Herziene Statenvertaling (HSV)
8

De overkomst van de ark

81Toen

8:1
2 Kron. 5:2
riep Salomo de oudsten van Israël bijeen en alle hoofden van de stammen, de leiders van de families onder de Israëlieten, bij koning Salomo in Jeruzalem, om de ark van het verbond van de HEERE over te brengen
8:1
2 Sam. 5:9
6:12,17
uit de stad van David, dat is Sion.

2Alle mannen van Israël kwamen bij koning Salomo bijeen voor het feest in de maand Ethanim, dat is de zevende maand.

3Alle oudsten van Israël kwamen, en de priesters namen de ark op

4en zij brachten de ark van de HEERE en de tent van ontmoeting over met alle heilige voorwerpen die in de tent waren. De priesters en de Levieten brachten ze over.

5Koning Salomo nu en de hele gemeenschap van Israël, die zich bij hem had verzameld, stonden gezamenlijk8:5 gezamenlijk - Letterlijk: met hem. vóór de ark. Zij offerden schapen en runderen, die vanwege hun grote hoeveelheid niet geschat of geteld konden worden.

6Zo brachten de priesters de ark van het verbond van de HEERE op zijn plaats, tot in het binnenste heiligdom van het huis, tot in het heilige der heiligen, tot onder de vleugels van de cherubs.

7Want de cherubs spreidden beide vleugels uit over de plaats van de ark: de cherubs bedekten de ark en zijn draagbomen vanboven.

8Daarna schoven zij de draagbomen verder uit, zodat de uiteinden van de draagbomen wel zichtbaar waren vanuit het heiligdom vóór het binnenste heiligdom, maar buiten niet zichtbaar waren. Zij zijn daar tot op deze dag.

9Er was niets in de ark dan alleen de twee stenen tafelen, die Mozes bij de Horeb daarin gelegd had,

8:9
Ex. 34:27
toen de HEERE een verbond gesloten had met de Israëlieten, toen zij uit het land Egypte waren vertrokken.

10En het gebeurde, toen de priesters uit het heiligdom gingen, dat de wolk het huis van de HEERE vervulde.

11

8:11
Ex. 40:34,35
2 Kron. 7:2
Vanwege de wolk konden de priesters niet blijven staan om dienst te doen, want de heerlijkheid van de HEERE had het huis van de HEERE vervuld.

Salomo bij de inwijding van de tempel

12Toen zei Salomo:

8:12
Ex. 20:21
Lev. 16:2
Deut. 4:11
5:22
2 Kron. 6:1
De HEERE heeft gezegd in een donkere wolk te zullen wonen.

13Ik heb immers een huis gebouwd als woning voor U, een vaste woonplaats voor U, in alle eeuwigheid.8:13 in alle eeuwigheid - Letterlijk: eeuwigheden.

14Daarna keerde de koning zich om en zegende heel de gemeente van Israël, terwijl heel de gemeente van Israël stond.

15Hij zei: Geloofd zij de HEERE, de God van Israël, Die met Zijn mond tot mijn vader David gesproken heeft, en dat met Zijn hand heeft vervuld, toen Hij zei:

16

8:16
2 Sam. 7:6
2 Kron. 6:5
Vanaf de dag dat Ik Mijn volk Israël uit Egypte heb geleid, heb Ik uit alle stammen van Israël geen stad verkozen om er een huis te bouwen, zodat Mijn Naam daar zou zijn, maar Ik heb David verkozen om koning te zijn over Mijn volk Israël.

17

8:17
2 Sam. 7:2
1 Kron. 17:1
2 Kron. 6:7
Het was in het hart van mijn vader David om een huis te bouwen voor de Naam van de HEERE, de God van Israël.

18Maar de HEERE zei tegen mijn vader David: Dat het in uw hart was om voor Mijn Naam een huis te bouwen, daar hebt u goed aan gedaan, dat dit in uw hart was.

19U echter zult dat huis niet bouwen, maar uw zoon, die uit uw lichaam8:19 uit uw lichaam - Letterlijk: uit uw lendenen. zal voortkomen, die zal voor Mijn Naam dat huis bouwen.

