Herziene Statenvertaling (HSV)
3

Salomo bidt om een wijs hart

31Salomo ging huwelijksbanden aan met de farao, de koning van Egypte:

3:1
1 Kon. 7:8
hij nam de dochter van de farao tot vrouw en bracht haar in de stad van David, totdat hij de bouw van zijn huis, het huis van de HEERE en de muur rondom Jeruzalem had voltooid.

2Alleen offerde het volk nog op de hoogten, want tot in die dagen was er nog

3:2
Deut. 12:5
geen huis voor de Naam van de HEERE gebouwd.

3Salomo had de HEERE lief, door te wandelen overeenkomstig de verordeningen van zijn vader David. Alleen bracht hij slachtoffers en reukoffers op de offerhoogten.

4

3:4
2 Kron. 1:3
De koning ging naar Gibeon om daar te offeren, omdat de hoogte daar de belangrijkste was. Duizend brandoffers bracht Salomo op dat altaar.

5In

3:5
1 Kon. 9:2
Gibeon verscheen de HEERE 's nachts aan Salomo in een droom, en God zei: Vraag wat Ik u geven zal.

6Salomo zei: Ú hebt aan Uw dienaar David, mijn vader, grote goedertierenheid bewezen, zoals hij voor Uw aangezicht gewandeld heeft, in trouw, in rechtvaardigheid en in oprechtheid van hart bij U. En U hebt dit grote blijk van goedertierenheid aan hem bewezen dat U hem een zoon gaf die op zijn troon zit, zoals op deze dag.

7

3:7
2 Kron. 1:8
Nu dan, HEERE, mijn God! Ú hebt Uw dienaar koning gemaakt in de plaats van mijn vader David. Ík ben echter een jonge man: ik weet niet uit of in te gaan.

8

3:8
2 Kron. 1:9
En Uw dienaar is te midden van Uw volk geplaatst, dat U verkozen hebt, een groot volk, dat vanwege de menigte niet geteld of geschat kan worden.

9Geef dan Uw dienaar een opmerkzaam hart, om recht te kunnen spreken over Uw volk, om met inzicht onderscheid te kunnen maken tussen goed en kwaad, want wie zou over dit machtige volk van U kunnen rechtspreken?

10Het was goed in de ogen van de Heere, dat Salomo dit gevraagd had.

11

3:11
2 Kron. 1:11
God zei tegen hem: Omdat u hierom gevraagd hebt, en niet gevraagd hebt om een lang leven3:11 een lang leven - Letterlijk: vele dagen. voor uzelf; omdat u niet om rijkdom voor uzelf hebt gevraagd en niet om de dood3:11 de dood - Letterlijk: de ziel. van uw vijanden hebt gevraagd, maar om inzicht hebt gevraagd voor uzelf om naar rechtszaken te kunnen luisteren,

12zie, daarom doe Ik overeenkomstig uw woorden:

3:12
Pred. 1:16
zie, Ik geef u een wijs en verstandig hart, zodat uws gelijke er vóór u niet geweest is, en uws gelijke na u niet zal opstaan.

13

3:13
Matt. 6:33
Efez. 3:20
En zelfs dat waar u niet om gevraagd hebt, geef Ik u: zowel rijkdom als eer, zodat niemand onder de koningen uws gelijke zal zijn, al uw dagen.

14En als u in Mijn wegen gaat door Mijn verordeningen en Mijn geboden in acht te nemen, zoals uw vader David gewandeld heeft, dan zal Ik uw dagen verlengen.

15Toen werd Salomo wakker, en zie, het was een droom. En hij kwam in Jeruzalem, en stond voor de ark van het verbond van de Heere, bracht brandoffers, bereidde dankoffers en richtte een maaltijd aan voor al zijn dienaren.

Eerste rechtspraak van Salomo

16Toen kwamen er twee vrouwen, hoeren, bij de koning, en zij gingen voor hem staan.

17De ene vrouw zei: Och, mijn heer, ik en deze vrouw wonen in één huis, en ik heb bij haar in huis een kind gebaard.

18Het gebeurde op de derde dag nadat ik gebaard had, dat deze vrouw ook een kind baarde. Nu waren wij samen, geen vreemde was er bij ons in huis; alleen wij tweeën waren in huis.

19Toen is de zoon van deze vrouw 's nachts gestorven, omdat zij op hem gelegen had.

20En zij is midden in de nacht opgestaan, heeft mijn zoon bij mij weggenomen, terwijl uw dienares sliep, en heeft hem in haar schoot gelegd; en haar dode zoon legde zij in mijn schoot.

21Toen ik 's morgens opstond om mijn zoon te voeden, zie, hij was dood. Diezelfde morgen echter bekeek ik hem goed, en zie, het was mijn zoon niet, die ik gebaard had.

22Toen zei de andere vrouw: Niet waar, de levende is mijn zoon, en de dode is uw zoon. De eerste zei daarentegen: Niet waar, de dode is uw zoon, en de levende is mijn zoon! Zo spraken zij ten overstaan van de koning.

