Herziene Statenvertaling (HSV)
20

Oorlog tussen Achab en Benhadad

201Benhadad, de koning van Syrië, bracht heel zijn leger bijeen, en er waren tweeëndertig koningen met hem, en paarden en strijdwagens. Hij trok op, belegerde Samaria en voerde er oorlog tegen.

2Hij stuurde boden naar de stad, naar Achab, de koning van Israël.

3Hij zei tegen hem: Dit zegt Benhadad: Uw zilver en uw goud, dat is van mij; en uw vrouwen en uw beste kinderen, die zijn van mij.

4Toen antwoordde de koning van Israël en zei: Overeenkomstig uw woord, mijn heer de koning: Ik ben van u, met alles wat ik heb.

5Naderhand kwamen de boden terug, en zeiden: Dit zegt Benhadad: Ik heb wel boden naar u toe gestuurd om te zeggen: Uw zilver, uw goud, uw vrouwen en uw kinderen moet u mij geven.

6Morgen om deze tijd zal ik echter mijn dienaren naar u toe sturen. Zij zullen uw huis en de huizen van uw dienaren doorzoeken. En het zal gebeuren dat zij beslag zullen leggen20:6 beslag … leggen - Letterlijk: hun handen leggen. op alles wat in uw ogen begerenswaardig is, en dat mee zullen nemen.

7Toen riep de koning van Israël alle oudsten van het land en zei: Weet toch en zie dat deze man het slecht met ons voorheeft, want hij stuurde boden naar mij toe om mijn vrouwen en mijn kinderen, mijn zilver en mijn goud, en ik heb het hem niet geweigerd.

8Alle oudsten en heel het volk zeiden echter tegen hem: Luister niet en willig zijn eis niet in.

9Daarom zei hij tegen de boden van Benhadad: Zeg tegen mijn heer de koning: Alles waarom u eerder boden naar uw dienaar gestuurd hebt, zal ik doen, maar dit kan ik niet doen. Toen gingen de boden terug en brachten hem verslag uit.

10Daarop stuurde Benhadad hem een bode en zei: De goden mogen zó en nog erger met mij doen, als het stof van Samaria genoeg zal zijn voor de holten van de handen van al het volk dat mijn voetstappen volgt!

11Maar de koning van Israël antwoordde en zei: Spreek tot hem: Wie zijn wapens aangordt, moet zich niet beroemen als iemand die ze aflegt.

12Zodra Benhadad deze woorden hoorde, terwijl hij en de koningen in de tenten aan het drinken waren, zei hij tegen zijn dienaren: Stel u op! En zij stelden zich op tegen de stad.

13En zie, een profeet trad toe op Achab, de koning van Israël, en zei: Zo zegt de HEERE: Hebt u heel deze grote troepenmacht gezien? Zie, Ik ga ze vandaag nog in uw hand geven, zodat u weet dat Ik de HEERE ben.

14Achab zei: Door wie? En hij zei: Zo zegt de HEERE: Door de jonge mannen van de hoofden van de gewesten. Hij vroeg: Wie zal de strijd aanbinden? Toen zei hij: U.

15Toen monsterde hij de jonge mannen van de hoofden van de gewesten: het waren er tweehonderdtweeëndertig. Na hen monsterde hij al het volk, alle Israëlieten: zevenduizend.

16Zij trokken uit in de middag, terwijl Benhadad in de tenten bezig was zich dronken te drinken, hij en de koningen, de tweeëndertig koningen die hem hielpen.

17De jonge mannen van de hoofden van de gewesten trokken het eerst uit. Benhadad stuurde verkenners uit en zij vertelden hem: Er zijn mannen uit Samaria getrokken.

18En hij zei: Als ze met vreedzame bedoelingen zijn uitgetrokken, grijp ze levend. Als ze ten strijde getrokken zijn, grijp ze ook levend.

19Zo trokken de jonge mannen van de hoofden van de gewesten en het leger dat achter hen aankwam, de stad uit.

20Ieder versloeg zijn man, zodat de Syriërs moesten vluchten, en Israël joeg hen na. Maar Benhadad, de koning van Syrië, ontkwam te paard, met enkele ruiters.

21De koning van Israël trok uit en versloeg de paarden en de strijdwagens, zodat hij Syrië een grote slag toebracht.