20Zo heeft de HEERE Zijn woord dat Hij gesproken had, gestand gedaan, want ik ben in de plaats van mijn vader David opgestaan, en ik heb op de troon van Israël plaatsgenomen, zoals de HEERE gesproken heeft, en ik heb voor de Naam van de HEERE, de God van Israël, dit huis gebouwd.

21Ik heb daar een plaats toegewezen voor de ark, waarin het verbond van de HEERE ligt dat Hij met onze vaderen sloot, toen Hij hen uit het land Egypte leidde.

Het gebed van Salomo

22

8:22
2 Kron. 6:12
Toen ging Salomo voor het altaar van de HEERE staan, tegenover heel de gemeente van Israël, en hij spreidde zijn handen uit naar de hemel

23en zei: HEERE, God van Israël, er is geen God zoals U, boven in de hemel of beneden op de aarde, Die het verbond en de goedertierenheid houdt tegenover Uw dienaren, die met heel hun hart wandelen voor Uw aangezicht,

24Die Zich tegenover Uw dienaar, mijn vader David, gehouden hebt aan wat U tot hem had gesproken. Want met Uw mond sprak U, en dat hebt U met Uw hand vervuld, zoals het op deze dag is.

25En nu HEERE, God van Israël, houd U tegenover mijn vader David, Uw dienaar, aan wat U tot hem gesproken hebt:

8:25
2 Sam. 7:12,16
1 Kon. 2:4
Ps. 132:12
Het zal u voor Mijn aangezicht niet aan een man ontbreken8:25 Het zal … ontbreken - Letterlijk: Geen man zal u van voor Mijn aangezicht afgesneden worden. die op de troon van Israël zal zitten, tenminste, wanneer uw zonen op hun weg letten door voor Mijn aangezicht te wandelen, zoals u voor Mijn aangezicht gewandeld hebt.

26Nu dan, God van Israël, laat toch Uw woorden, die U tot Uw dienaar, mijn vader David, sprak, bewaarheid worden.

27

8:27
2 Kron. 2:6
Jes. 66:1
Jer. 23:24
Hand. 7:49
Maar zou God werkelijk op de aarde wonen? Zie, de hemel, ja, de allerhoogste hemel,8:27 de allerhoogste hemel - Letterlijk: de hemel der hemelen. kan U niet bevatten, hoeveel te min dit huis dat ik gebouwd heb!

28Schenk dan aandacht aan het gebed van Uw dienaar en aan zijn smeekbede, HEERE, mijn God, door te luisteren naar het roepen en naar het gebed dat Uw dienaar heden voor Uw aangezicht bidt.

29Laten Uw ogen open zijn, nacht en dag, over dit huis, over deze plaats, waarvan U hebt

8:29
Deut. 12:11
gezegd: Mijn Naam zal daar zijn, om te luisteren naar het gebed dat Uw dienaar op deze plaats zal bidden.

30Luister dan naar de smeekbede van Uw dienaar en Uw volk Israël, die zij op deze plaats zullen bidden. En U, luister in Uw woonplaats, in de hemel, ja luister, en vergeef.

31Wanneer iemand tegen zijn naaste zondigt en deze hem een eed oplegt, zodat hij een vervloeking over zichzelf afroept, en deze eed voor Uw altaar in dit huis komt,

32luistert Ú dan in de hemel, grijp in, en spreek recht over Uw dienaren, door de schuldige schuldig te verklaren en zijn weg op zijn eigen hoofd te doen neerkomen, door de rechtvaardige rechtvaardig te verklaren, en hem overeenkomstig zijn gerechtigheid te vergelden.

33Wanneer Uw volk Israël door de vijand wordt verslagen, omdat zij tegen U hebben gezondigd, en zij zich tot U bekeren, Uw Naam belijden en tot U in dit huis zullen bidden en smeken,

34luistert Ú dan in de hemel, en vergeef de zonde van Uw volk Israël, en breng hen terug naar het land dat U aan hun vaderen gegeven hebt.

35Als de hemel gesloten is en er geen regen komt, omdat zij tegen U gezondigd hebben, en zij op deze plaats bidden, Uw Naam belijden en zich van hun zonde bekeren, omdat U hen vernederde,

36luistert Ú dan in de hemel en vergeef de zonde van Uw dienaren en van Uw volk Israël, want U leert hun de goede weg waarop zij moeten gaan, en geef regen op Uw land, dat U aan Uw volk als erfelijk bezit hebt gegeven.

