Herziene Statenvertaling (HSV)
12

Verzoek van Israël om verlichting van lasten

121Rehabeam

12:1
2 Kron. 10:1
ging naar Sichem, want heel Israël was naar Sichem gekomen om hem koning te maken.

2Het gebeurde nu, toen Jerobeam, de zoon van Nebat, dit hoorde,

12:2
1 Kon. 11:40
terwijl hij nog in Egypte was – want hij was gevlucht voor koning Salomo en Jerobeam woonde in Egypte –

3dat zij een bode stuurden en hem lieten roepen. Toen kwam Jerobeam, met heel de gemeente van Israël, en zij spraken tot Rehabeam:

4

12:4
2 Kron. 10:4
Uw vader heeft ons juk hard gemaakt; maakt u het harde dienstwerk voor uw vader en zijn zware juk, dat hij ons heeft opgelegd nu lichter, dan zullen wij u dienen.

5Hij zei tegen hen: Ga en kom over drie dagen bij mij terug. En het volk ging weg.

6Koning Rehabeam pleegde overleg met de oudsten die bij zijn vader Salomo in dienst waren geweest,12:6 die bij … geweest - Letterlijk: die voor het aangezicht van zijn vader Salomo hadden gestaan; zie ook vers 8. toen die nog leefde, en zei: Wat raadt u aan om dit volk te antwoorden?

7Zij spraken tot hem: Als u heden een dienaar voor dit volk wilt zijn, en als u hen dient, hun antwoord geeft en goede woorden tot hen spreekt, dan zullen zij alle dagen uw dienaren zijn.

8Maar hij verwierp de raad van de oudsten die zij hem hadden gegeven, en pleegde overleg met de jonge mannen die met hem waren opgegroeid en bij hem in dienst waren.

9Hij zei tegen hen: Wat raadt u aan dat wij dit volk zullen antwoorden, dat tot mij sprak: Maak het juk dat uw vader ons opgelegd heeft, lichter?

10De jonge mannen, die met hem waren opgegroeid, spraken tot hem: Dit moet u zeggen tegen dat volk dat tot u heeft gesproken: Uw vader heeft ons juk zwaar gemaakt, maar maakt u het voor ons lichter. Dit moet u tot hen spreken: Mijn pink is dikker dan het middel van mijn vader.

11Welnu, mijn vader heeft een zwaar juk op u geladen, maar ik zal aan uw juk nog meer toevoegen. Mijn vader heeft u met gesels gehoorzaamheid bijgebracht, maar ík zal u met schorpioenen gehoorzaamheid bijbrengen.

12Toen kwam Jerobeam met heel het volk bij Rehabeam, op de derde dag, zoals de koning had gesproken: Kom op de derde dag bij mij terug.

13En de koning gaf het volk een hard antwoord, want hij verwierp de raad van de oudsten die hem raad gegeven hadden.

14Hij sprak tot hen overeenkomstig de raad van de jonge mannen: Mijn vader heeft uw juk zwaar gemaakt, maar ík zal aan uw juk nog meer toevoegen. Mijn vader heeft u met gesels gehoorzaamheid bijgebracht, maar ík zal u met schorpioenen gehoorzaamheid bijbrengen.

15Dus luisterde de koning niet naar het volk. Deze ommekeer kwam namelijk van de HEERE, opdat Hij Zijn woord gestand zou doen dat de HEERE door de dienst van Ahia uit Silo tot Jerobeam, de zoon van Nebat, had

12:15
1 Kon. 11:11,31
gesproken.

16Toen heel Israël zag dat de koning niet naar hen geluisterd had, gaf het volk de koning ten antwoord:

12:16
2 Sam. 20:1
Wat voor deel hebben wij aan David?

Wij hebben geen erfelijk bezit met de zoon van Isaï.

Naar uw tenten, Israël!

Zorg nu voor uw eigen huis, David!

En Israël ging naar zijn tenten.

17Maar wat betreft de Israëlieten die in de steden van Juda woonden, over hen bleef Rehabeam koning.

18Toen stuurde koning Rehabeam

12:18
1 Kon. 4:6
5:14
Adoram, die over de herendienst ging. Maar heel Israël stenigde hem met stenen, zodat hij stierf. Koning Rehabeam had echter de moed om op de wagen te klimmen om naar Jeruzalem te vluchten.

19

12:19
2 Kon. 17:21
Zo werden de Israëlieten afvallig van het huis van David, tot op deze dag.

20En het gebeurde, toen heel Israël hoorde dat Jerobeam was teruggekeerd, dat zij hem naar de volksvergadering lieten roepen, en hem over heel Israël koning maakten. Niemand volgde het huis van David dan alleen de stam van Juda.