Benhadad nogmaals verslagen

22Toen trad diezelfde profeet op de koning van Israël toe en zei tegen hem: Ga, vat moed, weet en zie wat u moet doen, want bij het aanbreken van het nieuwe jaar,20:22 Bij … jaar - Letterlijk: Bij de terugkeer van het jaar; zie ook vers 26. zal de koning van Syrië opnieuw tegen u optrekken.

23De dienaren van de koning van Syrië hadden namelijk tegen hem gezegd: Hun goden zijn berggoden, daarom zijn zij sterker geweest dan wij. Strijden wij echter in de vlakte tegen hen, dan zullen wij stellig sterker zijn dan zij!20:23 zullen … zij - Letterlijk: als wij niet sterker zijn dan zij! Zie ook vers 25.

24Doe daarom dit: Verwijder de koningen, ieder van zijn post, en stel landvoogden aan in hun plaats.

25En u, breng net zo'n groot leger op de been20:25 breng … op de been - Letterlijk: tel voor uzelf een leger als het leger. als wat u ontvallen is, en evenveel paarden als de vorige paarden en evenveel strijdwagens als de vorige strijdwagens. Laten wij vervolgens in de vlakte tegen hen strijden, dan zullen wij stellig sterker zijn dan zij! Hij luisterde naar hun stem en deed zo.

26Het gebeurde bij het aanbreken van het nieuwe jaar dat Benhadad de Syriërs monsterde. Hij trok op naar Afek, ten strijde tegen Israël.

27De Israëlieten werden ook gemonsterd en voorzien van leeftocht, en zij gingen hun tegemoet. De Israëlieten sloegen hun kamp op tegenover hen, als twee kleine kudden geiten; de Syriërs vulden echter het land.

28De man Gods kwam naar voren en zei tegen de koning van Israël: Zo zegt de HEERE: Omdat de Syriërs hebben gezegd: De HEERE is een God van de bergen en Hij is niet een God van de dalen, daarom zal Ik heel deze grote troepenmacht in uw hand geven, opdat u weet dat Ik de HEERE ben.

29Zeven dagen lagen zij tegenover elkaar. Op de zevende dag gebeurde het echter dat het tot strijd kwam. En de Israëlieten versloegen de Syriërs: honderdduizend man voetvolk op één dag.

30De overgeblevenen vluchtten naar de stad Afek, maar de muur viel op zevenentwintigduizend man die overgebleven waren. Ook Benhadad was gevlucht en de stad binnengekomen, en liep van kamer naar kamer.

31Toen zeiden zijn dienaren tegen hem: Zie toch, wij hebben gehoord dat de koningen van het huis van Israël goedertieren koningen zijn. Laten wij toch rouwgewaden om ons middel doen, en touwen om ons hoofd, en de stad uitgaan, naar de koning van Israël. Misschien zal hij u laten leven.20:31 u laten leven - Letterlijk: uw ziel laten leven; zie ook vers 32.

32Toen bonden zij rouwgewaden om hun middel en touwen om hun hoofden, kwamen bij de koning van Israël en zeiden: Uw dienaar Benhadad zegt: Laat mij toch in leven. En hij zei: Leeft hij dan nog? Hij is mijn broeder.

33En de mannen merkten dit op en vatten het onmiddellijk op als welgemeend.20:33 als welgemeend - Letterlijk: of het (echt) van hem was. Zij zeiden: Uw broeder Benhadad leeft. En hij zei: Ga hem halen. Toen ging Benhadad naar hem toe, en Achab liet hem op de wagen klimmen.

34En Benhadad zei tegen hem: De steden die mijn vader uw vader ontnomen heeft, zal ik teruggeven. U mag in Damascus een markt vestigen, zoals mijn vader in Samaria heeft gedaan. En ik, antwoordde Achab, zal u met dit verbond laten gaan. Zo sloot hij een verbond met hem en liet hem gaan.

Roekeloosheid van Achab bestraft

35Toen zei een man uit de leerling-profeten door het woord van de HEERE tegen zijn naaste: Sla mij toch! Toen de man weigerde hem te slaan,

36zei hij tegen hem: Omdat u niet geluisterd hebt naar de stem van de HEERE, zie, wanneer u bij mij vandaan gaat, zal een leeuw u doden. En toen hij bij hem vandaan ging, trof een leeuw hem aan en doodde hem.

37Daarna trof hij een andere man aan en zei: Sla mij toch! En die man sloeg hem zó dat hij hem verwondde.

38Toen ging de profeet op de weg vóór de koning staan. Hij had zichzelf vermomd met een band over zijn ogen.