37Als er honger in het land is, als er pest is, als er korenbrand, meeldauw, veldsprinkhanen en zwermsprinkhanen komen, als zijn vijand hem benauwt in het land met zijn steden,8:37 het land met zijn steden - Letterlijk: het land van zijn poorten; zie ook vers 40. als er enige plaag of enige ziekte komt,

38elk gebed, elke smeekbede die er zal zijn van ieder mens uit heel Uw volk Israël, als eenieder de plaag van zijn hart erkent en naar dit huis zijn handen uitstrekt,

39luistert Ú dan in de hemel, Uw vaste woonplaats, vergeef, en grijp in, en geef eenieder naar al zijn wegen, U, Die zijn hart kent. U alleen kent immers het hart van alle mensenkinderen,

40opdat zij U vrezen alle dagen dat zij leven op de grond die U onze vaderen gegeven hebt.

41Zelfs ook wat de vreemdeling betreft, die niet tot Uw volk Israël behoort, maar uit een ver land komt omwille van Uw Naam

42– want zij zullen horen van Uw grote Naam, van Uw sterke hand en van Uw uitgestrekte arm – wanneer hij komt en naar dit huis zijn gebed richt,

43luistert Ú dan in de hemel, Uw vaste woonplaats, en doe overeenkomstig alles wat de vreemdeling tot U roepen zal, opdat alle volken van de aarde Uw Naam kennen en U vrezen, zoals Uw volk Israël, en erkennen dat Uw Naam is uitgeroepen over dit huis dat ik gebouwd heb.

44Wanneer Uw volk uittrekt ten strijde tegen zijn vijand, op de weg waarheen U hen zendt, en zij bidden tot de HEERE, in de richting van deze stad, die U verkozen hebt, en van het huis dat ik voor Uw Naam heb gebouwd,

45luistert U dan in de hemel naar hun gebed en hun smeekbede, en verschaf hun recht.

46Wanneer zij tegen U hebben gezondigd –

8:46
2 Kron. 6:36
Spr. 20:9
Pred. 7:20
1 Joh. 1:8,10
er is immers geen mens die niet zondigt – en U toornig op hen bent, en hen overlevert aan de vijand, zodat zij die hen gevangengenomen hebben, hen als gevangenen wegvoeren naar het land van de vijand, ver weg of dichtbij,

47en zij het in het land waarheen zij als gevangenen werden weggevoerd, ter harte nemen, zich bekeren en tot U smeken in het land van hen die hen gevangengenomen hebben, door te zeggen: Wij hebben gezondigd en ons misdragen, wij hebben goddeloos gehandeld,

48en als zij zich in het land van hun vijanden die hen als gevangenen weggevoerd hebben, tot U bekeren met heel hun hart en met heel hun ziel, en tot U bidden in de richting van hun land, dat U aan hun vaderen gegeven hebt, en van de stad die U verkozen hebt, en van het huis dat ik voor Uw Naam gebouwd heb,

49luistert U dan in de hemel, Uw vaste woonplaats, naar hun gebed en hun smeekbede en verschaf hun recht.

50Vergeef Uw volk datgene waarmee zij tegen U zondigden, en al hun overtredingen waarmee zij tegen U overtraden, en geef hun ontferming bij hen die hen als gevangenen wegvoerden, zodat die zich over hen ontfermen.

51Want zij zijn Uw volk en Uw eigendom, door U uit Egypte geleid, uit het midden van de ijzeroven.

52Laten Uw ogen dan open zijn voor de smeekbede van Uw dienaar en voor de smeekbede van Uw volk Israël, door naar hen te luisteren bij al hun roepen tot U,

53want Ú hebt hen voor Uzelf als Uw eigendom afgezonderd uit alle volken van de aarde,

8:53
Ex. 19:5
Deut. 4:20
7:6
9:26,29
14:2
zoals U gesproken hebt door de dienst van Mozes,8:53 de dienst van Mozes - Letterlijk: de hand van Mozes; zie ook vers 56. Uw dienaar, toen U onze vaderen uit Egypte leidde, Heere HEERE!