21

12:21
2 Kron. 11:1
Toen Rehabeam in Jeruzalem aangekomen was, riep hij heel het huis van Juda en de stam van Benjamin bijeen, honderdtachtigduizend van de beste manschappen, geoefend in de strijd, om tegen het huis van Israël oorlog te voeren en het koningschap aan Rehabeam, de zoon van Salomo, terug te brengen.

22

12:22
2 Kron. 11:2
Maar het woord van God kwam tot Semaja, de man Gods:

23Zeg tegen Rehabeam, de zoon van Salomo, de koning van Juda, en tegen heel het huis van Juda en Benjamin en de rest van het volk:

24Zo zegt de HEERE: U mag niet optrekken of strijden tegen uw broeders, de Israëlieten. Keer terug, ieder naar zijn huis, want deze zaak is bij Mij vandaan gekomen. Zij luisterden naar het woord van de HEERE en keerden terug om weg te gaan, overeenkomstig het woord van de HEERE.

De kalverdienst van Jerobeam

25Jerobeam bouwde Sichem uit, in het bergland van Efraïm, en ging daar wonen. Naderhand vertrok hij vandaar en bouwde

12:25
Gen. 32:30
Penuel.

26En Jerobeam zei in zijn hart: Nu zal het koninkrijk weer aan het huis van David komen.

27Als dit volk optrekt om offers te brengen in het huis van de HEERE in Jeruzalem, zal het hart van dit volk terugkeren naar hun heer, naar Rehabeam, de koning van Juda. Dan zullen zij mij doden en terugkeren naar Rehabeam, de koning van Juda.

28Daarom pleegde de koning overleg en

12:28
2 Kon. 17:16
maakte twee gouden kalveren. Hij zei tegen het volk: Het is te veel voor u om op te trekken naar Jeruzalem.
12:28
Ex. 32:8
Zie uw goden, Israël, die u uit het land Egypte hebben doen optrekken.

29En hij plaatste het ene in Bethel, en het andere zette hij in Dan.

30Dit werd aanleiding tot zonde, want het volk liep vóór het ene uit, tot aan Dan toe.

31Hij maakte ook een godshuis op de offerhoogten

12:31
Num. 3:10
1 Kon. 13:33
2 Kon. 17:32
2 Kron. 11:15
en hij stelde priesters aan uit alle geledingen van het volk,12:31 hij stelde … volk - Letterlijk: hij maakte priesters van de einden van het volk. die niet tot de nakomelingen van Levi behoorden.

32Verder stelde Jerobeam een feest in voor in de achtste maand, op de vijftiende dag van de maand, zoals het feest dat in Juda gevierd werd, en hij besteeg dan het altaar. Zo deed hij ook in Bethel door offers te brengen aan de kalveren die hij gemaakt had. Hij stelde ook in Bethel priesters aan voor de offerhoogten die hij gemaakt had.

33Ook bracht hij brandoffers op het altaar dat hij in Bethel gemaakt had, op de vijftiende dag van de achtste maand, in de maand die hij in zijn eigen hart bedacht had. Zo stelde hij voor de Israëlieten een feest in en offerde op het altaar door reukoffers te brengen.

13

Jerobeam door een profeet te Bethel bestraft

131En zie, er kwam een man Gods door het woord van de HEERE uit Juda naar Bethel, terwijl Jerobeam bij het altaar stond om een reukoffer te brengen.

2Hij riep tot het altaar, door het woord van de HEERE, en zei: Altaar, altaar, zo zegt de HEERE:

13:2
2 Kon. 23:15,16,17
Zie, in het huis van David zal een zoon geboren worden, van wie de naam Josia zal zijn. Die zal op u de priesters van de hoogten offeren, die op u reukoffers brengen. Ja, men zal mensenbeenderen op u verbranden.

3Op die dag gaf hij een teken: Dit is het teken, waarvan de HEERE heeft gesproken: Zie het altaar zal scheuren en de as die erop ligt, zal eraf storten.

4En het gebeurde, toen de koning het woord van de man Gods hoorde, dat deze tot het altaar in Bethel uitgeroepen had, dat Jerobeam zijn hand van op het altaar uitstrekte en zei: Grijp hem! Maar zijn hand, die hij tegen hem had uitgestrekt, verstijfde, zodat hij hem niet meer naar zich toe kon trekken.

5En het altaar scheurde, en de as stortte van het altaar af, overeenkomstig het teken dat de man Gods door het woord van de HEERE had gegeven.