39En het gebeurde, toen de koning voorbijging, dat hij tegen de koning riep, en zei: Uw dienaar was uitgetrokken in het midden van de strijd, en zie, één man ging terzijde en bracht een andere man bij mij, en zei: Bewaak deze man, als hij hoe dan ook vermist wordt, zal uw leven in de plaats van zijn leven komen, of u moet een talent20:39 Een talent is ongeveer 30 kilo. zilver betalen.

40Het gebeurde nu, als uw dienaar her en der bezig was, dat die man er niet meer was. Toen zei de koning van Israël tegen hem: Dat is dan uw vonnis, u hebt het zelf geveld.

41Toen deed hij vlug de band van voor zijn ogen weg, en de koning van Israël herkende hem, dat hij een van de profeten was.

42En hij zei tegen hem: Zo zegt de HEERE: Omdat u de man die Ik met de ban sloeg, vrijuit liet gaan,

20:42
1 Kon. 22:37,38
zal uw leven in de plaats van zijn leven zijn, en uw volk in de plaats van zijn volk.

43Toen ging de koning van Israël naar huis, somber gestemd en woedend, en hij kwam in Samaria.

21

Achab en Naboth

211Hierna gebeurde het volgende: Naboth uit Jizreël had een wijngaard die in Jizreël lag, naast het paleis van Achab, de koning van Samaria.

2En Achab sprak tot Naboth: Geef mij uw wijngaard, dan kan die mij tot moestuin dienen. Hij ligt immers vlak naast mijn huis. Dan geef ik u in plaats daarvan een wijngaard die beter is dan deze, of, als het goed is in uw ogen, geef ik u de waarde ervan in geld.

3Maar Naboth zei tegen Achab: Laat de HEERE daarvan bij mij geen sprake doen zijn, dat ik u het erfelijk bezit van mijn vaderen zou geven!

4Toen kwam Achab thuis, somber gestemd en woedend vanwege het woord dat Naboth uit Jizreël tot hem had gesproken; dat deze had gezegd: Ik geef u het erfelijk bezit van mijn vaderen niet. Hij ging op zijn bed liggen, wendde zijn gezicht af en nam geen voedsel tot zich.

5Toen kwam Izebel, zijn vrouw, bij hem. Zij sprak tot hem: Wat is er, dat uw geest somber gestemd is en dat u geen voedsel tot u neemt?

6Hij sprak tot haar: Omdat ik tot Naboth uit Jizreël heb gesproken en tegen hem heb gezegd: Geef mij uw wijngaard voor geld. Of, als u dat liever hebt, zal ik u er een wijngaard voor in de plaats geven. Hij heeft echter gezegd: Ik geef u mijn wijngaard niet.

7Toen zei Izebel, zijn vrouw, tegen hem: Moet ú nu het koningschap over Israël uitoefenen? Sta op, neem voedsel tot u, laat uw hart vrolijk zijn, dan zal ík u de wijngaard van Naboth uit Jizreël, geven.

8Vervolgens schreef zij brieven in de naam van Achab, verzegelde die met zijn zegel, en zij stuurde de brieven naar de oudsten en naar de edelen die bij Naboth in diens stad woonden.

9In die brieven schreef zij: Roep een vasten uit en laat Naboth aan het hoofd van het volk zitten.

10En laat twee mannen tegenover hem zitten, verdorven lieden, die tegen hem getuigen: U hebt God en de koning vaarwel gezegd.21:10 vaarwel gezegd - Letterlijk: gezegend; zie ook vers 13. Breng hem dan naar buiten en stenig hem, zodat hij sterft.

11En de mannen van zijn stad, die oudsten en die edelen die in zijn stad woonden, deden zoals Izebel hun opgedragen had, zoals geschreven was in de brieven die zij hun gestuurd had.

12Zij riepen een vasten uit, en zij lieten Naboth aan het hoofd van het volk zitten.

13Toen kwamen er twee mannen, verdorven lieden, tegenover hem zitten, en die verdorven lieden getuigden tegen hem, tegen Naboth, ten overstaan van het volk: Naboth heeft God en de koning vaarwel gezegd. Daarop brachten zij hem buiten de stad en stenigden hem met stenen, zodat hij stierf.

14Daarna stuurden zij Izebel een bode om te zeggen: Naboth is gestenigd en is dood.

15Het gebeurde nu, toen Izebel hoorde dat Naboth gestenigd en dood was, dat Izebel tegen Achab zei: Sta op, neem de wijngaard van Naboth uit Jizreël in bezit, die hij weigerde u voor geld te geven. Naboth leeft namelijk niet meer, maar is dood.