Salomo zegent het volk

54Het gebeurde nu, toen Salomo geëindigd had heel dit gebed en deze smeekbede tot de HEERE te bidden, dat hij van voor het altaar van de HEERE uit zijn geknielde houding8:54 uit zijn geknielde houding - Letterlijk: van het knielen op zijn knieën. opstond en zijn handen uitspreidde naar de hemel.

55Zo stond hij daar en zegende heel de gemeente van Israël en zei met luide stem:

56Geloofd zij de HEERE, Die Zijn volk Israël rust gegeven heeft, overeenkomstig alles wat Hij gesproken heeft!

8:56
Joz. 21:45
Niet één woord is onvervuld gebleven8:56 onvervuld gebleven - Letterlijk: gevallen. van al Zijn goede woorden, die Hij gesproken heeft door de dienst van Mozes, Zijn dienaar.

57Moge de HEERE, onze God, met ons zijn, zoals Hij met onze vaderen is geweest. Moge Hij ons niet verlaten en ons niet in de steek laten,

58door ons hart voor Zich te winnen, zodat wij in al Zijn wegen gaan en Zijn geboden, Zijn verordeningen en Zijn bepalingen, die Hij onze vaderen geboden heeft, in acht nemen.

59Laten deze woorden van mij, waarmee ik voor het aangezicht van de HEERE gesmeekt heb, dag en nacht dicht bij de HEERE, onze God, zijn, zodat Hij recht verschaft aan Zijn dienaar en aan Zijn volk Israël,8:59 recht verschaft … Israël - Letterlijk: het recht van Zijn dienaar en het recht van Zijn volk Israël doet. zoals elke dag vereist,8:59 zoals … vereist - Letterlijk: de zaak van een dag op zijn dag.

60opdat alle volken van de aarde weten:

8:60
Deut. 4:35,39
de HEERE, Hij is God en niemand anders.

61Laat uw hart volkomen met de HEERE, onze God, zijn, door te wandelen overeenkomstig Zijn verordeningen en Zijn geboden in acht te nemen, zoals op deze dag.

62De koning nu, en heel Israël met hem, bracht offers voor het aangezicht van de HEERE.

63

8:63
2 Kron. 7:5
Salomo bracht een dankoffer dat hij aan de HEERE offerde: tweeëntwintigduizend runderen en honderdtwintigduizend schapen. Zo wijdden de koning en alle Israëlieten het huis van de HEERE in.

64Op die dag heiligde de koning het midden van de voorhof, die vóór het huis van de HEERE ligt, omdat hij daar het brandoffer en het graanoffer had bereid met het vet van de dankoffers, want het koperen altaar, dat voor het aangezicht van de HEERE stond,

8:64
2 Kron. 7:7
was te klein om de brandoffers, de graanoffers en het vet van de dankoffers te bevatten.

65In die tijd hield Salomo ook het feest, en heel Israël met hem, een grote menigte, vanaf Lebo-Hamath tot de Beek van Egypte, voor het aangezicht van de HEERE, onze God, zeven dagen en nog eens zeven dagen: veertien dagen.

66Op de achtste dag liet hij het volk gaan en zij zegenden de koning. Daarna gingen zij naar hun tenten, blij en welgemoed over al het goede dat de HEERE aan Zijn dienaar David, en aan Zijn volk Israël, had gedaan.

9

91Het gebeurde nu,

9:1
2 Kron. 7:11
toen Salomo de bouw van het huis van de HEERE en het huis van de koning voltooid had,
9:1
2 Kron. 7:11
en toen Salomo al zijn wensen, die hij uit wilde voeren, ten uitvoer had gebracht,

2dat de HEERE voor de tweede maal aan Salomo verscheen,

9:2
1 Kon. 3:5
zoals Hij aan hem in Gibeon verschenen was.

3De HEERE zei tegen hem: Ik heb uw gebed en uw smeekbede gehoord, die u voor Mijn aangezicht gesmeekt hebt. Ik heb dit huis dat u gebouwd hebt, geheiligd

9:3
Deut. 12:11
1 Kon. 8:29
om Mijn Naam daar tot in eeuwigheid te vestigen. Alle dagen zullen Mijn ogen en Mijn hart daar zijn.