23Toen zei de koning: Deze zegt: Dit is mijn zoon, de levende, en uw zoon is de dode, en die zegt: Niet waar, uw zoon is de dode en mijn zoon is de levende.

24Vervolgens zei de koning: Breng mij een zwaard; en zij brachten een zwaard bij de koning.

25En de koning zei: Snijd dat levende kind in tweeën, en geef de helft aan de één en de helft aan de ander.

26Maar de vrouw van wie de levende zoon was – want haar medelijden werd opgewekt vanwege haar zoon – zei tegen de koning: Och, mijn heer! Geef haar het levende kind, en dood het in geen geval. Maar de ander zei: Het zal niet voor mij en ook niet voor u zijn, snijd het doormidden.

27Toen antwoordde de koning en zei: Geef haar het levende kind, en dood het in geen geval: zij is zijn moeder.

28En heel Israël hoorde het oordeel dat de koning geveld had, en men had ontzag voor de koning, want zij zagen dat de wijsheid van God in hem was om recht te doen.

4

Vorsten van Salomo

41Zo was koning Salomo koning over heel Israël.

2Dit waren de vorsten die hij had: Azaria, de zoon van Zadok, was de priester,

3Elihoref en Ahia, de zonen van Sisa, waren schrijvers. Josafat, de zoon van Ahilud, was kanselier.

4Benaja, de zoon van Jojada, ging over het leger, en Zadok en Abjathar waren priesters.

5En Azaria, de zoon van Nathan, ging over de opzichters, en Zabud, de zoon van Nathan, was priester en vriend van de koning.

6En Ahisar was hofmeester, en

4:6
1 Kon. 5:14
12:18
Adoniram, de zoon van Abda, ging over de herendienst.

7Ook had Salomo twaalf opzichters over heel Israël, die zorg droegen voor het levensonderhoud van de koning en zijn huis. Ieder moest er een maand per jaar zorg voor dragen.

8En dit zijn hun namen: de zoon van Hur, in het bergland van Efraïm;

9de zoon van Deker, in Makaz, in Saälbim, Beth-Semes en Elon-Beth-Hanan;

10de zoon van Hesed in Arubboth, die bovendien Socho en heel het land Hefer had;

11de zoon van Abinadab in heel het heuvelland van Dor; hij had Tafath, de dochter van Salomo, tot vrouw;

12Baäna, de zoon van Ahilud in Taänach, Megiddo en heel Beth-Sean, dat bij Zartana ligt, onder Jizreël, van Beth-Sean tot Abel-Mehola, tot aan de andere zijde van Jokmeam;

13de zoon van Geber, in Ramoth in Gilead; hij had de dorpen van Jaïr, de zoon van Manasse, die in Gilead liggen; ook had hij het gebied Argob, dat in Basan ligt: zestig grote steden met muren en bronzen grendels;

14Ahinadab, de zoon van Iddo, in Mahanaïm;

15Ahimaäz in Naftali; ook hij had een dochter van Salomo tot vrouw genomen: Basmath;

16Baäna, de zoon van Husai, in Aser en in Aloth;

17Josafat, de zoon van Paruah, in Issaschar;

18Simeï, de zoon van Ela, in Benjamin;

19Geber, de zoon van Uri, in het land Gilead, het land van Sihon, de koning van de Amorieten, en van Og, de koning van Basan. Hij was de enige opzichter die er in dat land was.

Welvaart tijdens de regering van Salomo

20Juda en Israël waren met velen, zo talrijk als het zand dat aan de zee is. Zij aten en dronken en waren blij.

21Salomo heerste over alle koninkrijken van de rivier de Eufraat tot het land van de Filistijnen en tot aan de grens van Egypte. Zij brachten geschenken en dienden Salomo al de dagen van zijn leven.

22Het voedsel van Salomo voor één dag was: dertig kor4:22 Een kor is vermoedelijk tussen de 200 en 450 liter. meelbloem en zestig kor meel,

23tien vetgemeste runderen, twintig weiderunderen en honderd schapen, naast de herten, gazellen, reebokken en gemeste vogels.

24Want hij heerste over al het land aan deze zijde van de rivier, vanaf Tifsah tot aan Gaza, over alle koningen aan deze zijde van de rivier, en hij had vrede aan al zijn zijden, van rondom.

25En Juda en Israël

4:25
Lev. 26:5
woonden onbezorgd, ieder onder zijn wijnstok en onder zijn vijgenboom, van Dan tot Berseba, al de dagen van Salomo.

26

4:26
1 Kon. 10:26
2 Kron. 1:14
9:25
Salomo had ook veertigduizend paardenstallen voor zijn wagens, en twaalfduizend ruiters.

27Die opzichters verzorgden, ieder in zijn maand, het levensonderhoud van koning Salomo en van iedereen die tot de tafel van koning Salomo naderde. Aan niets lieten zij het ontbreken.

28De gerst nu en het stro voor de paarden en voor de snelle paarden brachten zij naar de plaats waar hij was, ieder volgens zijn opdracht.