6Toen antwoordde de koning en zei tegen de man Gods:

13:6
Ex. 8:8
9:28
10:17
Num. 21:7
Hand. 8:24
Tracht toch het aangezicht van de HEERE uw God gunstig te stemmen, en bid voor mij dat mijn hand weer teruggetrokken kan worden!13:6 teruggetrokken kan worden - Letterlijk: weer naar mij terugkomt. Toen trachtte de man Gods het aangezicht van de HEERE gunstig te stemmen, en de hand van de koning kon weer teruggetrokken worden en werd als daarvoor.

7En de koning sprak tot de man Gods: Kom met mij mee naar huis, en kom op krachten. Dan zal ik u een geschenk geven.

8Maar de man Gods zei tegen de koning:

13:8
Num. 22:18
Al gaf u mij de helft van uw huis, ik zou niet met u meegaan, en ik zou in deze plaats geen brood eten of water drinken.

9Want zo heeft de HEERE mij door Zijn woord geboden: U mag geen brood eten of water drinken, en u mag niet terugkeren via de weg waarlangs u gegaan bent.

10Zo ging hij langs een andere weg, en keerde niet terug via de weg waarlangs hij naar Bethel gekomen was.

Dood van de profeet te Bethel

11Nu woonde er in Bethel een oude profeet. Zijn zoon kwam en vertelde hem alles13:11 alles - Letterlijk: al het werk. wat de man Gods die dag in Bethel had gedaan, met de woorden die hij tot de koning had gesproken. Zij vertelden die aan hun vader.

12Hun vader sprak tot hen: Welke weg is hij gegaan? Zijn zonen hadden de weg gezien waarlangs de man Gods die uit Juda kwam, gegaan was.

13Toen zei hij tegen zijn zonen: Zadel de ezel voor mij. En zij zadelden de ezel voor hem, en hij reed erop weg.

14Hij ging de man Gods achterna, en trof hem aan, zittend onder een eik. Hij zei tegen hem: Bent u de man Gods die uit Juda gekomen is? En hij zei: Dat ben ik.

15Toen zei hij tegen hem: Kom met mij mee naar huis en eet brood.

16Maar hij zei: Ik kan niet met u terugkeren of met u meekomen. Ik zal ook geen brood eten of water met u drinken in deze plaats.

17Want door het woord van de HEERE is een woord tot mij gekomen: U mag daar geen brood eten of water drinken. U mag niet terugkeren door via de weg te gaan waarlangs u al gegaan bent.

18Hij zei tegen hem:

13:18
Gal. 1:8
Ik ben ook een profeet, zoals u, en een engel heeft door het woord van de HEERE tot mij gesproken: Laat hem met u terugkeren naar uw huis, en laat hij brood eten en water drinken. Hij loog echter tegen hem.

19Toen keerde hij met hem terug, at brood in zijn huis en dronk water.

20En het gebeurde, toen zij aan tafel zaten, dat het woord van de HEERE tot de profeet kwam die hem had laten terugkeren.

21Hij riep tegen de man Gods die uit Juda gekomen was: Zo zegt de HEERE: Omdat u ongehoorzaam bent geweest aan het bevel van de HEERE, en het gebod dat de HEERE uw God u geboden had, niet in acht genomen hebt,

22maar teruggekeerd bent en brood gegeten en water gedronken hebt in de plaats waarvan Hij tot u gesproken had: U mag daar geen brood eten of water drinken, daarom zal uw dode lichaam niet in het graf van uw vaderen komen.

23En het gebeurde, nadat hij brood had gegeten en nadat hij gedronken had, dat hij de ezel voor hem zadelde, voor de profeet die hij had doen terugkeren.

24Deze ging op weg.

13:24
1 Kon. 20:36
Maar onderweg trof een leeuw hem aan, en doodde hem. Zijn dode lichaam lag op de weg geworpen. De ezel stond ernaast en de leeuw stond eveneens naast het dode lichaam.

25En zie, er kwamen enige mannen voorbij. Zij zagen het dode lichaam, dat op de weg geworpen was, en de leeuw, die naast het dode lichaam stond, en gingen het vertellen in de stad waar de oude profeet woonde.

26Toen de profeet die hem van zijn weg had doen terugkeren, dit hoorde, zei hij: Dat is de man Gods die het bevel van de HEERE ongehoorzaam is geweest. Daarom gaf de HEERE hem over aan de leeuw, en die heeft hem vermorzeld en gedood, overeenkomstig het woord van de HEERE dat Hij tot hem gesproken had.

27Hij sprak tot zijn zonen: Zadel voor mij de ezel. En zij zadelden die.