4En u, wanneer u voor Mijn aangezicht wandelt, zoals uw vader David met een volkomen hart en in oprechtheid gewandeld heeft, door te handelen overeenkomstig alles wat Ik u geboden heb, en u Mijn verordeningen en bepalingen in acht neemt,

5dan zal Ik de troon van uw koningschap over Israël voor eeuwig bevestigen,

9:5
2 Sam. 7:12,16
1 Kon. 6:12
1 Kron. 22:10
Ps. 132:12
zoals Ik met betrekking tot uw vader David gesproken heb:
9:5
1 Kon. 2:4
Het zal u niet ontbreken aan een man op de troon van Israël.9:5 Het zal … Israël - Letterlijk: Er zal u geen man worden afgesneden van op de troon van Israël.

6Maar

9:6
2 Sam. 7:14
Ps. 89:30,31
als u en uw kinderen zich ooit van achter Mij afkeren en Mijn geboden en Mijn verordeningen, die Ik u voorgehouden heb, niet in acht nemen, maar andere goden gaan dienen en zich voor hen neerbuigen,

7dan zal Ik Israël uitroeien uit het land dat Ik hun gegeven heb, en zal Ik het huis, dat

9:7
Jer. 7:15
Ik voor Mijn Naam geheiligd heb, van voor Mijn aangezicht wegwerpen,
9:7
Deut. 28:37
en zal Israël onder alle volken tot een spreekwoord en een voorwerp van spot worden.

8

9:8
2 Kron. 7:21
En dit huis zal een ruïne worden. Ieder die er voorbijgaat, zal zich ontzetten, sissen van afschuw en zeggen:
9:8
Deut. 29:24
Jer. 22:8
Waarom heeft de HEERE zo gedaan met dit land en met dit huis?

9Dan zal men zeggen: Omdat zij de HEERE, hun God, hebben verlaten, Die hun vaderen uit het land Egypte had geleid. Zij klampten zich vast aan andere goden en gingen zich voor hen neerbuigen en hen dienen. Daarom heeft de HEERE al dit kwaad over hen gebracht.

Voorspoed onder Salomo

10

9:10
2 Kron. 8:1
En het gebeurde na verloop van twintig jaar, waarin Salomo de twee huizen gebouwd had, het huis van de HEERE en het huis van de koning,

11dat koning Salomo aan Hiram twintig steden in het land van Galilea gaf. Hiram, de koning van Tyrus, had Salomo gesteund met cederhout, met cipressenhout en met goud, overeenkomstig al zijn wensen.

12En Hiram vertrok uit Tyrus om de steden te bekijken die Salomo hem had gegeven, maar ze waren niet goed in zijn ogen.

13Daarom zei hij: Wat zijn dat voor steden die u mij gegeven hebt, mijn broeder? En hij noemde ze het land Kabul, zoals het tot op deze dag heet.

14En Hiram stuurde de koning honderdtwintig talent9:14 Een talent is ongeveer 30 kilo; zie ook vers 28. goud.

15Dit nu is de kwestie van de lichting voor de herendienst, die koning Salomo liet opkomen om het huis van de HEERE, zijn eigen huis, de Millo, de muur van Jeruzalem, Hazor, Megiddo en Gezer te bouwen.

16Farao, de koning van Egypte, was namelijk opgetrokken en had Gezer ingenomen en het met vuur verbrand, de Kanaänieten die in de stad woonden, gedood, en het aan zijn dochter, de vrouw van Salomo, als geschenk gegeven.

17Salomo heeft toen Gezer herbouwd, en ook Laag-Beth-Horon,

18

9:18
2 Kron. 8:6
Baälath en Tamor in de woestijn, in dat land,

19al de voorraadsteden die Salomo had, de wagensteden, de ruitersteden, al wat hij maar verlangde te bouwen,9:19 al wat … te bouwen - Letterlijk: en de wens van Salomo, wat hij verlangde te bouwen. in Jeruzalem, op de Libanon en in heel het land van zijn heerschappij.