16En het gebeurde, toen Achab hoorde dat Naboth dood was, dat Achab opstond om naar de wijngaard van Naboth uit Jizreël af te dalen om die in bezit te nemen.

17Maar het woord van de HEERE kwam tot Elia, de Tisbiet:

18Sta op, daal af, Achab, de koning van Israël, tegemoet, die in Samaria woont. Zie, hij is in de wijngaard van Naboth, waarheen hij afgedaald is om die in bezit te nemen.

19En u moet tegen hem zeggen: Zo zegt de HEERE: Hebt u een moord gepleegd en ook iemands land in bezit genomen? Verder moet u tot hem spreken: Zo zegt de HEERE, op de plaats waar de honden het bloed van Naboth opgelikt hebben, zullen de honden uw bloed oplikken, ja, het uwe!

20En Achab zei tegen Elia: Hebt u mij gevonden, mijn vijand? Hij zei: Ik heb u gevonden, omdat u uzelf verkocht hebt om te doen wat slecht is in de ogen van de HEERE.

21

21:21
2 Kon. 9:7,8,9
Zie, Ik breng onheil over u. Ik zal uw nakomelingen wegvagen, en Ik zal van Achab alle mannen21:21 mannen - Letterlijk: wie tegen de wand plast. uitroeien, zowel de gebondene als de vrije in Israël.

22Ik zal uw huis maken

21:22
1 Kon. 15:29
als het huis van Jerobeam, de zoon van Nebat, en
21:22
1 Kon. 16:3,11
als het huis van Baësa, de zoon van Ahia, vanwege uw tergen, waarmee u Mij tot toorn hebt verwekt en Israël hebt doen zondigen.

23En verder sprak de HEERE over

21:23
2 Kon. 9:35,36,37
Izebel: De honden zullen Izebel opeten bij de vestingwal van Jizreël.

24Wie van Achab in de stad sterft, die zullen de honden opeten, en wie in het veld sterft, die zullen de vogels in de lucht opeten.

25

21:25
1 Kon. 16:33
Er is nooit iemand zoals Achab geweest, die zichzelf verkocht om te doen wat slecht is in de ogen van de HEERE, omdat Izebel, zijn vrouw, hem daartoe aanspoorde.

26Hij handelde zeer gruwelijk door achter de stinkgoden aan te gaan, overeenkomstig alles wat de Amorieten hadden gedaan, die de HEERE van voor de ogen van de Israëlieten verdreven had.

27Het gebeurde nu, toen Achab deze woorden hoorde, dat hij zijn kleren scheurde, een rouwgewaad om zijn lichaam deed en vastte. In dat rouwgewaad ging hij ook slapen en liep hij langzaam rond.

28Toen kwam het woord van de HEERE tot Elia, de Tisbiet:

29Hebt u gezien dat Achab zich heeft vernederd voor Mijn aangezicht? Omdat hij zich heeft vernederd voor Mijn aangezicht, zal Ik dat onheil nog niet in zijn dagen brengen. In de dagen van zijn zoon zal Ik dat onheil over zijn huis brengen.

22

Strijd van Achab en Josafat tegen de Syriërs

221Drie jaar zaten zij stil: er was geen oorlog tussen Syrië en Israël.

2Het gebeurde echter in het derde jaar dat

22:2
2 Kron. 18:1,2
Josafat, de koning van Juda, naar de koning van Israël toe ging.

3Toen zei de koning van Israël tegen zijn dienaren: Weet u dat Ramoth in Gilead van ons is? En wij doen niets om het uit de hand van de koning van Syrië terug te nemen.

4Daarna zei hij tegen Josafat: Trekt u met mij ten strijde tegen Ramoth in Gilead? En Josafat zei tegen de koning van Israël: Ik ben als u, mijn volk is als uw volk, mijn paarden zijn als uw paarden.

5Verder zei Josafat tegen de koning van Israël: Vraag toch vandaag nog naar het woord van de HEERE.

6Toen riep de koning van Israël de profeten bijeen, ongeveer vierhonderd man, en zei tegen hen: Zal ik tegen Ramoth in Gilead ten strijde trekken, of zal ik ervan afzien? Zij zeiden: Trek op, want de Heere zal hen in de hand van de koning geven.

7Maar Josafat zei: Is er hier niet nog een profeet van de HEERE, zodat wij de HEERE door hem kunnen raadplegen?