28Toen ging hij op weg en trof diens dode lichaam aan, op de weg geworpen, en de ezel en de leeuw die naast het dode lichaam stonden. De leeuw had het dode lichaam niet opgegeten en de ezel niet vermorzeld.

29Toen nam de profeet het dode lichaam van de man Gods op, legde het op de ezel en bracht het terug. Zo kwam de oude profeet in de stad om rouw te bedrijven en hem te begraven.

30Hij legde zijn dode lichaam in zijn eigen graf. Ze bedreven rouw over hem, met de woorden: Ach, mijn broeder!

31Het gebeurde, nadat hij hem begraven had, dat hij tegen zijn zonen zei: Als ik gestorven ben, dan moeten jullie mij begraven in het graf waarin de man Gods begraven is. Leg mijn beenderen naast zijn beenderen.

32Want de woorden

13:32
2 Kon. 23:16
die hij door het woord van de HEERE geroepen heeft tegen het altaar dat te Bethel is, en tegen alle huizen op de offerhoogten die in de steden van Samaria zijn, zullen zeker uitkomen.

33Jerobeam keerde na deze gebeurtenis niet terug van zijn kwade weg,

13:33
1 Kon. 12:31,32
maar stelde opnieuw uit alle geledingen van het volk priesters aan13:33 maar stelde … aan - Letterlijk: hij maakte opnieuw van de einden van het volk priesters voor de hoogten. voor de offerhoogten. Wie maar wilde, wijdde hij13:33 wijdde hij - Letterlijk: vulde hij zijn hand. en die werd dan een van de priesters van de hoogten.

34En het werd door deze zaak tot zonde voor het huis van Jerobeam, waardoor het uitgeroeid en van de aardbodem weggevaagd zou worden.

14

Ahia voorspelt de ondergang van Jerobeam

141In die tijd werd Abia, de zoon van Jerobeam, ziek.

2Toen zei Jerobeam tegen zijn vrouw: Sta toch op en verkleed je, zodat ze niet te weten komen dat je de vrouw van Jerobeam bent. Ga dan naar Silo. Zie, daar is de profeet Ahia,

14:2
1 Kon. 11:31
die over mij gesproken heeft dat ik koning over dit volk zou worden.

3Neem tien broden, koeken en een kruik honing mee,14:3 mee - Letterlijk: in uw hand. en ga naar hem toe. Híj zal je vertellen wat de jongen overkomen zal.

4Zo deed de vrouw van Jerobeam. Zij maakte zich gereed, ging naar Silo en kwam in het huis van Ahia. Nu kon Ahia niet meer zien, want zijn ogen waren star geworden vanwege zijn ouderdom.

5Maar de HEERE zei tegen Ahia: Zie, de vrouw van Jerobeam komt u een uitspraak vragen over haar zoon, want deze is ziek. Zo en zo moet u tot haar spreken. Als zij binnenkomt zal het gebeuren dat zij zich als een vreemde voordoet.

6En het gebeurde, toen Ahia het geluid van haar voetstappen hoorde, toen zij door de deur naar binnen kwam, dat hij zei: Kom binnen, vrouw van Jerobeam! Waarom doet u zich toch als een vreemde voor? Ik ben namelijk tot u gezonden met een harde boodschap.

7Ga, zeg tegen Jerobeam: Zo zegt de HEERE, de God van Israël:

14:7
1 Kon. 12:15
Omdat Ik u verheven heb uit het midden van het volk en u tot vorst over Mijn volk Israël heb aangesteld,

8omdat Ik het koningschap van het huis van David losgescheurd en aan u gegeven heb, maar u niet als Mijn dienaar David geweest bent, die Mijn geboden in acht nam en die Mij met heel zijn hart volgde door alleen te doen wat juist is in Mijn ogen,

9maar omdat u kwaad deed, meer dan allen die er vóór u geweest zijn, en u voor uzelf andere goden en gegoten beelden bent gaan maken, om Mij tot toorn te verwekken, en u Mij verworpen14:9 verworpen - Letterlijk: achter uw rug geworpen. hebt,

10daarom,

14:10
1 Kon. 15:29
zie: Ik ga kwaad over het huis van Jerobeam brengen, en Ik zal van Jerobeam
14:10
1 Sam. 25:22,34
1 Kon. 16:11
21:21
2 Kon. 9:8
alle mannen14:10 alle mannen - Letterlijk: wie tegen de wand plast. in Israël uitroeien, zowel de gebondene als de vrije, en Ik zal de nakomelingen van het huis van Jerobeam wegvegen, zoals uitwerpselen worden weggeveegd, totdat het helemaal vergaan is.