20Al het volk dat overgebleven was van de Amorieten, Hethieten, Ferezieten, Hevieten, en Jebusieten, die niet bij de Israëlieten behoorden,

21hun nakomelingen, die na hen in het land waren overgebleven en die de Israëlieten niet met de ban hadden kunnen slaan, hen liet Salomo opkomen om in herendienst te werken, tot op deze dag.

22Uit de Israëlieten echter

9:22
Lev. 25:39
stelde Salomo geen slaaf aan. Zij waren immers strijdbare mannen, zijn dienaren, zijn bevelhebbers en zijn officieren: de bevelhebbers over zijn wagens en zijn ruiters.

23Dit waren de opzichters over hen die aangesteld waren en die over het werk van Salomo gingen, vijfhonderdvijftig man, die de leiding hadden over het volk dat het werk verrichtte.

24Zodra

9:24
2 Kron. 8:11
de dochter van de farao vertrokken was uit de stad van David naar haar huis, dat Salomo voor haar had gebouwd, toen heeft hij de Millo gebouwd.

25Salomo bracht driemaal per jaar brandoffers en dankoffers op het altaar dat hij voor de HEERE had gebouwd en ook bracht hij er reukoffers, namelijk op het altaar dat voor het aangezicht van de HEERE stond, toen hij het huis voltooid had.

26Koning Salomo bouwde ook een vloot in Ezeon-Geber, dat bij Eloth ligt, aan de oever van de Schelfzee, in het land Edom.

27En Hiram stuurde zijn dienaren mee met de vloot: scheepslieden, kenners van de zee, samen met de dienaren van Salomo.

28En zij kwamen in Ofir en haalden daar goud vandaan, vierhonderdtwintig talent, en brachten het naar koning Salomo.

10

De koningin van Sjeba komt in Jeruzalem Salomo bezoeken

101Toen de koningin van Sjeba het gerucht over Salomo in verband met de Naam van de HEERE hoorde, kwam zij om hem met raadsels op de proef te stellen.

2

10:2
2 Kron. 9:1
Matt. 12:42
Luk. 11:31
Zij kwam naar Jeruzalem met een zeer groot gevolg,10:2 een zeer groot gevolg - Letterlijk: een zeer groot vermogen. met kamelen, beladen met specerijen, met zeer veel goud, en met edelstenen. Zij kwam bij Salomo en sprak tot hem over alles wat zij op haar hart had.

3En Salomo verklaarde haar al haar vragen. Geen ding was voor de koning verborgen dat hij haar niet kon verklaren.

4Toen de koningin van Sjeba alle wijsheid van Salomo zag, en het huis dat hij had gebouwd,

5het voedsel op zijn tafel, hoe zijn dienaren aanzaten, hoe zijn bedienden klaarstonden, hun kleding, zijn schenkers, zijn brandoffers, die hij bracht in het huis van de HEERE, was zij buiten zichzelf.10:5 was zij buiten zichzelf - Letterlijk: was er geen adem (SV: geest) meer in haar.

6Zij zei tegen de koning: Het was de waarheid, wat ik in mijn land over uw woorden en over uw wijsheid gehoord heb.

7Maar ik geloofde die woorden niet, totdat ik kwam en mijn eigen ogen het zagen. Zie, nog niet de helft was mij verteld. U hebt wat uw wijsheid en welstand betreft het gerucht dat ik gehoord had, overtroffen.

8Gelukkig zijn uw mannen, gelukkig deze dienaren van u, die voortdurend in uw dienst staan10:8 in uw dienst staan - Letterlijk: voor uw aangezicht staan. en uw wijsheid horen!

9Geloofd zij de HEERE, uw God, Die behagen in u heeft gehad, door u op de troon van Israël te zetten! Omdat de HEERE Israël voor eeuwig liefheeft, daarom heeft Hij u tot koning aangesteld, om recht en gerechtigheid te doen.

10Zij gaf de koning honderdtwintig talent10:10 Een talent is ongeveer 30 kilo; zie ook vers 14. goud en zeer veel specerijen en edelstenen. Zo'n grote hoeveelheid specerijen als die de koningin van Sjeba aan koning Salomo gaf, is er nooit meer gekomen.

11Ook bracht de vloot van Hiram, die goud uit Ofir vervoerde, zeer veel sandelhout en edelstenen uit Ofir.