8Toen zei de koning van Israël tegen Josafat: Er is nog één man om door hem de HEERE te raadplegen, maar ík haat hem, want hij profeteert niets goeds over mij, alleen maar onheil: Micha, de zoon van Jimla. Josafat zei: Zo moet de koning niet spreken!

9Toen riep de koning van Israël een hoveling en zei: Haal snel Micha, de zoon van Jimla.

10

22:10
2 Kron. 18:9
Nu zaten de koning van Israël en Josafat, de koning van Juda, ieder op zijn troon, gekleed in staatsiegewaad op de dorsvloer, bij de ingang van de poort van Samaria. En al de profeten profeteerden in hun tegenwoordigheid.

11Zedekia, de zoon van Kenaäna, had ijzeren hoorns voor zichzelf gemaakt, en zei: Zo zegt de HEERE: Hiermee zult u de Syriërs neerstoten, totdat u hen vernietigd hebt.

12En alle profeten profeteerden hetzelfde: Trek op naar Ramoth in Gilead en u zult slagen, want de HEERE zal hen in de hand van de koning geven.

13De bode nu die Micha was gaan roepen, sprak tot hem: Zie toch, de woorden van de profeten zijn eenstemmig22:13 eenstemmig - Letterlijk: met één mond. in het voordeel van de koning. Laat toch uw woord als het woord van een van hen zijn, en spreek het goede.

14Maar Micha zei: Zo waar de HEERE leeft, wat de HEERE tegen mij zegt, dat zal ik spreken.

15Toen hij bij de koning kwam, zei de koning tegen hem: Micha, zullen wij tegen Ramoth in Gilead ten strijde trekken, of zullen wij ervan afzien? En hij zei tegen hem: Trek op, en u zult slagen, want de HEERE zal hen in de hand van de koning geven.

16De koning zei tegen hem: Hoeveel keer moet ik u nog bezweren dat u tot mij niets zult spreken dan alleen de waarheid, in de Naam van de HEERE?

17Hij zei: Ik zag heel Israël overal verspreid op de bergen, als schapen die geen herder hebben. En de HEERE zei: Dezen hebben geen heer, laat ieder in vrede naar zijn huis terugkeren.

18Toen zei de koning van Israël tegen Josafat: Heb ik niet tegen u gezegd: Hij zal over mij niets goeds profeteren, alleen maar onheil?

19Verder zei Micha: Daarom, hoor het woord van de HEERE:

22:19
2 Kron. 18:18
Job 1:62:1
Ik zag de HEERE op Zijn troon zitten, en heel het hemelse leger stond bij Hem, aan Zijn rechter- en aan Zijn linkerzijde.

20En de HEERE zei: Wie zal Achab misleiden, zodat hij zal optrekken en bij Ramoth in Gilead zal vallen in de strijd? De een nu zei dit, en de ander zei dat.

21Toen trad er een geest naar voren en ging voor het aangezicht van de HEERE staan. Hij zei: Ík zal hem misleiden. En de HEERE zei tegen hem: Waarmee?

22Hij zei: Ik zal eropuit gaan en een leugengeest zijn in de mond van al zijn profeten. En Hij zei: U mag misleiden, en u zult er ook toe in staat zijn. Vertrek en doe het zo.

23Welnu, zie, de HEERE heeft een leugengeest in de mond van al deze profeten van u gegeven, en de HEERE heeft onheil over u uitgesproken.

24Toen kwam Zedekia, de zoon van Kenaäna, naar voren. Hij sloeg Micha op zijn kaak, en zei: Langs welke weg is de Geest van de HEERE van mij weggegaan om tot u te spreken?

25En Micha zei: Zie, u zult het zien, op de dag waarop u van kamer naar kamer gaat om u te verbergen.

26Daarop zei de koning van Israël: Neem Micha mee en breng hem terug naar Amon, de leider van de stad, en naar Joas, de zoon van de koning.

27En u moet zeggen: Dit zegt de koning: Zet deze man in de gevangenis en laat hem brood van verdrukking eten en water van verdrukking drinken, totdat ik in vrede terugkom.

28Maar Micha zei: Als u echt in vrede terugkeert, heeft de HEERE niet door mij gesproken! Verder zei hij:

22:28
Micha 1:2
Luister, volken, allemaal!

Dood van Achab

29Zo trok de koning van Israël met Josafat, de koning van Juda, op naar Ramoth in Gilead.