Wijsheid van Salomo

29God gaf Salomo wijsheid, zeer veel inzicht en groot verstand,4:29 verstand - Letterlijk: hart. overvloedig als het zand dat aan de oever van de zee is.

30De wijsheid van Salomo was groter dan de wijsheid van alle mensen van het Oosten, en dan alle wijsheid van de Egyptenaren,

31ja, hij was wijzer dan alle mensen, dan Ethan, de Ezrahiet, Heman, Chalcol en Darda, de zonen van Mahol, en zijn naam was bekend bij alle heidenvolken rondom.

32Ook sprak hij drieduizend spreuken uit en waren er van hem duizend en vijf liederen.

33Hij sprak ook over de bomen, van de ceder, die op de Libanon groeit, tot de hysop, die uit de muur komt. Hij sprak ook over het vee, over de vogels, over de kruipende dieren en over de vissen.

34En uit alle volken kwamen er om naar de wijsheid van Salomo te luisteren, van alle koningen van de aarde die van zijn wijsheid gehoord hadden.

5

Verbond van Salomo met koning Hiram. Voorbereiding voor de tempelbouw

51Hiram, de koning van Tyrus, stuurde zijn dienaren naar Salomo, want hij had gehoord dat men Salomo tot koning had gezalfd in de plaats van zijn vader.

5:1
2 Sam. 5:11
1 Kron. 14:1
Hiram was namelijk alle dagen een vriend geweest van David.

2Daarop stuurde Salomo Hiram een bode om te zeggen:

3

5:3
1 Kron. 28:3
Ú weet dat mijn vader David geen huis kon bouwen voor de Naam van de HEERE, zijn God, vanwege de oorlog die zij rondom tegen hem voerden, totdat de HEERE hen onder zijn voetzolen bracht.

4Maar de HEERE, mijn God, heeft mij nu rust gegeven van rondom. Er is geen tegenstander en geen dreiging van kwaad.

5Zie, ik

5:5
2 Kron. 2:1
ben van plan voor de Naam van de HEERE, mijn God, een huis te bouwen, zoals de HEERE tot mijn vader David gesproken heeft:
5:5
2 Sam. 7:13
1 Kron. 22:10
Uw zoon die Ik in uw plaats op uw troon zal zetten, die zal dat huis voor Mijn Naam bouwen.

6Geef daarom nu de opdracht dat men voor mij ceders van de Libanon kapt. Mijn dienaren zullen met uw dienaren zijn en ik zal u het loon van uw dienaren geven, helemaal zoals u het zegt. Want ú weet dat er niemand onder ons is die in staat is hout te kappen als de Sidoniërs.

7Het gebeurde, toen Hiram de woorden van Salomo hoorde, dat hij zich zeer verheugde en zei: Geloofd zij heden de HEERE, Die David een wijze zoon gegeven heeft om over dit grote volk te regeren!

8En Hiram stuurde Salomo een bode om te zeggen: Ik heb de boodschap gehoord die u mij gestuurd hebt. Ík zal aan al uw wensen om cederhout en cipressenhout voldoen.

9Mijn knechten zullen het van de Libanon naar de zee afvoeren, en ík zal er vlotten van maken voor vervoer over zee naar de plaats die u mij opgeeft. Ik zal ze daar losmaken, zodat u ze mee kunt nemen. Maar dan moet u mijn wens uitvoeren door voedsel voor mijn huis te geven.

10Zo gaf Hirom Salomo cederhout en cipressenhout, geheel naar zijn wens.

11En Salomo gaf Hiram twintigduizend kor5:11 Een kor is vermoedelijk tussen de 200 en 450 liter. tarwe als voedsel voor zijn huis, en twintig kor gestoten olie. Salomo gaf dat aan Hiram jaar op jaar.

12De HEERE had Salomo wijsheid gegeven, zoals Hij tot hem

5:12
1 Kon. 3:12
gesproken had. Er was vrede tussen Hiram en Salomo, en zij sloten een verbond met elkaar.

13Koning Salomo liet uit heel Israël mensen opkomen om herendienst te verrichten. Het aantal mensen om herendienst te verrichten bedroeg dertigduizend man.

14Hij stuurde hen bij toerbeurt naar de Libanon, tienduizend per maand. Een maand waren zij in de Libanon en twee maanden thuis. Adoniram ging over de herendienst.

15Verder had Salomo zeventigduizend lastdragers en tachtigduizend steenhouwers in het bergland,

16nog afgezien van de opzichters die door Salomo aangesteld waren en die over het werk gingen: drieëndertighonderd man die leiding gaven aan het volk dat het werk verrichtte.

17Als de koning daartoe de opdracht gaf, voerden zij grote stenen aan, kostbare stenen, gehouwen stenen, om de fundering van het huis te leggen.

18De bouwers van Salomo, de bouwers van Hirom, en de vaklieden uit Gebal bewerkten ze. Verder maakten zij het hout en de stenen gereed om het huis te bouwen.