

17Is het vandaag niet de tijd van de tarweoogst? Ik zal tot de HEERE roepen, en Hij zal donder en regen geven. Besef dan en zie, dat uw kwaad, dat u voor de ogen van de HEERE gedaan hebt, groot is, omdat u een koning voor u verlangd hebt.

18Toen Samuel de HEERE aanriep, gaf de HEERE donder en regen op die dag. Daarom werd heel het volk zeer bevreesd voor de HEERE en voor Samuel.

19En heel het volk zei tegen Samuel: Bid voor uw dienaren tot de HEERE, uw God, dat wij niet sterven; want boven al onze zonden hebben wij ook nog dit kwaad gedaan dat wij een koning voor ons verlangd hebben.

20Toen zei Samuel tegen het volk: Wees niet bevreesd, u hebt al dit kwaad wel gedaan, maar wijk niet langer van achter de HEERE af, en dien de HEERE met uw hele hart.

21Wijk niet af door de nietige afgoden na te volgen, die niet van nut zijn en niet kunnen redden, want zij zijn nietigheden.

22Want de HEERE zal Zijn volk niet verlaten, omwille van Zijn grote Naam, omdat het de HEERE behaagd heeft u voor Hem tot een volk te maken.

23En wat mij betreft, er is bij mij geen sprake van dat ik tegen de HEERE zou zondigen door op te houden voor u te bidden; maar ik zal u de goede en juiste weg leren.

24Vrees alleen de HEERE, en dien Hem trouw met uw hele hart, want zie welke grote dingen Hij bij u gedaan heeft.

25Maar indien u het kwade blijft doen, dan zult u weggevaagd worden, zowel u als uw koning.