30De koning van Israël zei tegen Josafat: Zodra ik mij vermomd heb, trek ik ten strijde. Trekt u echter uw eigen kleren aan. Zo vermomde de koning van Israël zich en trok ten strijde.

31Nu had de koning van Syrië de bevelhebbers van de strijdwagens, waarvan hij er tweeëndertig had, geboden: U mag niet tegen kleinen of tegen groten strijden, maar alleen tegen de koning van Israël.

32Het gebeurde dan, zodra de bevelhebbers van de strijdwagens Josafat zagen, dat zij zeiden: Dat is zeker de koning van Israël. Zij gingen op hem af om tegen hem te strijden, maar Josafat schreeuwde om hulp.

33En het gebeurde, zodra de bevelhebbers van de strijdwagens zagen dat hij niet de koning van Israël was, dat zij zich van hem afkeerden.

34Toen spande een man in zijn onschuld de boog en trof de koning van Israël tussen de verbindingsstukken en het harnas. Toen zei deze tegen zijn wagenmenner: Wend de teugel22:34 Wend de teugel - Letterlijk: Keer uw hand. en breng mij weg uit het leger, want ik ben gewond.

35De strijd laaide die dag echter hoog op. De koning werd in de wagen staande gehouden tegenover de Syriërs, maar in de avond stierf hij. Het bloed van de wond vloeide in de bak van de wagen.

36Toen de zon onderging, ging de luide roep door het legerkamp: Ieder naar zijn stad, en ieder naar zijn land!

37Zo stierf de koning. Hij werd naar Samaria gebracht en zij begroeven de koning in Samaria.

38Men spoelde de wagen af bij de vijver van Samaria, waar de hoeren zich wasten. De honden likten zijn bloed op, overeenkomstig het woord van de HEERE, dat Hij gesproken had.

39Het overige nu van de geschiedenis van Achab, alles wat hij gedaan heeft, het ivoren huis dat hij gebouwd heeft en al de steden die hij gebouwd heeft, is dat niet beschreven in het boek van de kronieken van de koningen van Israël?

40Zo ging Achab te ruste bij zijn vaderen, en zijn zoon Ahazia werd koning in zijn plaats.

Josafat koning van Juda

41

22:41
2 Kron. 20:31
Josafat, de zoon van Asa, was koning geworden over Juda in het vierde jaar van Achab, de koning van Israël.

42Josafat was vijfendertig jaar oud toen hij koning werd, en hij regeerde vijfentwintig jaar in Jeruzalem. De naam van zijn moeder was Azuba, de dochter van Silchi.

43Hij wandelde in heel de weg van zijn vader Asa. Hij week daarvan niet af, en deed wat juist was in de ogen van de HEERE.

44De offerhoogten werden evenwel niet weggenomen: het volk bracht nog steeds slachtoffers en reukoffers op de offerhoogten.

45Ook sloot Josafat vrede met de koning van Israël.

46Het overige nu van de geschiedenis van Josafat, zijn macht, die hij uitgeoefend heeft, en hoe hij oorlog gevoerd heeft, is dat niet beschreven in het boek van de kronieken van de koningen van Juda?

47Ook vaagde hij uit het land de rest van de schandknapen weg, die in de dagen van zijn vader Asa waren overgebleven.

48Er was toen geen koning in Edom, maar een stadhouder van de koning.

49Josafat had Tarsis-schepen gebouwd om naar Ofir te gaan om goud. De reis ging echter niet door, want de schepen leden al in Ezeon-Geber schipbreuk.

50Toen zei Ahazia, de zoon van Achab, tegen Josafat: Laat mijn dienaren met uw dienaren op de schepen meevaren, maar Josafat wilde dat niet.

51En Josafat ging te ruste bij zijn vaderen, en werd bij zijn vaderen begraven in de stad van zijn vader David, en zijn zoon Jehoram werd koning in zijn plaats.

Ahazia koning van Israël

52Ahazia, de zoon van Achab, werd koning over Israël in Samaria in het zeventiende jaar van Josafat, de koning van Juda, en regeerde twee jaar over Israël.

53Hij deed wat slecht was in de ogen van de HEERE. Hij ging namelijk in de weg van zijn vader en in de weg van zijn moeder, in de weg van Jerobeam, de zoon van Nebat, die Israël deed zondigen.

54Hij diende de Baäl en boog zich voor hem neer, en verwekte de HEERE, de God van Israël, tot toorn, overeenkomstig alles wat zijn vader gedaan had.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]