11Wie van Jerobeam in de stad sterft, die zullen de honden opeten, en wie in het veld sterft, die zullen de vogels in de lucht opeten, want de HEERE heeft het gesproken.

12En u, sta op, ga naar uw huis. Wanneer uw voeten de stad binnenkomen, zal het kind sterven.

13Heel Israël zal rouw over hem bedrijven en hem begraven, want hij zal als enige van Jerobeam in het graf komen, omdat in hem wat goeds voor de HEERE, de God van Israël, in het huis van Jerobeam gevonden is.

14

14:14
1 Kon. 15:28,29
De HEERE zal echter voor Zichzelf een koning over Israël doen opstaan, die nog op diezelfde dag het huis van Jerobeam zal uitroeien. En wat daarna?

15De HEERE

14:15
2 Kon. 17:18
zal Israël treffen, zoals het riet in het water heen en weer zwiept, en Hij zal Israël wegrukken uit dit goede land, dat Hij hun vaderen heeft gegeven, en Hij zal hen verstrooien aan de overzijde van de rivier de Eufraat, omdat zij hun gewijde palen maakten om de HEERE tot toorn te verwekken.

16Hij zal Israël overgeven vanwege de zonden van Jerobeam, die gezondigd heeft en die Israël deed zondigen.

17Toen stond de vrouw van Jerobeam op, ging op weg en kwam te Tirza. Toen zij over de drempel van het huis kwam, stierf de jongen.

18Zij begroeven hem, en heel Israël bedreef rouw over hem, overeenkomstig het woord van de HEERE dat Hij gesproken had door de dienst van Zijn dienaar, de profeet Ahia.

19Het overige nu van de geschiedenis van Jerobeam, hoe hij oorlog voerde en hoe hij regeerde, zie, dat is beschreven in het boek van de kronieken van de koningen van Israël.

20De tijd14:20 de tijd - Letterlijk: de dagen. nu dat Jerobeam heeft geregeerd, is tweeëntwintig jaar. Hij ging te ruste bij zijn vaderen, en zijn zoon Nadab werd koning in zijn plaats.

Afgoderij van Juda onder Rehabeam

21

14:21
2 Kron. 12:13
Rehabeam nu, de zoon van Salomo, was koning over Juda. Rehabeam was eenenveertig jaar oud toen hij koning werd. Hij regeerde zeventien jaar in Jeruzalem, de stad die de HEERE uit alle stammen van Israël had verkozen om Zijn Naam daar te vestigen. De naam van zijn moeder was Naäma, de Ammonitische.

22Juda deed wat slecht was in de ogen van de HEERE, en zij verwekten Hem tot na-ijver, meer dan al hun vaderen gedaan hadden, met de zonden die zij begingen.

23Want ook zij bouwden voor zichzelf offerhoogten, gewijde stenen en gewijde palen, op elke hoge heuvel en onder elke bladerrijke boom.

24Ook waren er schandknapen in het land. Zij deden overeenkomstig alle gruweldaden van de heidenvolken die de HEERE van voor de ogen van de Israëlieten verdreven had.

25Nu gebeurde het in het vijfde jaar van koning Rehabeam

14:25
2 Kron. 12:2
dat Sisak, de koning van Egypte, optrok tegen Jeruzalem.

26Hij nam de schatten van het huis van de HEERE en de schatten van het huis van de koning weg, ja, hij nam alles weg.

14:26
1 Kon. 10:16,17
2 Kron. 9:15
Hij nam ook alle gouden schilden weg die Salomo gemaakt had.

27In plaats daarvan maakte koning Rehabeam bronzen schilden en stelde die onder de verantwoordelijkheid14:27 onder de verantwoordelijkheid - Letterlijk: over de hand. van de hoofden van de lijfwachten, die de ingang van het huis van de koning bewaakten.

28En het gebeurde, zo dikwijls als de koning naar het huis van de HEERE ging, dat de lijfwachten ze droegen en ze daarna weer terugbrachten naar de wachtruimte voor de lijfwachten.

29Het overige nu van de geschiedenis van Rehabeam, en al wat hij gedaan heeft, is dat niet beschreven in het boek van de kronieken van de koningen van Juda?

30En er was oorlog tussen Rehabeam en Jerobeam, al hun dagen.

31En Rehabeam ging te ruste bij zijn vaderen, en werd begraven bij zijn vaderen in de stad van David. En de naam van zijn moeder was Naäma, de Ammonitische. En zijn zoon Abiam werd koning in zijn plaats.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]