12

10:12
2 Kron. 9:11
De koning maakte van dit sandelhout steunbalken voor het huis van de HEERE en voor het huis van de koning, en luiten en harpen voor de zangers. Zulk sandelhout is er niet meer gekomen of gezien tot op deze dag.

13Koning Salomo gaf de koningin van Sjeba overeenkomstig al haar wensen, alles waar zij om vroeg, meer dan wat Salomo haar al gegeven had, overeenkomstig het vermogen van de koning. Daarna keerde zij terug en ging naar haar land, zij en haar dienaren.

Rijkdom van Salomo

14Het gewicht van het goud dat in één jaar voor Salomo binnenkwam, was zeshonderdzesenzestig talent goud,

15afgezien van de inkomsten van de rondtrekkende kooplui en de winst van de handelaars, van alle koningen van Arabië en van de landvoogden van het land.

16Ook

10:16
1 Kon. 14:26
maakte koning Salomo tweehonderd grote schilden van gedreven goud. Zeshonderd sikkel goud ging op aan één schild.

17Verder driehonderd kleine schilden van gedreven goud; drie pond goud liet hij opgaan aan één schild.

10:17
1 Kon. 7:2
De koning legde ze in het huis van het Woud van de Libanon.

18Ook

10:18
2 Kron. 9:17
maakte de koning een grote ivoren troon en overtrok die met zuiver goud.

19Deze troon had zes treden en de bovenzijde van de troon was vanachteren rond, aan beide zijden10:19 aan beide zijden - Letterlijk: vanhier en vandaar; zie ook vers 20. van de zitplaats zaten leuningen,10:19 leuningen - Letterlijk: handen. en bij die leuningen stonden twee leeuwen.

20Er stonden daar dus twaalf leeuwen op de zes treden, aan beide zijden. Zoiets werd er voor geen enkel koninkrijk ooit gemaakt.

21Verder was al het drinkgerei van koning Salomo van goud, en alle voorwerpen in het huis van het Woud van de Libanon waren van bladgoud. Er was niets van zilver. Dat werd in de dagen van Salomo als niets geacht.

22De koning had namelijk een Tarsisvloot op zee, samen met de vloot van Hiram. Eens in de drie jaar liep de Tarsisvloot binnen, beladen met goud, zilver, ivoor, apen en pauwen.

23Zo werd koning Salomo, wat

10:23
1 Kon. 3:12,13
rijkdom en wijsheid betrof, aanzienlijker dan alle koningen van de aarde.

24En de hele wereld zocht Salomo op,10:24 zocht Salomo op - Letterlijk: zocht het aangezicht van Salomo. om zijn wijsheid te horen, die God hem in zijn hart had gegeven.

25Ieder van hen bracht zijn geschenk mee: zilveren voorwerpen, gouden voorwerpen, kleding, wapens, specerijen, paarden en muildieren, jaar op jaar het toegezegde geschenk.10:25 jaar … geschenk - Letterlijk: de zaak van een jaar in een jaar.

26

10:26
1 Kon. 4:26
2 Kron. 1:14
9:25
Verder verzamelde Salomo strijdwagens en ruiters. Hij had veertienhonderd strijdwagens en twaalfduizend ruiters. Hij bracht ze onder in de wagensteden en bij de koning in Jeruzalem.

27

10:27
2 Kron. 1:15
9:27
De koning maakte het zilver in Jeruzalem zo overvloedig als stenen, en de ceders maakte hij zo talrijk als de wilde vijgenbomen die in het Laagland voorkomen.

28En

10:28
2 Kron. 9:28
de aanvoer van de paarden die Salomo had, kwam uit Egypte en uit Kewe.
10:28
2 Kron. 1:16
Kooplieden van de koning namen ze tegen een bepaalde prijs uit Kewe mee.

29Een wagen werd uit Egypte uitgevoerd10:29 werd … uitgevoerd - Letterlijk: kwam op en ging uit. voor zeshonderd zilverstukken en een paard voor honderdvijftig. Ook voerden ze die door hun tussenkomst10:29 tussenkomst - Letterlijk: hand. uit naar alle koningen van de Hethieten en naar de koningen van Syrië.